Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Guy de Maupassant
Het varken Morin

IntraText CT - Text

  • III
Previous - Next

Click here to hide the links to concordance

III

    Bij het eten werd mijn hoofd helemaal op hol gebracht. Ik zat naast haar en mijn hand ontmoette onder het tafelkleed voortdurend de hare, mijn voet duwde tegen haar voet, onze blikken vonden elkaar, vermengden zich.
    Vervolgens maakten we nog een wandeling in de maneschijn en ik fluisterde haar alle tederheden die bij me opkwamen in de ziel. Ik hield haar strak tegen me aan, kuste haar elk moment, bevochtigde mijn lippen met de hare. Vóór ons liepen de oom en Rivet te discussiëren. Hun schaduwen volgden ze plechtig op het zand van de paden.
    We gingen weer naar binnen. Het duurde niet lang of een telegraafbeambte bracht een telegram van de tante waarin ze aankondigde de volgende ochtend om zeven uur te zullen komen, met de eerste trein.
    De oom sprak: "Wel Henriette, wijs de heren dan hun kamers maar." We drukten de man de hand en gingen naar boven. Ze bracht ons eerst naar de kamer van Rivet, en hij fluisterde me in het oor: "Het zat er natuurlijk niet in dat ze ons eerst naar jouw kamer had gebracht." Toen bracht ze me naar mijn bed. Zodra ze alleen met me was, pakte ik haar weer in mijn armen, probeerde haar hoofd op hol te brengen en haar weerstand te breken. Maar zodra ze voelde dat ze zou gaan bezwijken, vluchtte ze weg.
    Ik glipte tussen de lakens, zeer misnoegd, zeer opgehitst en zeer bedremmeld, want ik wist dondersgoed dat ik amper zou slapen, doordat ik de hele tijd zou liggen nadenken over wat ik voor stoms had gedaan, toen er zachtjes op mijn deur werd geklopt.
    Ik vroeg: "Wie is daar?"
    Een zachte stem antwoordde: "Ik ben het."
    Ik kleedde me snel aan, deed open, en zij kwam binnen. "Ik ben vergeten," sprak ze, "u te vragen wat u 's morgens gebruikt: chocola, thee of koffie?"
    Ik had haar al onstuimig omhelsd, verslond haar met liefkozingen en stotterde: "Ik wil... ik wil... ik wil..." Maar ze glipte onder mijn armen uit, blies mijn kaars uit en verdween.
    Ik bleef woest alleen achter, in het duister, zocht lucifers, vond die niet. Eindelijk vond ik er en ging de gang op, half gek, met mijn kandelaar in de hand.
    Wat moest ik nou doen? Redeneren kon ik niet meer, ik wilde haar vinden, ik wilde haar. Ik deed gedachteloos een paar stappen. Toen dacht ik plotseling: Maar als ik bij oom binnenstap? Wat moet ik dan zeggen? En ik bleef stokstijf staan, met leeg hoofd en kloppend hart. Na een paar seconden kwam het antwoord: Wel verdorie, ik zeg gewoon dat ik de kamer van Rivet zocht om iets urgents met hem te bespreken.
    En ik begon de deuren te inspecteren waarbij ik mijn best deed de hare te ontdekken, die van haar persoonlijk. Maar ik vond geen enkele aanwijzing. Op goed geluk pakte ik een knop vast, die ik omdraaide. Ik deed de deur open, ik ging naar binnen... Henriette zat mij verschrikt, rechtop in bed, aan te kijken.
    Vervolgens schoof ik voorzichtig de grendel voor, ik liep op mijn tenen naar haar toe en zei: "Ik ben vergeten, juffrouw, u te iets te lezen te vragen." Ze verweerde zich, maar ik had al snel het boek dat ik zocht opengeslagen. Ik zal de titel niet noemen. Het was werkelijk de mooiste roman, het goddelijkste gedicht dat ik ooit heb gelezen.
    Toen de eerste bladzijde eenmaal was omgeslagen, liet ze het mij vrijuit doorbladeren, en ik las zoveel hoofdstukken dat onze kaarsen helemaal opbrandden.
    Na haar te hebben bedankt ging ik op kousenvoeten naar mijn kamer, toen een harde hand mij staande hield. En een stem, die van Rivet, fluisterde me in het gezicht: "Ben je nou nog niet klaar met die zaak van dat varken Morin te regelen?"
    Om zeven uur 's morgens bracht ze me persoonlijk een kop chocola. Ik heb nog nooit zulke lekkere gedronken. Een chocola om voor te sterven, zacht, romig, geparfumeerd, bedwelmend. Ik kon mijn mond niet van de zalige rand van haar kop halen.
