bold = Main text
Part grey = Comment text
1 Voor | Potocka, als eerbetoon van een toegewijd vriend1~ Wij
2 Voor | die de grond bedekte als een slecht geschoren baard.
3 Voor | te schudden en zich als een meisje dat uit bed stapt,
4 Voor | achterbank zat, riep: `Kijk, een haas,' en hij stak zijn
5 Voor | naar links uit, wijzend op een klaverveld. Het dier schoot
6 Voor | daarna sprong het weg over een geploegde akker, bleef staan,
7 Voor | achterhand begon te rennen en in een groot bietenveld verdween.
8 Voor | nog vier dagen.'~ Met een slaperig lachje antwoordde
9 Voor | Richelieu2, vertelt u ons eens een liefdesgeschiedenis die
10 Voor | wilt.'~ Leon Chenal, een oude schilder die zeer knap,
11 I | vijfentwintig en ik hing een beetje de kladschilder uit
12 I | bedoel ik dat zwerven met een rugzak, van herberg tot
13 I | die je leuk vindt, zonder een andere gids dan je fantasie,
14 I | dan je fantasie, zonder een ander richtsnoer dan wat
15 I | behaagt. Je blijft staan omdat een beekje je heeft getroffen,
16 I | omdat het voor de deur van een logementhouder zo lekker
17 I | of het naïeve lonken van een dienstertje in een herberg.
18 I | lonken van een dienstertje in een herberg. Je moet die rustieke
19 I | verachten. Ook zij hebben een ziel en zintuigen, die meisjes,
20 I | waar zij ook vandaan komt. Een hart dat slaat als je verschijnt,
21 I | slaat als je verschijnt, een oog dat huilt als je weggaat,
22 I | legt je hoofd te ruste in een wei, tussen margrieten en
23 I | klaprozen, en met open ogen, in een heldere plas zonlicht, zie
24 I | Je gaat zitten bij een bron die opwelt aan de voet
25 I | die opwelt aan de voet van een eik, te midden van een haardos
26 I | van een eik, te midden van een haardos van teer hoog gras,
27 I | mond op mond. Soms, als je een diepte tegenkomt in die
28 I | Je wordt blij als je op een heuvel staat, melancholisch
29 I | als de zon verdrinkt in een oceaan van bloedrode wolken
30 I | dompelt. En 's avonds, onder een maan die langs het firmament
31 I | jaar ook zijn, kwam ik op een avond in het dorpje Bénouville,
32 I | de hoge kust, recht als een muur, met haar uitstekende
33 I | dat korte, fijne en als een tapijt zo soepele gras dat
34 I | trage, zeilende vlucht van een meeuw die de witte kromming
35 I | zee, het bruine zeil van een vissersboot, had ik een
36 I | een vissersboot, had ik een gelukkige dag achter me,
37 I | vrijheid.~ Ze wezen me een boerderijtje waar reizigers
38 I | reizigers onderdak kregen, een soort herberg, gedreven
39 I | soort herberg, gedreven door een boerin, midden op een Normandisch
40 I | door een boerin, midden op een Normandisch erf, omgeven
41 I | Normandisch erf, omgeven door een dubbele rij beuken.~
42 I | moeder Lecacheur.~ Dat was een oude boerin, gerimpeld,
43 I | tegenzin leek te ontvangen, met een soort wantrouwen.~ Het
44 I | appelaars overdekten het erf met een dak van geurende bloesem
45 I | en zaaiden onophoudelijk een dwarrelende regen van roze
46 I | mevrouw Lecacheur, hebt u ook een kamer voor mij?'~ Verbaasd
47 I | de aangestampte vloer van een rustiek vertrek, gemeubileerd
48 I | vertrek, gemeubileerd met een bed, twee stoelen, een tafel
49 I | met een bed, twee stoelen, een tafel en een waskom. Het
50 I | twee stoelen, een tafel en een waskom. Het kwam uit op
51 I | vrouw was voor het avondeten een kip aan het stoven in haar
52 I | grote open haard met daarin een heugel, zwart van de rook.~ `
53 I | ontevreden toon: `M'n hebben een dame, een oude Engelse.
54 I | toon: `M'n hebben een dame, een oude Engelse. Zij heeft
55 I | de magere ledematen van een Normandische kip, daarbij
56 I | hek aan de weg open, en een vreemde figuur liep op het
57 I | heel groot, zo strak in een omslagdoek met rode Schotse
58 I | verschijnen, met daarin een witte parasol voor toeristen.
59 I | toeristen. Haar gelaat, als van een mummie, omkaderd door rollen
60 I | waarom weet ik ook niet, aan een bokking met papillotten
