Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
elke 3
emmanuela 1
emmer 2
en 229
ene 2
engeland 1
engels 1
Frequency    [«  »]
-----
312 de
240 een
229 en
217 ik
166 van
161 het
Guy de Maupassant
Miss Harriet

IntraText - Concordances

en

                                                  bold = Main text
    Part                                          grey = Comment text
1 Voor | zevenen in de brik, vier dames en drie heren, van wie één 2 Voor | de bok naast de koetsier, en we beklommen in de stap 3 Voor | Tancarville te gaan bekijken en zaten nog te dommelen, verkleumd 4 Voor | stoppel van de gemaaide haver en tarwe, die de grond bedekte 5 Voor | de rand van de horizon, en naarmate zij steeg, van 6 Voor | lachen, zich te schudden en zich als een meisje dat 7 Voor | riep: `Kijk, een haas,' en hij stak zijn arm naar links 8 Voor | vrijwel verborgen in het veld, en toonde alleen zijn grote 9 Voor | achterhand begon te rennen en in een groot bietenveld 10 Voor | erg galant vanochtend,' en bekeek zijn buurvrouw, de 11 Voor | haar versuffing van zich af en zei: `Vooruit, vertellen 12 Voor | zeer trots op zijn lijf en zeer bemind was geweest, 13 Voor | lange witte baard in de hand en glimlachte, maar na even 14 Voor(2)| 1788), vriend van Voltaire en berucht rokkenjager.~ 15 I | Ik was toen vijfentwintig en ik hing een beetje de kladschilder 16 I | zogenaamd om studies te maken en landschappen naar de natuur 17 I | Ook zij hebben een ziel en zintuigen, die meisjes, 18 I | meisjes, stevige wangen en frisse lippen, en hun krachtige 19 I | wangen en frisse lippen, en hun krachtige kus is pittig 20 I | krachtige kus is pittig en sappig als wild fruit. De 21 I | stal waar de koeien slapen, en op het stro van zolders 22 I | grijze stof op veerkrachtige en stevige huid, ik denk met 23 I | spijt terug aan kinderlijke en onbelemmerde strelingen, 24 I | een wei, tussen margrieten en klaprozen, en met open ogen, 25 I | margrieten en klaprozen, en met open ogen, in een heldere 26 I | heldere water, dat je de snor en de neus bevochtigt, je drinkt 27 I | je er helemaal naakt in, en voel je van kop tot teen 28 I | kop tot teen zo'n ijskoude en zalige streling op je huid, 29 I | oceaan van bloedrode wolken en zij zich met rosse weerschijn 30 I | weerschijn in rivieren dompelt. En 's avonds, onder een maan 31 I | krijtkust, tussen Yport en Étretat. Ik kwam uit Fécamp, 32 I | gelopen over dat korte, fijne en als een tapijt zo soepele 33 I | Uit volle borst zingend en met grote stappen, met nu 34 I | achter me, vol zorgeloosheid en vrijheid.~    Ze wezen me 35 I | dus de krijtkust achter me en begaf me naar het groepje 36 I | omgeven door zijn grote bomen, en meldde me bij moeder Lecacheur.~     37 I | dak van geurende bloesem en zaaiden onophoudelijk een 38 I | bloemblaadjes, die maar op de mensen en het gras bleven neerkomen.~     39 I | minuten waren we het eens en zette ik mijn rugzak op 40 I | twee stoelen, een tafel en een waskom. Het kwam uit 41 I | personeel van de boerderij en de bazin, die weduwe was.~     42 I | Ik waste mijn handen en ging weer naar buiten. De 43 I | dus gedekt voor de deur en ik viel aan op de magere 44 I | daarbij heldere cider drinkend en grof witbrood kauwend, dat 45 I | houten hek aan de weg open, en een vreemde figuur liep 46 I | liep snel aan mij voorbij en verdween onder het rietdak.