bold = Main text
Part grey = Comment text
1 Voor | zaten met zijn zevenen in de brik, vier dames en drie
2 Voor | drie heren, van wie één op de bok naast de koetsier, en
3 Voor | wie één op de bok naast de koetsier, en we beklommen
4 Voor | koetsier, en we beklommen in de stap van de paarden de grote
5 Voor | beklommen in de stap van de paarden de grote helling
6 Voor | in de stap van de paarden de grote helling waar de weg
7 Voor | paarden de grote helling waar de weg overheen slingerde.~
8 Voor | uit Étretat vertrokken om de ruïnes van Tancarville te
9 Voor | te dommelen, verkleumd in de frisse ochtendlucht. Vooral
10 Voor | frisse ochtendlucht. Vooral de dames, niet zo gewend aan
11 Voor | jagersontwaken, lieten elk moment de oogleden zakken, knikkebolden
12 Voor | geeuwden, ongevoelig voor de ontroering van de aanbrekende
13 Voor | ongevoelig voor de ontroering van de aanbrekende dag.~ Het
14 Voor | herfst. Aan beide zijden van de weg strekten zich de kale
15 Voor | van de weg strekten zich de kale velden uit, vergeeld
16 Voor | velden uit, vergeeld door de korte stoppel van de gemaaide
17 Voor | door de korte stoppel van de gemaaide haver en tarwe,
18 Voor | gemaaide haver en tarwe, die de grond bedekte als een slecht
19 Voor | slecht geschoren baard. De akkers leken te dampen in
20 Voor | akkers leken te dampen in de mist. Leeuweriken zongen
21 Voor | mist. Leeuweriken zongen in de lucht, andere vogels tsjirpten
22 Voor | andere vogels tsjirpten in de bosjes.~ Eindelijk kwam
23 Voor | bosjes.~ Eindelijk kwam de zon voor ons op, geheel
24 Voor | ons op, geheel rood aan de rand van de horizon, en
25 Voor | geheel rood aan de rand van de horizon, en naarmate zij
26 Voor | hemd van witte damp.~ De graaf van Étraille, die
27 Voor | graaf van Étraille, die op de achterbank zat, riep: `Kijk,
28 Voor | gespitst, besluiteloos over de te nemen weg, waarna het
29 Voor | werden wakker, omdat zij de loop van dat beest wilden
30 Voor | en bekeek zijn buurvrouw, de kleine barones van Sérennes,
31 Voor | van Sérennes, die tegen de slaap vocht, om haar op
32 Voor | U, meneer Chenal, u hebt de reputatie meer avontuurtjes
33 Voor | avontuurtjes te hebben gehad dan de hertog van Richelieu2, vertelt
34 Voor | zijn lange witte baard in de hand en glimlachte, maar
35 Voor | verhaal, dames, ik zal jullie de meest trieste liefdesgeschiedenis
36 Voor(2)| wordt Louis François Armand de Vignerot du Plessis, hertog
37 I | vijfentwintig en ik hing een beetje de kladschilder uit langs de
38 I | de kladschilder uit langs de Normandische kust.~ Met `
39 I | Normandische kust.~ Met `de kladschilder uithangen'
40 I | maken en landschappen naar de natuur te schilderen. Ik
41 I | kopbrekens, zelfs zonder aan de volgende dag te hoeven denken.
42 I | hoeven denken. Je loopt over de weg die je leuk vindt, zonder
43 I | getroffen, omdat het voor de deur van een logementhouder
44 I | aardappelen rook. Soms is het de geur van clematis die die
45 I | en sappig als wild fruit. De liefde is altijd de moeite
46 I | fruit. De liefde is altijd de moeite waard, waar zij ook
47 I | vol sleutelbloemen, achter de stal waar de koeien slapen,
48 I | sleutelbloemen, achter de stal waar de koeien slapen, en op het
49 I | zolders die nog warm waren van de hitte van de dag. Ik heb
50 I | warm waren van de hitte van de dag. Ik heb herinneringen