    De jonge meid was amper weg of Rivet kwam binnen. Hij leek wat zenuwachtig, geïrriteerd als iemand die amper heeft geslapen, en sprak op gemelijke toon: "Als je zo doorgaat, weet je, dan bederf je de zaak van dat varken Morin nog."
    Om acht uur kwam de tante. De discussie was kort. De brave lieden trokken hun klacht in, en ik zou vijfhonderd frank in de armenkas storten.
    Toen wilden ze ons nog houden voor de dag. Ze zouden zelfs een uitstapje organiseren om ruïnes te gaan bezoeken. Henriette beduidde me achter de rug van haar familieleden met het hoofd van "ja, blijf toch". Ik accepteerde, maar Rivet stond erop te gaan.
    Ik nam hem onder vier ogen, ik bad en ik smeekte, ik zei: "Toe nou, Rivetje, doe dat nou voor mij." Maar hij leek getergd en zei een paar keer in mijn gezicht: "Ik heb er genoeg van, hoor je, van die zaak van dat varken Morin."
    Ik was dus wel gedwongen ook te gaan. Het was een van de moeilijkste ogenblikken van mijn leven. Ik had die zaak best gedurende de rest van mijn bestaan willen regelen.
    In de trein, na stevige en stilzwijgende handdrukken bij wijze van vaarwel, zei ik tegen Rivet: "Je bent een bruut." Hij antwoordde: "Beste jongen, je begon me behoorlijk te vervelen."
    Toen we bij de kantoren van de Fanal kwamen, zag ik dat er een menigte ons stond op te wachten... ze zagen ons nog niet of ze begonnen te schreeuwen: "En, hebben jullie de zaak van dat varken Morin geregeld?"
    Heel La Rochelle zat ermee in de maag. Rivet, wiens slechte humeur onderweg was verdampt, had de grootste moeite om niet in lachen uit te barsten en verklaarde: "Jazeker, het is geregeld, dankzij Labarbe."
    En wij naar Morin.
    Die zat onderuitgezakt in een stoel, met mosterdpleisters op zijn benen en koude kompressen op zijn hoofd, te sterven van angst. En hij hoestte voortdurend, een zieltogend hoestje, zonder dat het duidelijk was waar hij dat had opgelopen. Zijn vrouw bekeek hem met de ogen van een tijgerin die hem wilde verslinden.
    Zodra hij ons zag begon hij zo te beven dat zijn polsen en zijn benen ervan schudden. Ik zei: "Het is geregeld, klootzak, maar doe dit geen tweede keer."
    Hij stond half stikkend op, pakte mijn handen, kuste ze alsof ze van een prins waren, huilde, viel bijna flauw, omhelsde Rivet, omhelsde zelfs mevrouw Morin, die hem met een flinke zet in zijn stoel terug duwde.
    Maar hij herstelde niet van die slag, de emotie was hem te machtig geworden.
    Hij werd in de hele streek nog slechts "het varken Morin" genoemd, en die titel verwondde hem als een zwaardslag, telkens als hij hem hoorde.
    Als een bengel op straat "varken" riep, keek hij onwillekeurig die kant op. Zijn vrienden bestookten hem met de vreselijkste pesterijen en telkens als ze ham aten vroegen ze hem: "Komt die van jou?"
    Twee jaar later stierf hij.
    Wat mij betreft, toen ik me in 1875 ging aanmelden als afgevaardigde, moest ik in verband daarmee een bezoek afleggen bij de nieuwe notaris van Tousserre, meester Belloncle. Een grote, gezette en mooie vrouw ontving me.
    "Herkent u me niet?" vroeg ze.
    Ik stamelde: "Eh... nee... mevrouw."
    "Henriette Bonnel."
    "Ach!" En ik voelde me verbleken.
    Zij leek nergens last van te hebben, glimlachte en bekeek me.
    Zodra zij me met haar man alleen had gelaten, greep hij mijn handen vast, kneep erin alsof hij ze stuk wilde hebben en zei: "Beste meneer, ik heb u al heel lang graag willen zien. Mijn vrouw heeft het zo vaak over u gehad. Ik weet het... ja, ik weet in wat voor pijnlijke omstandigheden u haar hebt leren kennen, ik weet ook hoe voorbeeldig u bent geweest, zo fijngevoelig, zo tactvol, zo toegewijd in die zaak..." Hij aarzelde en zei toen zachter, alsof hij een vies woord moest uitspreken: "In die zaak van dat varken Morin."'





Previous - Next

Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License