Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
dansen 2
danste 1
dat 119
de 312
deed 5
deelde 1
deftige 1
Frequency    [«  »]
-----
-----
-----
312 de
240 een
229 en
217 ik
Guy de Maupassant
Miss Harriet

IntraText - Concordances

de

                                                  bold = Main text
    Part                                          grey = Comment text
1 Voor | zaten met zijn zevenen in de brik, vier dames en drie 2 Voor | drie heren, van wie één op de bok naast de koetsier, en 3 Voor | wie één op de bok naast de koetsier, en we beklommen 4 Voor | koetsier, en we beklommen in de stap van de paarden de grote 5 Voor | beklommen in de stap van de paarden de grote helling 6 Voor | in de stap van de paarden de grote helling waar de weg 7 Voor | paarden de grote helling waar de weg overheen slingerde.~     8 Voor | uit Étretat vertrokken om de ruïnes van Tancarville te 9 Voor | te dommelen, verkleumd in de frisse ochtendlucht. Vooral 10 Voor | frisse ochtendlucht. Vooral de dames, niet zo gewend aan 11 Voor | jagersontwaken, lieten elk moment de oogleden zakken, knikkebolden 12 Voor | geeuwden, ongevoelig voor de ontroering van de aanbrekende 13 Voor | ongevoelig voor de ontroering van de aanbrekende dag.~    Het 14 Voor | herfst. Aan beide zijden van de weg strekten zich de kale 15 Voor | van de weg strekten zich de kale velden uit, vergeeld 16 Voor | velden uit, vergeeld door de korte stoppel van de gemaaide 17 Voor | door de korte stoppel van de gemaaide haver en tarwe, 18 Voor | gemaaide haver en tarwe, die de grond bedekte als een slecht 19 Voor | slecht geschoren baard. De akkers leken te dampen in 20 Voor | akkers leken te dampen in de mist. Leeuweriken zongen 21 Voor | mist. Leeuweriken zongen in de lucht, andere vogels tsjirpten 22 Voor | andere vogels tsjirpten in de bosjes.~    Eindelijk kwam 23 Voor | bosjes.~    Eindelijk kwam de zon voor ons op, geheel 24 Voor | ons op, geheel rood aan de rand van de horizon, en 25 Voor | geheel rood aan de rand van de horizon, en naarmate zij 26 Voor | hemd van witte damp.~    De graaf van Étraille, die 27 Voor | graaf van Étraille, die op de achterbank zat, riep: `Kijk, 28 Voor | gespitst, besluiteloos over de te nemen weg, waarna het 29 Voor | werden wakker, omdat zij de loop van dat beest wilden 30 Voor | en bekeek zijn buurvrouw, de kleine barones van Sérennes, 31 Voor | van Sérennes, die tegen de slaap vocht, om haar op 32 Voor | U, meneer Chenal, u hebt de reputatie meer avontuurtjes 33 Voor | avontuurtjes te hebben gehad dan de hertog van Richelieu2, vertelt 34 Voor | zijn lange witte baard in de hand en glimlachte, maar 35 Voor | verhaal, dames, ik zal jullie de meest trieste liefdesgeschiedenis 36 Voor(2)| wordt Louis François Armand de Vignerot du Plessis, hertog 37 I | vijfentwintig en ik hing een beetje de kladschilder uit langs de 38 I | de kladschilder uit langs de Normandische kust.~    Met ` 39 I | Normandische kust.~    Met `de kladschilder uithangen' 40 I | maken en landschappen naar de natuur te schilderen. Ik 41 I | kopbrekens, zelfs zonder aan de volgende dag te hoeven denken. 