51 I | onbehouwenheid kwetsbaarder dan de subtiele pleziertjes die
52 I | dat is het platteland, de bossen, de zonsopgang, de
53 I | het platteland, de bossen, de zonsopgang, de avondschemering,
54 I | de bossen, de zonsopgang, de avondschemering, de volle
55 I | zonsopgang, de avondschemering, de volle maan. Voor schilders
56 I | dat huwelijksreizen met de aarde. Je bent helemaal
57 I | plas zonlicht, zie je in de verte het dorpje met zijn
58 I | een bron die opwelt aan de voet van een eik, te midden
59 I | koele heldere water, dat je de snor en de neus bevochtigt,
60 I | water, dat je de snor en de neus bevochtigt, je drinkt
61 I | lijfelijk genoegen, alsof je de bron kuste, mond op mond.
62 I | zalige streling op je huid, de huivering van de snelle,
63 I | je huid, de huivering van de snelle, lichte stroom.~
64 I | staat, melancholisch aan de rand van plassen, extatisch
65 I | van plassen, extatisch als de zon verdrinkt in een oceaan
66 I | bij je op zouden komen in de brandende helderheid van
67 I | brandende helderheid van de dag.~ Zo zwervend door
68 I | het dorpje Bénouville, op de krijtkust, tussen Yport
69 I | Étretat. Ik kwam uit Fécamp, de kust volgend, de hoge kust,
70 I | Fécamp, de kust volgend, de hoge kust, recht als een
71 I | afdalen. Ik had al sinds de ochtend gelopen over dat
72 I | zo soepele gras dat aan de rand van de afgrond onder
73 I | gras dat aan de rand van de afgrond onder de zilte wind
74 I | rand van de afgrond onder de zilte wind van zee groeit.
75 I | met nu eens aandacht voor de trage, zeilende vlucht van
76 I | vlucht van een meeuw die de witte kromming van haar
77 I | kromming van haar vleugels door de blauwe lucht verplaatst,
78 I | verplaatst, dan weer voor de groene zee, het bruine zeil
79 I | beuken.~ Ik liet dus de krijtkust achter me en begaf
80 I | gerimpeld, streng, die de klandizie altijd slechts
81 I | wantrouwen.~ Het was mei, de bloeiende appelaars overdekten
82 I | bloemblaadjes, die maar op de mensen en het gras bleven
83 I | zette ik mijn rugzak op de aangestampte vloer van een
84 I | waskom. Het kwam uit op de keuken, groot, rokerig,
85 I | keuken, groot, rokerig, waar de gasten hun maaltijd gebruiken
86 I | gebruiken met het personeel van de boerderij en de bazin, die
87 I | personeel van de boerderij en de bazin, die weduwe was.~
88 I | en ging weer naar buiten. De oude vrouw was voor het
89 I | daarin een heugel, zwart van de rook.~ `Hebt u momenteel
90 I | Mij werd dus gedekt voor de deur en ik viel aan op de
91 I | de deur en ik viel aan op de magere ledematen van een
92 I | ging het houten hek aan de weg open, en een vreemde
93 I | haar die dag niet terug. De volgende dag had ik me net
94 I | iets vreemds boven aan de helling zag staan, het leek
95 I | eten en ik nam plaats aan de gemeenschappelijke tafel,
96 I | nadrukkelijk gaf ik haar de schalen door. Een lichte
97 I | haar, al bleef ze me door de gedachten spoken.~ Na
98 I | eenzaam dorp zocht om daar de zomer door te brengen, was
99 I | terwijl ze een boekje las van de protestantse propaganda.
100 I | van die boekjes. Zelfs de pastoor had er vier gekregen,
101 I | verklaring: `Ik hou van de Heer meer dan van wat ook,
102 I | hart.' En prompt gaf ze de verblufte boerin dan een
103 I | volstrekt niet geliefd. De onderwijzer had verklaard: `
104 I | soort veroordeling op haar. De pastoor, geraadpleegd door
105 I | dissidente, maar God wil de dood van de zondaar niet,