61 I | zag staan, het leek wel een mast met vlaggetjes. Dat
62 I | ik haar de schalen door. Een lichte beweging met het
63 I | hoofd, amper merkbaar, en een Engels woord, zo zacht gemompeld
64 I | heette miss Harriet. Omdat ze een eenzaam dorp zocht om daar
65 I | ze at snel, terwijl ze een boekje las van de protestantse
66 I | gekregen, hem bezorgd door een jochie, tegen betaling van
67 I | de verblufte boerin dan een van haar brochures, bedoeld
68 I | onderwijzer had verklaard: `Dat is een atheïste', dus rustte er
69 I | atheïste', dus rustte er een soort veroordeling op haar.
70 I | Lecacheur, antwoordde: `Zij is een dissidente, maar God wil
71 I | warm loopt voor beginselen, een van die koppige puriteinsen
72 I | Engeland er zoveel voortbrengt, een van die onverdraaglijke
73 I | onbeschrijflijke toiletten en een vage lucht van rubber, waardoor
74 I | denken dat ze 's nachts in een etui worden opgeborgen.~
75 I | opgeborgen.~ Als ik er een in een hotel zag, ging ik
76 I | opgeborgen.~ Als ik er een in een hotel zag, ging ik ervandoor
77 I | zag, ging ik ervandoor als een vogel die een vogelverschrikker
78 I | ervandoor als een vogel die een vogelverschrikker op een
79 I | een vogelverschrikker op een akker ziet staan.~ Maar
80 I | voelde in haar beperkte geest een soort haat voor de extatische
81 I | die oude vrijster. Ze had een term gevonden om op haar
82 I | haar te plakken, natuurlijk een neerbuigende, die haar op
83 I | neerbuigende, die haar op een of andere manier voor de
84 I | gekomen, het resultaat van een of andere verwarde, raadselachtige
85 I | slechts `de demon', en schepte een vreemd genoegen in het hardop
86 I | meneer, maar die heeft een pad meegenomen waarvan ze
87 I | waskom gedaan en ze heeft 'm een verband aangelegen gelijk
88 I | verband aangelegen gelijk het een mens waar. Als dat geen
89 I | heiligschennis is!'~ Een andere keer had ze, toen
90 I | voet van het klif wandelde, een grote vis gekocht die net
91 I | uit de zak had geklopt. Na een maand kon hij er nog niet
92 I | Harriet, moeder Lecacheur had een geniale ingeving gehad toen
93 I | Afrika had gediend, hield er een andere mening op na. Hij
94 I | mening op na. Hij zei met een knipoog: `Dat is er een
95 I | een knipoog: `Dat is er een ouwe van 't vak, die gepensionneerd
96 I | omdat ze vreemd was, van een ander slag, van een andere
97 I | van een ander slag, van een andere taal, van een andere
98 I | van een andere taal, van een andere godsdienst. Kortom,
99 I | bewonderde God in de natuur. Op een avond trof ik haar geknield
100 I | trof ik haar geknield in een struik. Omdat ik iets roods
101 I | klif, als het schijnsel van een vuurtoren. Ze bekeek dan
102 I | Soms zag ik haar onder in een dal, snel lopend, met de
103 I | de veerkrachtige tred van een Engelse, en dan ging ik
104 I | kwam ik haar ergens bij een boerderij tegen, zittend
105 I | gras, in de schaduw van een appelaar, met haar bijbeltje
106 I | groene aarde die wij zelf op een dag met ons lichaam zullen
107 I | Lecacheur. Ik wilde zo graag een beetje die vreemde miss
108 II | Wij leerden elkaar op een onalledaagse manier kennen.
109 II | kennen. Ik was net klaar met een studie die mij puik leek,
110 II | rechterzijde van mijn doek toonde een rots, een enorme, wrattige
111 II | mijn doek toonde een rots, een enorme, wrattige rots, overdekt
112 II | die met vuur. Dat was het. Een door ontvlamde helderheid
113 II | herinneren dat ik het langs een pad aan een koe toonde,
114 II | ik het langs een pad aan een koe toonde, en haar toeriep: `
115 II | niet eens zag of dat nu een os of een huis voorstelde.~
116 II | zag of dat nu een os of een huis voorstelde.~ Miss
117 II | dromen.~ Ze mompelde een Brits `ow!', met zoveel
118 II | getroffen dan wanneer het van een koningin afkomstig was geweest.
119 II | accepteerde zij dat met een gemummificeerd glimlachje.
120 II | opgestaan en we maakten een wandelingetje over het erf.
121 II | doorgronden.~ Het was een luwe, loom makende avond,