~     47 I | mooie dal dat jullie kennen en dat tot Étretat loopt, te 48 I | middags terug om te eten en ik nam plaats aan de gemeenschappelijke 49 I | het hoofd, amper merkbaar, en een Engels woord, zo zacht 50 I | eerder op Bénouville gestuit en leek absoluut niet van plan 51 I | Hem altijd in mijn hart.' En prompt gaf ze de verblufte 52 I | dood van de zondaar niet, en ik geloof dat zij iemand 53 I | Die woorden, `atheïste' en `dissidente', waarvan ze 54 I | dat de Engelse rijk was en dat zij haar leven had doorgebracht 55 I | die onverdraaglijke oude en goede vrijsters die altijd 56 I | onbeschrijflijke toiletten en een vage lucht van rubber, 57 I | zei: `Ze is demonisch.' En dat woord, geplakt op dat 58 I | geplakt op dat strenge en gevoelige wezen, leek mij 59 I | nog slechts `de demon', en schepte een vreemd genoegen 60 I | poot verbrijzeld hadden, en die heeft ze naar d'r kamer 61 I | ze in d'r waskom gedaan en ze heeft 'm een verband 62 I | in zee terug te gooien. En de varensgast, die weliswaar 63 I | praten zonder woest te worden en zonder zich de beledigde 64 I | over het platteland, zocht en bewonderde God in de natuur. 65 I | ik de takken aan de kant, en miss Harriet kwam overeind, 66 I | zee, verguld door licht, en het grote uitspansel, gepurperd 67 I | veerkrachtige tred van een Engelse, en dan ging ik op haar af, 68 I | bijbeltje open op schoot en haar blik op oneindig.~     69 I | liefde voor haar weidse en lieflijke landschappen. 70 I | de goede, gezonde, mooie en groene aarde die wij zelf 71 I | lichaam zullen bemesten. En misschien, wie zal het zeggen, 72 I | miss Harriet leren kennen en te weten komen wat er omgaat 73 II | studie die mij puik leek, en die dat ook was. Ze werd 74 II | trouwens heel eenvoudig en tegen alle academische regels. 75 II | overdekt met bruine, gele en rode wieren, waar het zonlicht 76 II | mij verborgen, op de steen en vergulde die met vuur. Dat 77 II | jade, groenachtig, melkig en hard onder de donkere hemel3.~     78 II | pad aan een koe toonde, en haar toeriep: `Moet je dit 79 II | Hela! Bazin, kom eens hier en bekijk dit eens.'~    De 80 II | De boerin kwam eraan en bekeek mijn werk met haar 81 II | Miss Harriet kwam terug en liep net achter mij langs 82 II | ow!', met zoveel nadruk en zo vleiend dat ik mij lachend 83 II | lachend tot haar wendde en zei: `Dit is mijn laatste 84 II | in vervoering, komisch en vertederend: `O meneer, 85 II | eerst begon ze te praten, en vulde hardop haar gedachten 86 II | gemummificeerd glimlachje. En ik begon weer over landschapschilderen.~     87 II | waren we tegelijk opgestaan en we maakten een wandelingetje 88 II | dat uitkwam op het klif, en daar gingen we, naast elkaar, 89 II | net hebben leren begrijpen en doorgronden.~    Het was 90 II | vol welzijn waarop lichaam en geest gelukkig zijn. Alles 91 II | gelukkig zijn. Alles is genot en alles is betovering. De 92 II | vol van de lucht van gras en van de lucht van zeewier, 93 II | lager haar golfjes aandroeg. En we dronken met open mond 94 II | we dronken met open mond en uitgezette borst die frisse 95 II | oceaan was komen aanzetten en die ons over de huid gleed, 96 II | over de huid gleed, traag en zilt door de lange kus der 97 II | een geïnspireerde blik en haar tanden in de wind, 98 II | af tegen de vurige hemel, en een stoomboot, dichterbij, 99 II | dichterbij, voer langs en ontrolde daarbij haar rook 100 II | bol bleef langzaam dalen. En al snel raakte hij het water, 101 II | waarbij ik toon, verzadiging en intensiteit in vaktermen 102 II | gedachten te doorgronden. Af en toe zei ze: `O! Dat begrijp 103 II | uitgestoken hand op me af. En we waren meteen bevriend.~     104 II | haar hart iets heel jongs en vurigs. Ze hield van de 105 II | