Part
1 I | gastvrouw het had gehad.~ Ik zag haar die dag niet terug.
2 I | vreemds boven aan de helling zag staan, het leek wel een
3 I | Dat was zij. Toen ze mij zag, verdween ze.~ Ik kwam '
4 I | Als ik er een in een hotel zag, ging ik ervandoor als een
5 I | lettergrepen, als ik haar zag.~ Aan moeder Lecacheur
6 I | werk was tussen de rotsen, zag ik haar plotseling aan de
7 I | gepurperd door vuur. Soms zag ik haar onder in een dal,
8 II | dat je het hemellichaam zag, want dat was achter mij
9 II | de hele wereld het meteen zag. Ik kan me nog herinneren
10 II | onderscheidde, die niet eens zag of dat nu een os of een
11 II | verslonden door de oceaan. Je zag het zakken, kleiner worden,
12 II | houd ik er toch van...' Ik zag een traan in haar oog. Ze
13 II | dag kwam ze, toen ze me zag, direct met uitgestoken
14 II | een of andere holle weg, zag ik haar plotseling verschijnen,
15 II | te vallen. Maar langzaam zag ik haar dan weer haar normalere
16 II | ongeduldig, zenuwachtig. Ik zag haar nog slechts onder het
17 III| en half doorzichtige mist zag je of liever gezegd vermoedde
18 III| miss Harriet. Toen ze me zag, wilde ze wegvluchten. Maar
19 III| schaduw onder de bomen en ik zag Celeste het kippenhok afsluiten,
20 III| staan, alsof ze een spook zag. Toen verdween ze in de
21 III| boog me over de rand. Vaag zag ik iets wits. Maar wat was
22 III| leek te komen: `Stop.' Ik zag hem iets uit het water vissen,
|