bold = Main text
Part grey = Comment text
1 Voor | zevenen in de brik, vier dames en drie heren, van wie één
2 Voor | de bok naast de koetsier, en we beklommen in de stap
3 Voor | Tancarville te gaan bekijken en zaten nog te dommelen, verkleumd
4 Voor | stoppel van de gemaaide haver en tarwe, die de grond bedekte
5 Voor | de rand van de horizon, en naarmate zij steeg, van
6 Voor | lachen, zich te schudden en zich als een meisje dat
7 Voor | riep: `Kijk, een haas,' en hij stak zijn arm naar links
8 Voor | vrijwel verborgen in het veld, en toonde alleen zijn grote
9 Voor | achterhand begon te rennen en in een groot bietenveld
10 Voor | erg galant vanochtend,' en bekeek zijn buurvrouw, de
11 Voor | haar versuffing van zich af en zei: `Vooruit, vertellen
12 Voor | zeer trots op zijn lijf en zeer bemind was geweest,
13 Voor | lange witte baard in de hand en glimlachte, maar na even
14 Voor(2)| 1788), vriend van Voltaire en berucht rokkenjager.~
15 I | Ik was toen vijfentwintig en ik hing een beetje de kladschilder
16 I | zogenaamd om studies te maken en landschappen naar de natuur
17 I | Ook zij hebben een ziel en zintuigen, die meisjes,
18 I | meisjes, stevige wangen en frisse lippen, en hun krachtige
19 I | wangen en frisse lippen, en hun krachtige kus is pittig
20 I | krachtige kus is pittig en sappig als wild fruit. De
21 I | stal waar de koeien slapen, en op het stro van zolders
22 I | grijze stof op veerkrachtige en stevige huid, ik denk met
23 I | spijt terug aan kinderlijke en onbelemmerde strelingen,
24 I | een wei, tussen margrieten en klaprozen, en met open ogen,
25 I | margrieten en klaprozen, en met open ogen, in een heldere
26 I | heldere water, dat je de snor en de neus bevochtigt, je drinkt
27 I | je er helemaal naakt in, en voel je van kop tot teen
28 I | kop tot teen zo'n ijskoude en zalige streling op je huid,
29 I | oceaan van bloedrode wolken en zij zich met rosse weerschijn
30 I | weerschijn in rivieren dompelt. En 's avonds, onder een maan
31 I | krijtkust, tussen Yport en Étretat. Ik kwam uit Fécamp,
32 I | gelopen over dat korte, fijne en als een tapijt zo soepele
33 I | Uit volle borst zingend en met grote stappen, met nu
34 I | achter me, vol zorgeloosheid en vrijheid.~ Ze wezen me
35 I | dus de krijtkust achter me en begaf me naar het groepje
36 I | omgeven door zijn grote bomen, en meldde me bij moeder Lecacheur.~
37 I | dak van geurende bloesem en zaaiden onophoudelijk een
38 I | bloemblaadjes, die maar op de mensen en het gras bleven neerkomen.~
39 I | minuten waren we het eens en zette ik mijn rugzak op
40 I | twee stoelen, een tafel en een waskom. Het kwam uit
41 I | personeel van de boerderij en de bazin, die weduwe was.~
42 I | Ik waste mijn handen en ging weer naar buiten. De
43 I | dus gedekt voor de deur en ik viel aan op de magere
44 I | daarbij heldere cider drinkend en grof witbrood kauwend, dat
45 I | houten hek aan de weg open, en een vreemde figuur liep
46 I | liep snel aan mij voorbij en verdween onder het rietdak.~
47 I | mooie dal dat jullie kennen en dat tot Étretat loopt, te
48 I | middags terug om te eten en ik nam plaats aan de gemeenschappelijke
49 I | het hoofd, amper merkbaar, en een Engels woord, zo zacht
50 I | eerder op Bénouville gestuit en leek absoluut niet van plan
51 I | Hem altijd in mijn hart.' En prompt gaf ze de verblufte
52 I | dood van de zondaar niet, en ik geloof dat zij iemand
53 I | Die woorden, `atheïste' en `dissidente', waarvan ze
54 I | dat de Engelse rijk was en dat zij haar leven had doorgebracht
55 I | die onverdraaglijke oude en goede vrijsters die altijd
56 I | onbeschrijflijke toiletten en een vage lucht van rubber,
57 I | zei: `Ze is demonisch.' En dat woord, geplakt op dat
58 I | geplakt op dat strenge en gevoelige wezen, leek mij