106 I | maar God wil de dood van de zondaar niet, en ik geloof
107 I | dissidente', waarvan ze de juiste betekenis niet kenden,
108 I | kenden, zaaiden twijfel in de geest. Ze gingen er verder
109 I | gingen er verder vanuit dat de Engelse rijk was en dat
110 I | leven had doorgebracht door de landen van de wereld te
111 I | doorgebracht door de landen van de wereld te bereizen, omdat
112 I | Zwitserland vergiftigen, de bekoorlijke steden rond
113 I | bekoorlijke steden rond de Middellandse Zee onbewoonbaar
114 I | geest een soort haat voor de extatische manier van doen
115 I | een of andere manier voor de lippen was gekomen, het
116 I | noemde haar zelf nog slechts `de demon', en schepte een vreemd
117 I | onze demon vandaag?'~ De boerin antwoordde dan, alsof
118 I | pad meegenomen waarvan ze de poot verbrijzeld hadden,
119 I | keer had ze, toen ze aan de voet van het klif wandelde,
120 I | zee terug te gooien. En de varensgast, die weliswaar
121 I | goed betaald was, had haar de huid vol gescholden, bozer
122 I | wanneer ze hem het geld uit de zak had geklopt. Na een
123 I | te worden en zonder zich de beledigde onschuld te tonen.
124 I | toen ze haar zo doopte.~ De stalknecht, die de Geniesoldaat
125 I | De stalknecht, die de Geniesoldaat werd genoemd
126 I | demonisch!~ Ze zwierf de hele tijd over het platteland,
127 I | zocht en bewonderde God in de natuur. Op een avond trof
128 I | Omdat ik iets roods door de bladeren had zien schemeren,
129 I | zien schemeren, schoof ik de takken aan de kant, en miss
130 I | schoof ik de takken aan de kant, en miss Harriet kwam
131 I | aan het werk was tussen de rotsen, zag ik haar plotseling
132 I | zag ik haar plotseling aan de rand van het klif, als het
133 I | bekeek dan hartstochtelijk de uitgestrekte zee, verguld
134 I | een dal, snel lopend, met de veerkrachtige tred van een
135 I | zittend in het gras, in de schaduw van een appelaar,
136 I | ver van alles, dicht bij de aarde, de goede, gezonde,
137 I | alles, dicht bij de aarde, de goede, gezonde, mooie en
138 II | alle academische regels. De hele rechterzijde van mijn
139 II | achter mij verborgen, op de steen en vergulde die met
140 II | voorgrond, prachtig.~ Links de zee, niet de blauwe zee,
141 II | Links de zee, niet de blauwe zee, de zee van leisteen,
142 II | zee, niet de blauwe zee, de zee van leisteen, maar de
143 II | de zee van leisteen, maar de zee van jade, groenachtig,
144 II | groenachtig, melkig en hard onder de donkere hemel3.~ Ik was
145 II | ik het terugbracht naar de herberg. Ik wilde dat de
146 II | de herberg. Ik wilde dat de hele wereld het meteen zag.
147 II | en bekijk dit eens.'~ De boerin kwam eraan en bekeek
148 II | ogenblik dat ik mijn doek aan de herbergierster voorhield.
149 II | herbergierster voorhield. De demon kon er niet omheen,
150 II | omheen, want ik zorgde ervoor de zaak zo te presenteren dat
151 II | vertederend: `O meneer, u begrijpt de natuur op zo'n aangrijpende
152 II | aan: `O! Ik houd zo van de natuur!'~ Ik bood haar
153 II | Ongetwijfeld aangetrokken door de enorme brand die de ondergaande
154 II | door de enorme brand die de ondergaande zon boven de
155 II | de ondergaande zon boven de zee ontstak, opende ik vervolgens
156 II | en alles is betovering. De zwoele atmosfeer, vol geuren,
157 II | atmosfeer, vol geuren, vol van de lucht van gras en van de
