II
Ik was destijds hoofdredacteur van de Fanal
des Charentes. En ik zag Morin elke avond in het Café du Commerce.
De dag na zijn avontuur kwam hij me opzoeken, omdat hij
niet wist wat hij moest. Ik verheelde hem mijn mening niet: "Jij bent een
varken. Zo gedraag je je toch niet."
Hij zat te huilen, zijn vrouw had hem geslagen. En hij
zag zijn handel al geruïneerd, zijn naam in het slijk, onteerd, zijn
verontwaardigde vrienden die hem niet meer groetten. Ik kreeg ten slotte
medelijden met hem en riep mijn medewerker Rivet erbij, een spotziek en
levenswijs mannetje, om zijn mening te vragen.
Hij stelde voor de keizerlijke procureur te gaan
opzoeken, die tot mijn vrienden behoorde. Ik stuurde Morin naar huis en ging
naar die magistraat.
Ik hoorde dat de lastiggevallen vrouw een jonge dame
was, ene juffrouw Henriette Bonnel, die in Parijs net haar papieren voor
onderwijzeres had gehaald en die, omdat ze geen vader en moeder meer had, haar
vakantie doorbracht bij haar oom en tante, brave burgers in Mauzé.
Wat Morins situatie er moeilijker op maakte, was dat de
oom een aanklacht had ingediend. Het openbaar ministerie wilde de zaak wel
seponeren als die klacht zou worden ingetrokken. Dat moesten we dus voor elkaar
zien te krijgen.
Ik ging weer naar Morin. Ik vond hem in bed, ziek van
emotie en verdriet. Zijn vrouw, een grote, knokige en bebaarde kenau, zat hem
constant op zijn kop. Ze bracht me naar zijn kamer door me in het gezicht te
schreeuwen: "U komt voor dat varken Morin? Nou, daar is hij hoor, het
ventje!"
En ze ging voor het bed staan, met haar vuisten in haar
zij. Ik legde de situatie uit, hij smeekte me de familie te gaan opzoeken. Die
missie zou gevoelig liggen, maar ik nam haar aan. De arme donder zei de hele
tijd: "Ik verzeker je dat ik haar niet eens heb gekust, nee, niet eens. Ik
verzeker het je!"
Ik antwoordde: "Dat maakt niet uit, je bent toch
een varken." En ik nam de duizend frank die hij me liet om die naar eigen
inzicht te besteden.
Omdat ik me niet alleen in dat huis van die familie
wilde wagen, vroeg ik Rivet mee te gaan. Hij stemde in op voorwaarde dat we
meteen zouden gaan, want hij had de volgende middag dringende zaken af te
handelen in La Rochelle.
Twee uur later stonden we voor de deur van een mooi landhuis.
Een knappe jonge meid kwam ons opendoen. Dat was haar, vast. Ik zei zachtjes
tegen Rivet: "Sakkerloot, ik begin Morin te snappen."
De oom, meneer Tonnelet, was toevallig geabonneerd op
de Fanal en een overtuigd politiek medestander van ons, die ons met open
armen ontving, ons gelukwenste, complimenten maakte, de handen schudde,
enthousiast om twee redacteurs van zijn krant in huis te hebben. Rivet
fluisterde me in het oor: "Ik denk dat we de zaak van dat varken Morin wel
kunnen regelen."
Het nichtje was weg en ik sneed de delicate kwestie
aan. Ik zwaaide met het schrikbeeld van een schandaal, ik wees hem op de
onvermijdelijk ongunstige kritiek die de jonge dame zou krijgen te verduren na
het gerucht van een dergelijke affaire, want niemand zou ooit aan een eenvoudig
kusje geloven.
De man leek te aarzelen, maar hij kon niets beslissen
zonder zijn vrouw, die pas 's avonds laat zou thuiskomen. Plotseling slaakte
hij een triomfkreet en zei: "Wacht even, ik heb een prima idee. Ik laat u
gewoon niet gaan, ik houd u hier. U blijft hier allebei eten en logeren, en als
mijn vrouw terugkomt, hoop ik dat we tot overeenstemming kunnen komen."