59 I | nog slechts `de demon', en schepte een vreemd genoegen
60 I | poot verbrijzeld hadden, en die heeft ze naar d'r kamer
61 I | ze in d'r waskom gedaan en ze heeft 'm een verband
62 I | in zee terug te gooien. En de varensgast, die weliswaar
63 I | praten zonder woest te worden en zonder zich de beledigde
64 I | over het platteland, zocht en bewonderde God in de natuur.
65 I | ik de takken aan de kant, en miss Harriet kwam overeind,
66 I | zee, verguld door licht, en het grote uitspansel, gepurperd
67 I | veerkrachtige tred van een Engelse, en dan ging ik op haar af,
68 I | bijbeltje open op schoot en haar blik op oneindig.~
69 I | liefde voor haar weidse en lieflijke landschappen.
70 I | de goede, gezonde, mooie en groene aarde die wij zelf
71 I | lichaam zullen bemesten. En misschien, wie zal het zeggen,
72 I | miss Harriet leren kennen en te weten komen wat er omgaat
73 II | studie die mij puik leek, en die dat ook was. Ze werd
74 II | trouwens heel eenvoudig en tegen alle academische regels.
75 II | overdekt met bruine, gele en rode wieren, waar het zonlicht
76 II | mij verborgen, op de steen en vergulde die met vuur. Dat
77 II | jade, groenachtig, melkig en hard onder de donkere hemel3.~
78 II | pad aan een koe toonde, en haar toeriep: `Moet je dit
79 II | Hela! Bazin, kom eens hier en bekijk dit eens.'~ De
80 II | De boerin kwam eraan en bekeek mijn werk met haar
81 II | Miss Harriet kwam terug en liep net achter mij langs
82 II | ow!', met zoveel nadruk en zo vleiend dat ik mij lachend
83 II | lachend tot haar wendde en zei: `Dit is mijn laatste
84 II | in vervoering, komisch en vertederend: `O meneer,
85 II | eerst begon ze te praten, en vulde hardop haar gedachten
86 II | gemummificeerd glimlachje. En ik begon weer over landschapschilderen.~
87 II | waren we tegelijk opgestaan en we maakten een wandelingetje
88 II | dat uitkwam op het klif, en daar gingen we, naast elkaar,
89 II | net hebben leren begrijpen en doorgronden.~ Het was
90 II | vol welzijn waarop lichaam en geest gelukkig zijn. Alles
91 II | gelukkig zijn. Alles is genot en alles is betovering. De
92 II | vol van de lucht van gras en van de lucht van zeewier,
93 II | lager haar golfjes aandroeg. En we dronken met open mond
94 II | we dronken met open mond en uitgezette borst die frisse
95 II | oceaan was komen aanzetten en die ons over de huid gleed,
96 II | over de huid gleed, traag en zilt door de lange kus der
97 II | een geïnspireerde blik en haar tanden in de wind,
98 II | af tegen de vurige hemel, en een stoomboot, dichterbij,
99 II | dichterbij, voer langs en ontrolde daarbij haar rook
100 II | bol bleef langzaam dalen. En al snel raakte hij het water,
101 II | waarbij ik toon, verzadiging en intensiteit in vaktermen
102 II | gedachten te doorgronden. Af en toe zei ze: `O! Dat begrijp
103 II | uitgestoken hand op me af. En we waren meteen bevriend.~
104 II | haar hart iets heel jongs en vurigs. Ze hield van de
105 II | Ze hield van de natuur en de dieren, met een extatische
106 II | geenszins had geschonken.~ En inderdaad greep het zien
107 II | open bekjes, een enorme kop en een helemaal kaal lijf,
108 II | Arme, eenzame, zwervende en trieste wezens uit pensions,
109 II | vertellen had, maar niet durfde, en ik vermaakte me met haar
110 II | stilzwijgend, duidelijk nerveus en op zoek naar woorden om
111 II | verliet ze me plotseling en ging er snel vandoor, met
112 II | zij haar moed bij elkaar en zei: `Ik zou graag zien
113 II | ben heel nieuwsgierig.' En ze bloosde alsof ze uitermate
114 II | geconcentreerde aandacht.~ En toen, plotseling, misschien
115 II | stoorde, zei ze: `Dank u wel', en ging ervandoor.~ Maar
116 II | ze werd vertrouwelijker, en ze begon me dagelijks met