158 II | de lucht van gras en van de lucht van zeewier, streelt
159 II | haar zilte smaak, streelt de geest met haar doordringende
160 II | mildheid. We liepen nu langs de afgrond, boven de uitgestrekte
161 II | langs de afgrond, boven de uitgestrekte zee die honderd
162 II | die frisse bries die over de oceaan was komen aanzetten
163 II | aanzetten en die ons over de huid gleed, traag en zilt
164 II | gleed, traag en zilt door de lange kus der baren.~
165 II | geïnspireerde blik en haar tanden in de wind, keek de Engelse naar
166 II | tanden in de wind, keek de Engelse naar de enorme zon
167 II | wind, keek de Engelse naar de enorme zon die in de zee
168 II | naar de enorme zon die in de zee zakte. Voor ons, ginder,
169 II | ons, ginder, ver weg, aan de grens van het blikveld,
170 II | zeilen zijn silhouet af tegen de vurige hemel, en een stoomboot,
171 II | eindeloze wolk veroorzaakte, de hele horizon doorkruisend.~
172 II | horizon doorkruisend.~ De rode bol bleef langzaam
173 II | langzaam weg, verslonden door de oceaan. Je zag het zakken,
174 II | profiel, uitgesneden tegen de gouden achtergrond van de
175 II | de gouden achtergrond van de verre hemel.~ Miss Harriet
176 II | het schitterend einde van de dag. Ze voelde voorwaar
177 II | voorwaar een enorme zin om de hemel, de zee, de hele horizon
178 II | enorme zin om de hemel, de zee, de hele horizon aan
179 II | zin om de hemel, de zee, de hele horizon aan haar hart
180 II | begrijpend, in een poging de duistere betekenis van de
181 II | de duistere betekenis van de woorden te raden, mijn gedachten
182 II | gingen weer naar huis.~ De volgende dag kwam ze, toen
183 II | en vurigs. Ze hield van de natuur en de dieren, met
184 II | Ze hield van de natuur en de dieren, met een extatische
185 II | die met haar veulen tussen de benen door een wei rende,
186 II | met mijn schilderkist op de rug, vergezelde zij mij
187 II | vergezelde zij mij tot de rand van het dorp, stilzwijgend,
188 II | Ik nam haar mee in de Petit-Val, waar ik aan een
189 II | had haar vouwstoel onder de arm, wilde beslist niet
190 II | Hij vreselijk inzat met de onrechtvaardigheden die
191 II | met Hem vinden, leek zelfs de vertrouwelinge van Zijn
192 II | zoals een sergeant die de dienstplichtige verklaart: `
193 II | dienstplichtige verklaart: `De kolonel, die heeft bevolen.'~
194 II | mijn onwetendheid aangaande de hemelse bedoelingen die
195 II | mijn hoed als ik die op de grond had laten liggen,
196 II | een beetje bijgesteld in de eerste tijd dat wij elkaar
197 II | urenlange wandelingen langs de door de wind geteisterde
198 II | wandelingen langs de door de wind geteisterde kust huiswaarts
199 II | verward door haar zuster, de zeewind.~ Nu ging ze
200 II | haar meteen wat bloed naar de wangen, meisjesbloed, bloed
201 III | zonnestraal gleed tussen de takken door en doorboorde
202 III | een roze weerschijn achter de eenvoudige gelieven, deed
203 III | werkte op het pad dat naar de Petit-Val bij Étretat voert.
204 III | had toevallig die ochtend de stilhangende nevel die ik
205 III | van mensen die lang tegen de tranen hebben gevochten,
206 III | handen een paar seconden in de mijne en ik voelde ze trillen
207 III | herkennen uit duizenden. O, de huivering van liefde van
208 III | ze nu van het volk of van de grote wereld is, gaat me
209 III | een tochtje maken langs de rand van het klif, omdat