122 II | omslagdoek strak om zich heen, een geïnspireerde blik en haar
123 II | van het blikveld, tekende een driemaster met volle zeilen
124 II | tegen de vurige hemel, en een stoomboot, dichterbij, voer
125 II | haar rook die achter haar een eindeloze wolk veroorzaakte,
126 II | roerloze schip dat nu in een lijst van vuur gevat scheen,
127 II | dag. Ze voelde voorwaar een enorme zin om de hemel,
128 II | ik er toch van...' Ik zag een traan in haar oog. Ze vervolgde: `
129 II | vervolgde: `Ik wilde dat ik een vogeltje was om weg te vliegen
130 II | vereeuwigen. Ze leek wel een karikatuur van extase.~
131 II | dat gedaan zou hebben met een kameraad, waarbij ik toon,
132 II | aandachtig, begrijpend, in een poging de duistere betekenis
133 II | meteen bevriend.~ Het was een vreemd schepsel, dat een
134 II | een vreemd schepsel, dat een soort ziel met veren had,
135 II | natuur en de dieren, met een extatische liefde, gefermenteerd
136 II | inderdaad greep het zien van een zogende teef, van een merrie
137 II | van een zogende teef, van een merrie die met haar veulen
138 II | veulen tussen de benen door een wei rende, van een vogelnestje
139 II | door een wei rende, van een vogelnestje vol kleintjes,
140 II | piepend, met open bekjes, een enorme kop en een helemaal
141 II | bekjes, een enorme kop en een helemaal kaal lijf, haar
142 II | op zoek naar woorden om een opening te maken. Dan verliet
143 II | huppelende pas.~ Eindelijk, op een dag, raapte zij haar moed
144 II | de Petit-Val, waar ik aan een grote studie begon.~
145 II | zijn bewegingen. Als ik met een grote, plotseling met het
146 II | paletmes opgebrachte kleurvlek, een goed en onverwacht effect
147 II | in weerwil van zichzelf een klein `ow' van verbazing,
148 II | bewondering. Ze koesterde een soort vertederd ontzag voor
149 II | ontzag voor mijn doeken, een bijna religieus ontzag voor
150 II | menselijke weergave van een stukje van het goddelijk
151 II | kwamen op haar over als een soort schilderijen van heiligheid
152 II | ze te praten over God, in een poging mij te bekeren.~
153 II | Wel, haar Here God was een grappig ventje, een soort
154 II | was een grappig ventje, een soort dorpsfilosoof, zonder
155 II | of `God wil niet', zoals een sergeant die de dienstplichtige
156 II | Ik behandelde haar als een oude vriendin, met hartelijke
157 II | al snel dat haar houding een beetje veranderde. Aanvankelijk
158 II | onder in mijn dal, of in een of andere holle weg, zag
159 II | alsof ze had gerend of alsof een of andere diepe ontroering
160 II | verbleekte ze dan weer, werd van een aardkleur en leek op het
161 II | plotseling zweeg ze midden in een zin, stond op en ging er
162 II | ongetwijfeld ter ere van mij een beetje bijgesteld in de
163 II | U straalt vandaag als een ster, miss Harriet', steeg
164 II | meisjesbloed, bloed van een vijftienjarige.~ Maar
165 II | schilderen. Ik dacht: Vast een crisis, gaat wel over. Maar
166 II | gedaan en ik vroeg haar op een avond: `Miss Harriet, waarom
167 II | Ze antwoordde, met een volstrekt grappige ondertoon
168 II | sluiten.~ Ze kon me op een hele rare manier aankijken.
169 II | krijgen. Er lag in haar blik een soort waanzin, een mystieke
170 II | blik een soort waanzin, een mystieke en gewelddadige
171 II | en ook nog iets anders, een koorts, een wanhopige begeerte,
172 II | iets anders, een koorts, een wanhopige begeerte, ongeduldig
173 II | leek mij dat er in haar ook een strijd plaatsgreep, waarin
174 II | waarin haar hart vocht tegen een onbekende macht die zij
175 II(3)| Étretat na onweer uit 1870, een schilderij van Gustave Courbet,
176 III | III~ Het was echt een vreemde onthulling.~
177 III | ochtend vanaf zonsopgang aan een schilderij dat het volgende
178 III | volgende voorstelde.~ Een diep ravijn, gevat tussen
179 III | liever gezegd vermoedde je een mensenpaar, een jongen en
180 III | vermoedde je een mensenpaar, een jongen en een meisje, stevig
