I
`Nu moet je me toch eens vertellen,' zei ik
tegen Labarbe, `nu heb je weer die drie woorden "dat varken Morin"
uitgesproken. Alle duivels nog aan toe, waarom heb ik jou nou nooit over Morin
horen praten zonder dat hij werd betiteld met "varken"?'
Labarbe, tegenwoordig afgevaardigde, keek me aan met
ogen als van een katuil. `Hoe dat zo, ken jij het verhaal van Morin niet, en je
komt nog wel uit La Rochelle?'
Ik moest toegeven dat ik niets wist van dat verhaal van
Morin. Daarop wreef Labarbe zich in de handen en begon te vertellen.
`Je hebt Morin toch wel gekend, en je herinnert je ook
nog dat hij een grote galanteriewinkel had aan de kade van La Rochelle?'
`Ja, opperbest.'
`Nou, dan moet je weten dat Morin in 1862 of '63
veertien dagen naar Parijs ging, voor zijn plezier, of voor zijn pleziertjes,
maar met als smoes zijn voorraad te moeten aanvullen. Je weet wat voor een
handelaar uit de provincie veertien dagen Parijs betekenen. Je krijgt er het
vuur van in je bloed. Elke avond voorstellingen, geritsel van vrouwen, een
voortdurende prikkeling van de geest. Je wordt gek. Je ziet alleen nog maar
danseressen in pakjes, gedecolleteerde toneelspeelsters, ronde benen, dikke
schouders, en dat alles vrijwel onder handbereik, zonder dat je het durft of
kunt aanraken. Amper proef je een paar keer wat minderwaardige gerechten. En
dan ga je weer weg, het hart nog diep geschokt, de ziel geprikkeld, met een
soort kriebel van kussen die je de lippen doen jeuken.
Morin verkeerde in die staat toen hij een kaartje naar La Rochelle kocht, voor de
expres van acht uur veertig 's avonds. En hij liep vol spijt en in verwarring
door de grote wachtkamer van de Spoorwegen van Orleans, toen hij plotseling bleef staan voor
een jonge vrouw die een oude dame kuste. Ze had haar voile opgelicht en Morin
mompelde verrukt: "Drommels, dat is een mooie meid!"
Toen ze afscheid had genomen van de oude dame, ging ze
de wachtkamer in, en Morin volgde haar. Daarop liep ze het perron op, en Morin
volgde haar nog steeds. Daarna stapte ze in een lege wagon, en Morin volgde
haar nog altijd.
Er waren niet veel reizigers voor de expres. De
locomotief floot, de trein vertrok. Ze waren alleen.
Morin vrat haar met zijn blikken op. Ze leek een jaar
of twintig, was blond, groot, uitdagend van uiterlijk. Ze rolde een reisdeken
om haar benen en strekte zich uit op de bankjes om te gaan slapen.
Morin vroeg zich af: Wie is dat? Duizend
veronderstellingen, duizend plannen kwamen hem voor de geest. Hij zei bij
zichzelf: Je hoort zoveel spoorromances. Dit is er misschien een die zich
aandient. Wie weet? Je kunt zomaar geluk hebben. En misschien moet ik alleen
maar lef hebben. Was het niet Danton die zei: "Lef, lef, en niets dan
lef"? Nou ja, als het Danton niet was, dan is het Mirabeau2.
Wat doet het er ook toe? Ja, ik heb niet genoeg lef, dat is het hem. O, als we
eens wisten te lezen in zielen, als we dat konden! Ik durf te wedden dat je
alle dagen zonder het in de gaten te hebben prachtige gelegenheden voorbij laat
gaan. Toch zou zij maar een gebaar hoeven te maken om me aan te geven dat ze
niets liever wil...
Hij ging dus machinaties zitten bedenken die tot zijn
overwinning zouden leiden.
Hij stelde zich een ridderlijke kennismaking voor, kleine diensten die hij haar
kon bewijzen, een levendige, hoffelijke conversatie die zou uitlopen op een
verklaring die zou uitlopen op... op wat jij denkt.
Maar waar het hem nog steeds aan ontbrak, dat was een
opening, een aanleiding. En hij wachtte op een gelukkige omstandigheid, met
geteisterd gevoelsleven en zijn geest helemaal hoteldebotel.
Maar de nacht verstreek en het mooie kind sliep nog
altijd, terwijl Morin haar val zat te beramen. Het werd dag en al snel wierp de
zon haar eerste straal, een lange, heldere straal vanaf de horizon op het lieve
gezicht van de slaapster.
Ze werd wakker, ging zitten, keek naar buiten, keek
naar Morin en glimlachte. Ze glimlachte als een gelukkige vrouw, uitnodigend en
vrolijk. Morin huiverde. Er was geen twijfel meer aan, die glimlach gold hem,
dat was wel degelijk een subtiele uitnodiging, het gedroomde signaal waarop hij
zat te wachten. Hij wilde zeggen, die glimlach: Ben jij stom, ben jij onnozel,
ben jij naïef om daar als een paal sinds gisteravond op je bank te blijven
zitten?
Toe nou, kijk nou eens naar mij, ben ik niet
betoverend? En jij blijft een hele nacht zo zitten, vlak bij een mooie vrouw
zonder iets te ondernemen, grote gek.
Ze glimlachte nog steeds en keek hem aan, ze begon
zelfs te lachen. Hij raakte de kluts kwijt, zocht naar een passend woord, een
compliment, kortom, iets te zeggen, wat dan ook. Maar hij vond niets, volstrekt
niets. Vervolgens dacht hij met de moed der wanhoop: Jammer dan, ik zet alles
op alles. En plotseling, zonder voorafgaande waarschuwing, kwam hij naar voren
met uitgestrekte handen, grage lippen, pakte haar in zijn armen en kuste haar.
Ze sprong op en schreeuwde: "Help", gillend
van schrik. Ze opende het portier, zwaaide met haar armen naar buiten, dol van
angst, probeerde te springen, terwijl een dodelijk geschrokken Morin, ervan
overtuigd dat ze zich op de baan zou storten, haar bij de rok vasthield en
stamelde: "Mevrouw... mevrouw dan toch."
De trein minderde vaart en stopte. Twee beambten kwamen
op de wanhopige gebaren van de jonge vrouw aangerend, die in hun armen viel,
stamelend: "Die man wilde... wilde... me... me..." En ze bezwijmde.
Ze stonden op het station van Mauzé. De aanwezige
politieagent arresteerde Morin.
Zodra het slachtoffer van zijn handtastelijkheden weer
bij kennis was legde zij haar verklaring af. De overheid verbaliseerde. En de
arme galanteriehandelaar kon pas die avond naar huis, met een gerechtelijke
vervolging aan zijn broek wegens aantasting van de goede zeden in het openbaar.
|