210 III | met iemand te spreken noch de blikken op te slaan. Voor
211 III | blikken op te slaan. Voor de rest had ze haar gewone
212 III | Ik wachtte het eind van de maaltijd af, wendde me toen
213 III | maaltijd af, wendde me toen tot de bazin en zei: `Wel, mevrouw
214 III | binnenkort verlaten.'~ De beste vrouw riep verrast
215 III | het dienstmeisje, sloeg de ogen naar mij op. Zij was
216 III | herberglieden, meer niet.~ En de maaltijd liep af.~ Ik
217 III | ging mijn pijp roken onder de appelaars, en liep heen
218 III | en weer over het erf, van de ene kant naar de andere.
219 III | erf, van de ene kant naar de andere. Alle overdenkingen
220 III | ik op die dag had gehad, de vreemde ontmoeting van de
221 III | de vreemde ontmoeting van de ochtend, die rare en hartstochtelijke
222 III | dienstmeisje op mij had gericht bij de aankondiging van mijn vertrek,
223 III | gekke dingen te doen.~ De nacht viel, schoof zijn
224 III | schoof zijn schaduw onder de bomen en ik zag Celeste
225 III | kippenhok afsluiten, aan de overkant van de omheining.
226 III | afsluiten, aan de overkant van de omheining. Ik trippelde
227 III | hebben neergelaten waardoor de kippen in- en uitgaan, pakte
228 III | zag. Toen verdween ze in de nacht.~ Ik liep beschaamd
229 III | door het huis liep en dat de buitendeur werd opengedaan.~
230 III | werd opengedaan.~ Tegen de ochtend werd mijn vermoeidheid
231 III | werd mijn vermoeidheid me de baas en kreeg de slaap me
232 III | vermoeidheid me de baas en kreeg de slaap me eindelijk te pakken.
233 III | Lecacheur ging naar haar kamer, de Engelse was weg. Ze was
234 III | zoals ze zo vaak deed, om de zon te zien opkomen.~
235 III | blad beweegt. We hadden de tafel buiten gezet, onder
236 III | appelaar, en af en toe ging de Geniesoldaat in de kelder
237 III | ging de Geniesoldaat in de kelder de ciderkruik vullen,
238 III | Geniesoldaat in de kelder de ciderkruik vullen, zoveel
239 III | gedronken. Celeste droeg de schalen aan uit de keuken,
240 III | droeg de schalen aan uit de keuken, ragout van schapenvlees
241 III | schaal kersen voor ons neer, de eerste van het seizoen.~
242 III | terug en verklaarde dat de put droog was gevallen.
243 III | hele touw laten vieren en de emmer had de bodem geraakt,
244 III | laten vieren en de emmer had de bodem geraakt, maar was
245 III | Ik wilde ook kijken, in de hoop dat ik meer zou zien,
246 III | zien, en ik boog me over de rand. Vaag zag ik iets wits.
247 III | gele licht danste tegen de stenen wanden en zakte stukje
248 III | stonden met zijn vieren over de opening gebogen, de Geniesoldaat
249 III | over de opening gebogen, de Geniesoldaat en Celeste
250 III | waren er ook bijgekomen. De lantaarn bleef hangen boven
251 III | vreemd en onbegrijpelijk. De Geniesoldaat riep: `Dat '
252 III | ingevallen wezen nadat 'm uit de wei ontsnapt waar.'~
253 III | zachtjes, en zo hard bevend dat de lantaarn als waanzinnig
254 III | lantaarn als waanzinnig boven de schoen begon te dansen,
255 III | dat is miss Harriet.'~ De Geniesoldaat knipperde niet
256 III | knipperde niet eens met de oogleden. Hij had in Afrika
257 III | geborgen worden. Ik bond de knecht stevig om zijn middel
258 III | hem vervolgens zakken aan de katrol, heel langzaam, waarbij
259 III | één hand en een touw in de andere. Al snel klonk zijn
260 III | die uit het binnenste van de aarde leek te komen: `Stop.'