42 I | hoeven denken. Je loopt over de weg die je leuk vindt, zonder 43 I | getroffen, omdat het voor de deur van een logementhouder 44 I | aardappelen rook. Soms is het de geur van clematis die die 45 I | en sappig als wild fruit. De liefde is altijd de moeite 46 I | fruit. De liefde is altijd de moeite waard, waar zij ook 47 I | vol sleutelbloemen, achter de stal waar de koeien slapen, 48 I | sleutelbloemen, achter de stal waar de koeien slapen, en op het 49 I | zolders die nog warm waren van de hitte van de dag. Ik heb 50 I | warm waren van de hitte van de dag. Ik heb herinneringen 51 I | onbehouwenheid kwetsbaarder dan de subtiele pleziertjes die 52 I | dat is het platteland, de bossen, de zonsopgang, de 53 I | het platteland, de bossen, de zonsopgang, de avondschemering, 54 I | de bossen, de zonsopgang, de avondschemering, de volle 55 I | zonsopgang, de avondschemering, de volle maan. Voor schilders 56 I | dat huwelijksreizen met de aarde. Je bent helemaal 57 I | plas zonlicht, zie je in de verte het dorpje met zijn 58 I | een bron die opwelt aan de voet van een eik, te midden 59 I | koele heldere water, dat je de snor en de neus bevochtigt, 60 I | water, dat je de snor en de neus bevochtigt, je drinkt 61 I | lijfelijk genoegen, alsof je de bron kuste, mond op mond. 62 I | zalige streling op je huid, de huivering van de snelle, 63 I | je huid, de huivering van de snelle, lichte stroom.~     64 I | staat, melancholisch aan de rand van plassen, extatisch 65 I | van plassen, extatisch als de zon verdrinkt in een oceaan 66 I | bij je op zouden komen in de brandende helderheid van 67 I | brandende helderheid van de dag.~    Zo zwervend door 68 I | het dorpje Bénouville, op de krijtkust, tussen Yport 69 I | Étretat. Ik kwam uit Fécamp, de kust volgend, de hoge kust, 70 I | Fécamp, de kust volgend, de hoge kust, recht als een 71 I | afdalen. Ik had al sinds de ochtend gelopen over dat 72 I | zo soepele gras dat aan de rand van de afgrond onder 73 I | gras dat aan de rand van de afgrond onder de zilte wind 74 I | rand van de afgrond onder de zilte wind van zee groeit. 75 I | met nu eens aandacht voor de trage, zeilende vlucht van 76 I | vlucht van een meeuw die de witte kromming van haar 77 I | kromming van haar vleugels door de blauwe lucht verplaatst, 78 I | verplaatst, dan weer voor de groene zee, het bruine zeil 79 I | beuken.~    Ik liet dus de krijtkust achter me en begaf 80 I | gerimpeld, streng, die de klandizie altijd slechts 81 I | wantrouwen.~    Het was mei, de bloeiende appelaars overdekten 82 I | bloemblaadjes, die maar op de mensen en het gras bleven 83 I | zette ik mijn rugzak op de aangestampte vloer van een 84 I | waskom. Het kwam uit op de keuken, groot, rokerig, 85 I | keuken, groot, rokerig, waar de gasten hun maaltijd gebruiken 86 I | gebruiken met het personeel van de boerderij en de bazin, die 87 I | personeel van de boerderij en de bazin, die weduwe was.~     88 I | en ging weer naar buiten. De oude vrouw was voor het 89 I | daarin een heugel, zwart van de rook.~    `Hebt u momenteel 90 I | Mij werd dus gedekt voor de deur en ik viel aan op de 91 I | de deur en ik viel aan op de magere ledematen van een 92 I | ging het houten hek aan de weg open, en een vreemde 93 I | haar die dag niet terug. De volgende dag had ik me net 94 I | iets vreemds boven aan de helling zag staan, het leek 95 I | eten en ik nam plaats aan de gemeenschappelijke tafel, 96 I | nadrukkelijk gaf ik haar de schalen door. Een lichte 97 I | haar, al bleef ze me door de gedachten spoken.~    Na 98 I | eenzaam dorp zocht om daar de zomer door te brengen, was 99 I | terwijl ze een boekje las van de protestantse propaganda. 