Rivet bood weerstand, maar het verlangen de zaak van
dat varken Morin te regelen gaf de doorslag en wij namen de uitnodiging aan.
De oom stond stralend op, riep zijn nichtje en stelde
een wandeling door zijn tuin voor, verklarend: "Serieuze zaken stellen we
uit tot vanavond."
Rivet en hij begonnen over politiek te praten. Ik van
mijn kant bleef al snel een paar passen achter, naast de jonge dame. Ze was
echt betoverend, betoverend!
Met eindeloze omzichtigheid sneed ik haar avontuur aan,
in een poging haar aan mijn zijde te krijgen.
Maar ze leek niet in het minst beduusd, ze luisterde
als iemand die zich kostelijk vermaakt.
Ik zei haar: "Bedenkt u nu eens, juffrouw, al die
ellende die u krijgt. U moet voor de rechtbank verschijnen, gemene blikken
trotseren, spreken tegenover iedereen, in het openbaar dat trieste tafereel in die wagon vertellen. Wees
nou eerlijk, tussen ons gezegd en gezwegen, had u er niet beter aan gedaan
niets te zeggen en die deugniet op zijn plaats te zetten zonder beambten erbij
te halen, om vervolgens gewoon van rijtuig te wisselen?"
Ze begon te lachen. "Wat u zegt is waar! Maar wat
wilt u? Ik werd bang en als je bang bent, dan redeneer je niet meer. Toen ik de
situatie eenmaal begreep, had ik spijt van mijn kreten, maar toen was het al te
laat. U moet zich ook bedenken dat die imbeciel zich als een woesteling op me
wierp, zonder een woord te zeggen, met een gezicht als van een waanzinnige. Ik
wist niet eens wat hij moest."
Ze keek me recht in het gezicht, zonder er verward of
verlegen door te worden. Ik zei bij mezelf: Dit is een vrolijke meid, ik kan me voorstellen dat
dat varken Morin zich vergist heeft.
Ik vervolgde schertsend: "Kijk eens, juffrouw,
geef nou toe dat hij te verontschuldigen was, want je kunt natuurlijk niet
tegenover een zo knap vrouwspersoon als u komen te zitten zonder de volstrekt
verklaarbare begeerte te voelen opkomen u te zoenen."
Ze begon nog harder te lachen en ontblootte al haar
tanden. "Tussen de begeerte en de daad, meneer, is plaats voor
respect."
Die uitdrukking was grappig, zij het weinig duidelijk.
Ik vroeg dus op de man af: "Nou ja, als ík u hier en nu zou zoenen, wat
zou u dan doen?"
Ze bleef staan om me van top tot teen op te nemen en
zei vervolgens doodkalm: "O, maar met u is het niet hetzelfde."
Dat wist ik natuurlijk ook wel, dat het niet hetzelfde
was, want in het hele gewest werd ik "de mooie Labarbe" genoemd. Ik
was toen dertig, maar ik vroeg: "Hoe dat zo?"
Ze haalde haar schouders op en antwoordde: "Nou
ja, omdat u niet zo stom bent als hij." Waaraan ze toevoegde, mij
tersluiks aankijkend: "En ook niet zo lelijk."
Voordat ze een beweging had kunnen doen om mij te
ontwijken, had ik haar een stevige pakkerd op de wang verkocht. Ze sprong
opzij, maar te laat. Daarop zei ze: "Zo, u laat er anders ook geen gras
over groeien. Maar dat spelletje moet u niet weer beginnen."
Ik deed heel nederig en zei met gedempte stem: "O
juffrouw, als u het mij vraagt, dan heb ik maar één diep verlangen en dat is om
voor een rechtbank te verschijnen wegens dezelfde reden als Morin."
Op haar beurt vroeg zij: "Hoe dat zo?" Ik
keek haar ernstig en diep in de ogen.
"Omdat u een van de mooiste schepsels bent die er
bestaan, omdat het voor mij een getuigschrift, een titel, een eer zou zijn, u
met geweld te hebben begeerd. Want na u te hebben gezien zou iedereen zeggen: "Nou,
Labarbe heeft zijn best moeten doen, maar hij heeft toch wel geluk.""
Ze begon van ganser harte te lachen.
"U bent een grapjes." En ze had het woord
"grapjas" nog niet uitgesproken, of ik had haar in mijn armen en
drukte gretige kussen op alle plekken, waar ik maar kon, op haar haren, op haar
voorhoofd, op haar ogen, soms op haar mond of haar wangen, over haar hele
hoofd, waarvan ze door in een onwillekeurige beweging een hoekje bedekte om de
rest aan te bieden.
Ten slotte maakte ze zich rood en gekwetst los. "U
bent grof meneer, ik krijg er spijt van naar u te hebben geluisterd."
Ik pakte enigszins verward haar hand en stamelde:
"Neemt u mij niet kwalijk, neemt u mij niet kwalijk, juffrouw. Ik heb u
gekwetst. Ik ben veel te hard van stapel gelopen! Duid me dat niet euvel. Als u
eens wist..." Vergeefs zocht ik naar een verontschuldiging.
Na een ogenblik zei ze: "Ik hoef niets te weten,
meneer."
Maar ik had het gevonden, ik riep uit: "Juffrouw,
ik bemin u al een jaar!"
Ze was werkelijk verrast en keek op. Ik vervolgde:
"Ja zeker, juffrouw, luister. Ik ken Morin niet en hij kan me ook niets schelen. Het laat me koud
of hij naar de gevangenis gaat en voor het gerecht moet verschijnen. Ik heb u
hier vorig jaar gezien, u stond daar, voor het hek. Ik heb een schok gevoeld
toen ik u zag en uw beeld heeft me niet meer losgelaten. Geloof me of geloof me
niet, het doet er niet toe. Ik vond u aanbiddelijk, de herinnering aan u liet
me niet meer met rust, ik heb geprobeerd u terug te zien en ik heb dat beest
van een Morin aangewend, en hier ben ik dan. De omstandigheden hebben mij over
de schreef doen gaan, neemt u mij niet kwalijk, dat smeek ik u, vergeef
me."
Zij vermoedde iets waars in mijn blik, stond op het
punt weer te gaan glimlachen en mompelde: "Grappenmaker."
Ik stak mijn hand op en zei op oprechte toon (ik geloof
zelfs dat ik dat was): "Ik zweer u dat ik niet lieg."
Ze zei alleen maar: "Maak dat de kat wijs."
We waren alleen, helemaal alleen, want Rivet en de oom
waren verdwenen in de kronkelige lanen. Ik legde vervolgens een echte
verklaring af, lang, teder, en daarbij drukte en kuste ik haar vingers. Ze
luisterde ernaar als naar iets aangenaams en nieuws, zonder goed te weten wat
ze ervan moest geloven.
Ik voelde me ten slotte verward, door te denken wat ik
zei, ik was bleek, bedrukt, huiverig, en voorzichtig nam ik haar bij het
middel.
Ik sprak heel zachtjes in die kroeshaartjes van haar
oor. Ze leek wel dood, zo dromerig stond ze daar.
Daarop kwam haar hand de mijne tegen en drukte die,
langzaam omsloot ik haar middel in een bevende en steeds steviger omhelzing, ze
verroerde zich nu helemaal niet meer. Ik raakte met mijn mond haar wang en
plotseling vonden mijn lippen zonder te zoeken de hare. Het werd een lange,
lange kus en hij zou nog veel langer geduurd hebben als ik niet "hm!
hm!" had gehoord, een paar passen achter me.
Ze ging er dwars door een bloemperk vandoor. Ik draaide
me om en zag Rivet op me afkomen.
Hij ging midden op de weg staan en zonder te lachen zei
hij: "Nou nou! Zo regel jij dus die zaak van dat varken Morin."
Verwaand antwoordde ik: "Ik roei met de riemen die
ik heb, beste. En de oom? Wat heb jij voor elkaar gekregen? Ik sta wel in voor
de nicht."
Rivet verklaarde: "Ik heb met die oom niet zoveel
geluk gehad."
En ik pakte hem bij de arm om naar binnen te gaan.
|