261 III | spieren slap, ik was bang de zwengel los te laten en
262 III | zwengel los te laten en de man weer terug te laten
263 III | vallen. Toen zijn hoofd boven de putrand verscheen, vroeg
264 III | klommen met zijn tweeën op de stenen rand en tegenover
265 III | en tegenover elkaar, over de opening gebogen, begonnen
266 III | Celeste bekeken ons uit de verte, verborgen achter
267 III | verte, verborgen achter de muur van het huis. Toen
268 III | muur van het huis. Toen ze de zwarte schoenen en de witte
269 III | ze de zwarte schoenen en de witte kousen van de drenkeling
270 III | schoenen en de witte kousen van de drenkeling uit dat gat zagen
271 III | komen, verdwenen ze.~ De Geniesoldaat pakte haar
272 III | Geniesoldaat pakte haar bij de enkels en we trokken haar
273 III | we trokken haar daar in de meest oneerbare houding
274 III | te druipen van het slijk. De Geniesoldaat verkondigde
275 III | naar haar kamer en omdat de beide vrouwen niet meer
276 III | opdoken, legde ik haar met de stalknecht af.~ Ik waste
277 III | bedekte.~ Toen moest ik de gebruikelijke formaliteiten
278 III | formaliteiten vervullen, omdat ik de enige was bij haar in de
279 III | de enige was bij haar in de buurt. Ik vond een brief
280 III | wilde blijven?~ Tegen de avond kwamen de moedertjes
281 III | Tegen de avond kwamen de moedertjes uit de buurt
282 III | kwamen de moedertjes uit de buurt om naar de overledene
283 III | moedertjes uit de buurt om naar de overledene te kijken, maar
284 III | bij haar zijn en ik waakte de hele nacht.~ Ik bekeek
285 III | op dat menselijk schepsel de eeuwige onrechtvaardigheid
286 III | eeuwige onrechtvaardigheid van de genadeloze natuur gericht!
287 III | ze ooit had gehad wat ook de meest wanhopige nog op de
288 III | de meest wanhopige nog op de been houdt, de hoop ooit
289 III | wanhopige nog op de been houdt, de hoop ooit te zullen worden
290 III | zich zo, ontvluchtte ze de rest? Waarom hield ze met
291 III | worden. Ze zou bloeien in de zon, ze zou door de koeien
292 III | bloeien in de zon, ze zou door de koeien worden afgegraasd,
293 III | afgegraasd, door vogels in de vorm van zaad worden meegenomen,
294 III | worden. Maar wat je noemt de ziel, die was onder in een
295 III | haar leven verruild voor de andere levens die ze zou
296 III | ze zou doen ontstaan.~ De uren verstreken bij dat
297 III | Een bleek licht kondigde de dageraad aan, toen kroop
298 III | een staaf van vuur over de lakens en over haar handen.
299 III | het uur dat ze zo beminde. De ontwaakte vogels zongen
300 III | ontwaakte vogels zongen in de bomen.~ Ik gooide het
301 III | raam wijdopen, ik schoof de gordijnen opzij opdat de
302 III | de gordijnen opzij opdat de hele hemel ons zou zien,
303 III | Leon Chenal zweeg. De vrouwen weenden. Je hoorde
304 III | vrouwen weenden. Je hoorde op de bok de graaf van Étraille
305 III | weenden. Je hoorde op de bok de graaf van Étraille zich
306 III | Étraille zich een paar keer de neus snuiten. Alleen de
307 III | de neus snuiten. Alleen de koetsier zat de dommelen.
308 III | Alleen de koetsier zat de dommelen. En de paarden,
309 III | koetsier zat de dommelen. En de paarden, die de zweep niet
310 III | dommelen. En de paarden, die de zweep niet meer voelden,
311 III | niet meer voelden, hadden de stap vertraagd, trokken
312 III | vertraagd, trokken lui, en de brik kwam nog maar amper
|