181 III | mensenpaar, een jongen en een meisje, stevig omhelsd,
182 III | gebogen, en mond op mond.~ Een eerste zonnestraal gleed
183 III | ochtendmist, verlichtte hem met een roze weerschijn achter de
184 III | vage gestalten overgaan in een zilverachtige helderheid.
185 III | voor me op, het leek wel een spook, maar het was miss
186 III | hier, juffrouw, ik heb hier een leuk schilderijtje voor
187 III | Ze zei niets, ze bleef er een hele poos roerloos naar
188 III | ik greep haar handen in een gebaar van plotselinge toegenegenheid,
189 III | toegenegenheid, typisch een gebaar van een Fransman
190 III | typisch een gebaar van een Fransman die sneller handelt
191 III | Ze liet haar handen een paar seconden in de mijne
192 III | huivering van liefde van een vrouw, of ze nu vijftien
193 III | ervandoor zonder dat ik een woord geuit had, liet me
194 III | me verrast achter als bij een wonder, en diep bedroefd
195 III | en diep bedroefd alsof ik een misdaad had begaan.~
196 III | het middageten. Ik ging een tochtje maken langs de rand
197 III | rondgezworven tot het avondeten, een beetje verdrietig, een beetje
198 III | een beetje verdrietig, een beetje dromerig, kwam ik
199 III | ogen naar mij op. Zij was een stevige meid van achttien,
200 III | aangelopen, fris, sterk als een paard, en heel schoon, wat
201 III | gaf haar stiekem wel eens een kusje, een gewoonte van
202 III | stiekem wel eens een kusje, een gewoonte van herberglieden,
203 III | met elkaar, bezorgde me nu een vrolijk gevoel in het lijf,
204 III | vrolijk gevoel in het lijf, een prikkeling van zoenen op
205 III | brede, mollige gestalte met een stortvloed aan liefkozingen.
206 III | los? Waarom heb ik mij met een ruk omgedraaid? Hoe heb
207 III | roerloos bleef staan, alsof ze een spook zag. Toen verdween
208 III | betrapt op het begaan van een of andere misdaad.~ Ik
209 III | Ik had me vast vergist. Een paar keer ook dacht ik dat
210 III | tafel buiten gezet, onder een appelaar, en af en toe ging
211 III | aardappelen, gebakken konijn en een salade. Toen zette ze een
212 III | een salade. Toen zette ze een schaal kersen voor ons neer,
213 III | ik het dienstmeisje mij een emmer goed koud water te
214 III | was. Waarschijnlijk had een buurman er bossen stro ingegooid,
215 III | Toen kwam ik op het idee een lantaarn aan een touw neer
216 III | het idee een lantaarn aan een touw neer te laten. Het
217 III | lantaarn bleef hangen boven een ondefinieerbare, wit-zwarte
218 III | Geniesoldaat riep: `Dat 's een paard, ik en heb den hoef
219 III | begon ik te trillen als een espenblad. Ik had een voet
220 III | als een espenblad. Ik had een voet herkend, daarna een
221 III | een voet herkend, daarna een gestrekt been. Het hele
222 III | dansen, stamelde ik: `Dat is een vrouw die... die... die
223 III | duister verdween. Hij had een lantaarn in één hand en
224 III | lantaarn in één hand en een touw in de andere. Al snel
225 III | mijn vinger ging één oog een beetje open en keek mij
226 III | schikte ik op haar voorhoofd een nieuw en raar kapsel. Toen
227 III | haar in de buurt. Ik vond een brief in haar zak, op het
228 III | dagen had doorgebracht. Een vreselijke gedachte beklemde
229 III | zwervend, verloren als een hond die zijn huis uit is
230 III | zij haar hele bestaan als een beschamende last had gedragen,
231 III | beschamende last had gedragen, een belachelijk omhulsel dat
232 III | rest? Waarom hield ze met een zo hartstochtelijke tederheid
233 III | de ziel, die was onder in een donkere put uitgedoofd.
234 III | sinistere en stille onderonsje. Een bleek licht kondigde de
235 III | dageraad aan, toen kroop een rode straal tot aan het
236 III | straal tot aan het bed, legde een staaf van vuur over de lakens
237 III | zonder walging, drukte ik een kus, een lange kus, op die
238 III | walging, drukte ik een kus, een lange kus, op die lippen
239 III | die lippen die er nooit een hadden gekregen.~ Leon
240 III | graaf van Étraille zich een paar keer de neus snuiten.
|