100 I | van die boekjes. Zelfs de pastoor had er vier gekregen, 101 I | verklaring: `Ik hou van de Heer meer dan van wat ook, 102 I | hart.' En prompt gaf ze de verblufte boerin dan een 103 I | volstrekt niet geliefd. De onderwijzer had verklaard: ` 104 I | soort veroordeling op haar. De pastoor, geraadpleegd door 105 I | dissidente, maar God wil de dood van de zondaar niet, 106 I | maar God wil de dood van de zondaar niet, en ik geloof 107 I | dissidente', waarvan ze de juiste betekenis niet kenden, 108 I | kenden, zaaiden twijfel in de geest. Ze gingen er verder 109 I | gingen er verder vanuit dat de Engelse rijk was en dat 110 I | leven had doorgebracht door de landen van de wereld te 111 I | doorgebracht door de landen van de wereld te bereizen, omdat 112 I | Zwitserland vergiftigen, de bekoorlijke steden rond 113 I | bekoorlijke steden rond de Middellandse Zee onbewoonbaar 114 I | geest een soort haat voor de extatische manier van doen 115 I | een of andere manier voor de lippen was gekomen, het 116 I | noemde haar zelf nog slechts `de demon', en schepte een vreemd 117 I | onze demon vandaag?'~    De boerin antwoordde dan, alsof 118 I | pad meegenomen waarvan ze de poot verbrijzeld hadden, 119 I | keer had ze, toen ze aan de voet van het klif wandelde, 120 I | zee terug te gooien. En de varensgast, die weliswaar 121 I | goed betaald was, had haar de huid vol gescholden, bozer 122 I | wanneer ze hem het geld uit de zak had geklopt. Na een 123 I | te worden en zonder zich de beledigde onschuld te tonen. 124 I | toen ze haar zo doopte.~    De stalknecht, die de Geniesoldaat 125 I | De stalknecht, die de Geniesoldaat werd genoemd 126 I | demonisch!~    Ze zwierf de hele tijd over het platteland, 127 I | zocht en bewonderde God in de natuur. Op een avond trof 128 I | Omdat ik iets roods door de bladeren had zien schemeren, 129 I | zien schemeren, schoof ik de takken aan de kant, en miss 130 I | schoof ik de takken aan de kant, en miss Harriet kwam 131 I | aan het werk was tussen de rotsen, zag ik haar plotseling 132 I | zag ik haar plotseling aan de rand van het klif, als het 133 I | bekeek dan hartstochtelijk de uitgestrekte zee, verguld 134 I | een dal, snel lopend, met de veerkrachtige tred van een 135 I | zittend in het gras, in de schaduw van een appelaar, 136 I | ver van alles, dicht bij de aarde, de goede, gezonde, 137 I | alles, dicht bij de aarde, de goede, gezonde, mooie en 138 II | alle academische regels. De hele rechterzijde van mijn 139 II | achter mij verborgen, op de steen en vergulde die met 140 II | voorgrond, prachtig.~    Links de zee, niet de blauwe zee, 141 II | Links de zee, niet de blauwe zee, de zee van leisteen, 142 II | zee, niet de blauwe zee, de zee van leisteen, maar de 143 II | de zee van leisteen, maar de zee van jade, groenachtig, 144 II | groenachtig, melkig en hard onder de donkere hemel3.~    Ik was 145 II | ik het terugbracht naar de herberg. Ik wilde dat de 146 II | de herberg. Ik wilde dat de hele wereld het meteen zag. 147 II | en bekijk dit eens.'~    De boerin kwam eraan en bekeek 148 II | ogenblik dat ik mijn doek aan de herbergierster voorhield. 149 II | herbergierster voorhield. De demon kon er niet omheen, 150 II | omheen, want ik zorgde ervoor de zaak zo te presenteren dat 151 II | vertederend: `O meneer, u begrijpt de natuur op zo'n aangrijpende 152 II | aan: `O! Ik houd zo van de natuur!'~    Ik bood haar 153 II | Ongetwijfeld aangetrokken door de enorme brand die de ondergaande 154 II | door de enorme brand die de ondergaande zon boven de 155 II | de ondergaande zon boven de zee ontstak, opende ik vervolgens 156 II | en alles is betovering. De zwoele atmosfeer, vol geuren, 157 II | atmosfeer, vol geuren, vol van de lucht van gras en van de 158 II | de lucht van gras en van de lucht van zeewier, streelt 159 II | haar zilte smaak, streelt de geest met haar doordringende 160 II | mildheid. We liepen nu langs de afgrond, boven de uitgestrekte 161 II | langs de afgrond, boven de uitgestrekte zee die honderd 162 II | die frisse bries die over de oceaan was komen aanzetten 163 II | aanzetten en die ons over de huid gleed, traag en zilt 164 II | gleed, traag en zilt door de lange kus der baren.~     165 II | geïnspireerde blik en haar tanden in de wind, keek de Engelse naar 166 II | tanden in de wind, keek de Engelse naar de enorme zon 167 II | wind, keek de Engelse naar de enorme zon die in de zee 168 II | naar de enorme zon die in de zee zakte. Voor ons, ginder, 169 II | ons, ginder, ver weg, aan de grens van het blikveld, 170 II | zeilen zijn silhouet af tegen de vurige hemel, en een stoomboot, 171 II | eindeloze wolk veroorzaakte, de hele horizon doorkruisend.~     172 II | horizon doorkruisend.~    De rode bol bleef langzaam 173 II | langzaam weg, verslonden door de oceaan. Je zag het zakken, 174 II | profiel, uitgesneden tegen de gouden achtergrond van de 175 II | de gouden achtergrond van de verre hemel.~    Miss Harriet 176 II | het schitterend einde van de dag. Ze voelde voorwaar 177 II | voorwaar een enorme zin om de hemel, de zee, de hele horizon 178 II | enorme zin om de hemel, de zee, de hele horizon aan 179 II | zin om de hemel, de zee, de hele horizon aan haar hart 180 II | begrijpend, in een poging de duistere betekenis van de 181 II | de duistere betekenis van de woorden te raden, mijn gedachten 182 II | gingen weer naar huis.~    De volgende dag kwam ze, toen 183 II | en vurigs. Ze hield van de natuur en de dieren, met 184 II | Ze hield van de natuur en de dieren, met een extatische 185 II | die met haar veulen tussen de benen door een wei rende, 186 II | met mijn schilderkist op de rug, vergezelde zij mij 187 II | vergezelde zij mij tot de rand van het dorp, stilzwijgend, 188 II | Ik nam haar mee in de Petit-Val, waar ik aan een 189 II | had haar vouwstoel onder de arm, wilde beslist niet 190 II | Hij vreselijk inzat met de onrechtvaardigheden die 191 II | met Hem vinden, leek zelfs de vertrouwelinge van Zijn 192 II | zoals een sergeant die de dienstplichtige verklaart: ` 193 II | dienstplichtige verklaart: `De kolonel, die heeft bevolen.'~     194 II | mijn onwetendheid aangaande de hemelse bedoelingen die 195 II | mijn hoed als ik die op de grond had laten liggen, 196 II | een beetje bijgesteld in de eerste tijd dat wij elkaar 197 II | urenlange wandelingen langs de door de wind geteisterde 198 II | wandelingen langs de door de wind geteisterde kust huiswaarts 199 II | verward door haar zuster, de zeewind.~    Nu ging ze 200 II | haar meteen wat bloed naar de wangen, meisjesbloed, bloed 201 III | zonnestraal gleed tussen de takken door en doorboorde 202 III | een roze weerschijn achter de eenvoudige gelieven, deed 203 III | werkte op het pad dat naar de Petit-Val bij Étretat voert. 