117 II | toestaan dat ik die droeg, en ging naast me zitten. Zo
118 II | Zo bleef ze uren roerloos en stilzwijgend zitten, volgde
119 II | opgebrachte kleurvlek, een goed en onverwacht effect verkreeg,
120 II | van verbazing, vreugde en bewondering. Ze koesterde
121 II | schilderijen van heiligheid en soms begon ze te praten
122 II | dorpsfilosoof, zonder veel middelen en zonder veel invloed, want
123 II | vertrouwelinge van Zijn geheimen en Zijn teleurstellingen. Zij
124 II | best deed mij te onthullen, en elke dag vond ik in mijn
125 II | enkel ander volk heeft, en zonder enige reden verbleekte
126 II | werd van een aardkleur en leek op het punt flauw te
127 II | normalere uiterlijk herkrijgen en begon ze te praten.~
128 II | midden in een zin, stond op en ging er zo snel en zo onverklaarbaar
129 II | stond op en ging er zo snel en zo onverklaarbaar vandoor
130 II | spiralen gedraaid, vaak ontrold en hingen er dan bij alsof
131 II | haar dat niets schelen, en ze ging er ook schaamteloos
132 II | lampenglazen noemde te schikken, en als ik haar met ongedwongen
133 II | werd weer helemaal wild en kwam mij niet langer bekijken
134 II | met ingehouden ergernis. En ze werd bij vlagen bits,
135 II | nog slechts onder het eten en we spraken amper meer met
136 II | iets verkeerds had gedaan en ik vroeg haar op een avond: `
137 II | is niet waar, niet waar', en ze rende naar boven om zich
138 II | soort waanzin, een mystieke en gewelddadige waanzin, en
139 II | en gewelddadige waanzin, en ook nog iets anders, een
140 II | wanhopige begeerte, ongeduldig en onmachtig bij wat niet verwerkelijkt
141 II | wat niet verwerkelijkt was en het ook nooit zou worden!
142 II | het ook nooit zou worden! En het leek mij dat er in haar
143 II | macht die zij wilde temmen, en misschien nog wat anders...
144 III | twee hellingen vol bramen en bomen, strekte zich uit
145 III | zonsopgang in dalen hangt. En helemaal achter in die dichte
146 III | helemaal achter in die dichte en half doorzichtige mist zag
147 III | een mensenpaar, een jongen en een meisje, stevig omhelsd,
148 III | hij naar haar toe gebogen, en mond op mond.~ Een eerste
149 III | gleed tussen de takken door en doorboorde die ochtendmist,
150 III | wegvluchten. Maar ik riep haar en schreeuwde: `Kom nou, kom
151 III | roerloos naar staan kijken, en plotseling begon ze te huilen.
152 III | tranen hebben gevochten, en die niet langer kunnen,
153 III | verdriet dat ik niet begreep, en ik greep haar handen in
154 III | paar seconden in de mijne en ik voelde ze trillen alsof
155 III | gaan wankelen, gaan trillen en ingestort. Dat wist ik.
156 III | achter als bij een wonder, en diep bedroefd alsof ik een
157 III | ik het avontuur komisch en betreurenswaardig vond,
158 III | mezelf belachelijk voelde en wel kon raden dat ze ongelukkig
159 III | het beste kon vertrekken, en ik nam daartoe ook meteen
160 III | had ze haar gewone gezicht en was in haar gewone doen.~
161 III | wendde me toen tot de bazin en zei: `Wel, mevrouw Lecacheur,
162 III | beste vrouw riep verrast en teleurgesteld, op haar lijzige
163 III | meneer? Je gaat ons verlaten! En me waren juist zo aan je
164 III | fris, sterk als een paard, en heel schoon, wat zeldzaam
165 III | herberglieden, meer niet.~ En de maaltijd liep af.~
166 III | roken onder de appelaars, en liep heen en weer over het
167 III | appelaars, en liep heen en weer over het erf, van de
168 III | van de ochtend, die rare en hartstochtelijke liefde,
169 III | die onthulling, charmante en zorgwekkende herinneringen,
170 III | vertrek, dat alles door en met elkaar, bezorgde me
171 III | prikkeling van zoenen op lippen, en in mijn aderen voelde ik
172 III | zijn schaduw onder de bomen en ik zag Celeste het kippenhok
173 III | pas dat ze niets hoorde, en toen ze overeind kwam, na