204 III | had toevallig die ochtend de stilhangende nevel die ik 205 III | van mensen die lang tegen de tranen hebben gevochten, 206 III | handen een paar seconden in de mijne en ik voelde ze trillen 207 III | herkennen uit duizenden. O, de huivering van liefde van 208 III | ze nu van het volk of van de grote wereld is, gaat me 209 III | een tochtje maken langs de rand van het klif, omdat 210 III | met iemand te spreken noch de blikken op te slaan. Voor 211 III | blikken op te slaan. Voor de rest had ze haar gewone 212 III | Ik wachtte het eind van de maaltijd af, wendde me toen 213 III | maaltijd af, wendde me toen tot de bazin en zei: `Wel, mevrouw 214 III | binnenkort verlaten.'~    De beste vrouw riep verrast 215 III | het dienstmeisje, sloeg de ogen naar mij op. Zij was 216 III | herberglieden, meer niet.~    En de maaltijd liep af.~    Ik 217 III | ging mijn pijp roken onder de appelaars, en liep heen 218 III | en weer over het erf, van de ene kant naar de andere. 219 III | erf, van de ene kant naar de andere. Alle overdenkingen 220 III | ik op die dag had gehad, de vreemde ontmoeting van de 221 III | de vreemde ontmoeting van de ochtend, die rare en hartstochtelijke 222 III | dienstmeisje op mij had gericht bij de aankondiging van mijn vertrek, 223 III | gekke dingen te doen.~    De nacht viel, schoof zijn 224 III | schoof zijn schaduw onder de bomen en ik zag Celeste 225 III | kippenhok afsluiten, aan de overkant van de omheining. 226 III | afsluiten, aan de overkant van de omheining. Ik trippelde 227 III | hebben neergelaten waardoor de kippen in- en uitgaan, pakte 228 III | zag. Toen verdween ze in de nacht.~    Ik liep beschaamd 229 III | door het huis liep en dat de buitendeur werd opengedaan.~     230 III | werd opengedaan.~    Tegen de ochtend werd mijn vermoeidheid 231 III | werd mijn vermoeidheid me de baas en kreeg de slaap me 232 III | vermoeidheid me de baas en kreeg de slaap me eindelijk te pakken. 233 III | Lecacheur ging naar haar kamer, de Engelse was weg. Ze was 234 III | zoals ze zo vaak deed, om de zon te zien opkomen.~     235 III | blad beweegt. We hadden de tafel buiten gezet, onder 236 III | appelaar, en af en toe ging de Geniesoldaat in de kelder 237 III | ging de Geniesoldaat in de kelder de ciderkruik vullen, 238 III | Geniesoldaat in de kelder de ciderkruik vullen, zoveel 239 III | gedronken. Celeste droeg de schalen aan uit de keuken, 240 III | droeg de schalen aan uit de keuken, ragout van schapenvlees 241 III | schaal kersen voor ons neer, de eerste van het seizoen.~     242 III | terug en verklaarde dat de put droog was gevallen. 243 III | hele touw laten vieren en de emmer had de bodem geraakt, 244 III | laten vieren en de emmer had de bodem geraakt, maar was 245 III | Ik wilde ook kijken, in de hoop dat ik meer zou zien, 246 III | zien, en ik boog me over de rand. Vaag zag ik iets wits. 247 III | gele licht danste tegen de stenen wanden en zakte stukje 248 III | stonden met zijn vieren over de opening gebogen, de Geniesoldaat 249 III | over de opening gebogen, de Geniesoldaat en Celeste 250 III | waren er ook bijgekomen. De lantaarn bleef hangen boven 251 III | vreemd en onbegrijpelijk. De Geniesoldaat riep: `Dat ' 252 III | ingevallen wezen nadat 'm uit de wei ontsnapt waar.'~     253 III | zachtjes, en zo hard bevend dat de lantaarn als waanzinnig 254 III | lantaarn als waanzinnig boven de schoen begon te dansen, 255 III | dat is miss Harriet.'