174 III | neergelaten waardoor de kippen in- en uitgaan, pakte ik haar in
175 III | pakte ik haar in mijn armen en overdekte haar brede, mollige
176 III | ging, die ons had gezien en die roerloos bleef staan,
177 III | nacht.~ Ik liep beschaamd en bezorgd naar binnen, wanhopiger
178 III | iemand door het huis liep en dat de buitendeur werd opengedaan.~
179 III | vermoeidheid me de baas en kreeg de slaap me eindelijk
180 III | pakken. Ik werd laat wakker en liet me pas bij het middageten
181 III | verbaasden ons er niet over en begonnen in stilte te eten.~
182 III | gezet, onder een appelaar, en af en toe ging de Geniesoldaat
183 III | onder een appelaar, en af en toe ging de Geniesoldaat
184 III | aardappelen, gebakken konijn en een salade. Toen zette ze
185 III | kwam na vijf minuten terug en verklaarde dat de put droog
186 III | het hele touw laten vieren en de emmer had de bodem geraakt,
187 III | wilde dat zelf wel eens zien en ging in het gat kijken.
188 III | hoop dat ik meer zou zien, en ik boog me over de rand.
189 III | danste tegen de stenen wanden en zakte stukje bij beetje.
190 III | gebogen, de Geniesoldaat en Celeste waren er ook bijgekomen.
191 III | wit-zwarte massa, vreemd en onbegrijpelijk. De Geniesoldaat
192 III | riep: `Dat 's een paard, ik en heb den hoef gezien. Die
193 III | been. Het hele bovenlijf en het andere been waren onder
194 III | verdwenen.~ Heel zachtjes, en zo hard bevend dat de lantaarn
195 III | gezien!~ Moeder Lecacheur en Celeste begonnen hoge kreten
196 III | begonnen hoge kreten te slaken en vluchtten hard weg.~
197 III | stevig om zijn middel vast en liet hem vervolgens zakken
198 III | een lantaarn in één hand en een touw in de andere. Al
199 III | beide voeten bij elkaar en riep weer: `Halen.'~
200 III | de zwengel los te laten en de man weer terug te laten
201 III | putrand verscheen, vroeg ik: `En?' Alsof ik had verwacht
202 III | tweeën op de stenen rand en tegenover elkaar, over de
203 III | trekken.~ Moeder Lecacheur en Celeste bekeken ons uit
204 III | Toen ze de zwarte schoenen en de witte kousen van de drenkeling
205 III | pakte haar bij de enkels en we trokken haar daar in
206 III | houding vandaan, die arme en kuise vrijster. Het hoofd
207 III | hoofd was vreselijk, zwart en kapot, en haar lange grijze
208 III | vreselijk, zwart en kapot, en haar lange grijze haren,
209 III | droegen haar naar haar kamer en omdat de beide vrouwen niet
210 III | één oog een beetje open en keek mij aan met die bleke
211 III | haren zo goed als ik kon, en met handen die dat niet
212 III | haar voorhoofd een nieuw en raar kapsel. Toen trok ik
213 III | haar schouders, haar borst en haar lange armen, mager
214 III | korenbloemen, margrieten en vers, geurend gras, waarmee
215 III | wilde alleen bij haar zijn en ik waakte de hele nacht.~
216 III | achter? Hoe waren haar jeugd en haar leven geweest? Waar
217 III | gejaagd? Welk geheim lijden en welke geheime wanhoop lagen
218 III | omhulsel dat elke genegenheid en alle liefde ver van zich
219 III | tederheid van alle dingen en alle levende wezens, zolang
220 III | maar geen mensen waren?~ En ik begreep dat ze aan God
221 III | God geloofd had, zij wel, en dat ze dus op compensatie
222 III | tot ontbinding overgaan en op haar beurt plant worden.
223 III | zaad worden meegenomen, en als vlees van beesten zou
224 III | verstreken bij dat sinistere en stille onderonsje. Een bleek
225 III | van vuur over de lakens en over haar handen. Dit was
226 III | toegetakelde hoofd in mijn handen, en langzaam, zonder schrik
227 III | langzaam, zonder schrik en zonder walging, drukte ik
228 III | koetsier zat de dommelen. En de paarden, die de zweep
229 III | vertraagd, trokken lui, en de brik kwam nog maar amper
|