~    De Geniesoldaat knipperde niet 256 III | knipperde niet eens met de oogleden. Hij had in Afrika 257 III | geborgen worden. Ik bond de knecht stevig om zijn middel 258 III | hem vervolgens zakken aan de katrol, heel langzaam, waarbij 259 III | één hand en een touw in de andere. Al snel klonk zijn 260 III | die uit het binnenste van de aarde leek te komen: `Stop.' 261 III | spieren slap, ik was bang de zwengel los te laten en 262 III | zwengel los te laten en de man weer terug te laten 263 III | vallen. Toen zijn hoofd boven de putrand verscheen, vroeg 264 III | klommen met zijn tweeën op de stenen rand en tegenover 265 III | en tegenover elkaar, over de opening gebogen, begonnen 266 III | Celeste bekeken ons uit de verte, verborgen achter 267 III | verte, verborgen achter de muur van het huis. Toen 268 III | muur van het huis. Toen ze de zwarte schoenen en de witte 269 III | ze de zwarte schoenen en de witte kousen van de drenkeling 270 III | schoenen en de witte kousen van de drenkeling uit dat gat zagen 271 III | komen, verdwenen ze.~    De Geniesoldaat pakte haar 272 III | Geniesoldaat pakte haar bij de enkels en we trokken haar 273 III | we trokken haar daar in de meest oneerbare houding 274 III | te druipen van het slijk. De Geniesoldaat verkondigde 275 III | naar haar kamer en omdat de beide vrouwen niet meer 276 III | opdoken, legde ik haar met de stalknecht af.~    Ik waste 277 III | bedekte.~    Toen moest ik de gebruikelijke formaliteiten 278 III | formaliteiten vervullen, omdat ik de enige was bij haar in de 279 III | de enige was bij haar in de buurt. Ik vond een brief 280 III | wilde blijven?~    Tegen de avond kwamen de moedertjes 281 III | Tegen de avond kwamen de moedertjes uit de buurt 282 III | kwamen de moedertjes uit de buurt om naar de overledene 283 III | moedertjes uit de buurt om naar de overledene te kijken, maar 284 III | bij haar zijn en ik waakte de hele nacht.~    Ik bekeek 285 III | op dat menselijk schepsel de eeuwige onrechtvaardigheid 286 III | eeuwige onrechtvaardigheid van de genadeloze natuur gericht! 287 III | ze ooit had gehad wat ook de meest wanhopige nog op de 288 III | de meest wanhopige nog op de been houdt, de hoop ooit 289 III | wanhopige nog op de been houdt, de hoop ooit te zullen worden 290 III | zich zo, ontvluchtte ze de rest? Waarom hield ze met 291 III | worden. Ze zou bloeien in de zon, ze zou door de koeien 292 III | bloeien in de zon, ze zou door de koeien worden afgegraasd, 293 III | afgegraasd, door vogels in de vorm van zaad worden meegenomen, 294 III | worden. Maar wat je noemt de ziel, die was onder in een 295 III | haar leven verruild voor de andere levens die ze zou 296 III | ze zou doen ontstaan.~    De uren verstreken bij dat 297 III | Een bleek licht kondigde de dageraad aan, toen kroop 298 III | een staaf van vuur over de lakens en over haar handen. 299 III | het uur dat ze zo beminde. De ontwaakte vogels zongen 300 III | ontwaakte vogels zongen in de bomen.~    Ik gooide het 301 III | raam wijdopen, ik schoof de gordijnen opzij opdat de 302 III | de gordijnen opzij opdat de hele hemel ons zou zien, 303 III | Leon Chenal zweeg. De vrouwen weenden. Je hoorde 304 III | vrouwen weenden. Je hoorde op de bok de graaf van Étraille 305 III | weenden. Je hoorde op de bok de graaf van Étraille zich 306 III | Étraille zich een paar keer de neus snuiten. Alleen de 307 III | de neus snuiten. Alleen de koetsier zat de dommelen. 308 III | Alleen de koetsier zat de dommelen. En de paarden, 309 III | koetsier zat de dommelen. En de paarden, die de zweep niet 310 III | dommelen. En de paarden, die de zweep niet meer voelden, 311 III | niet meer voelden, hadden de stap vertraagd, trokken 312 III | vertraagd, trokken lui, en de brik kwam nog maar amper


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License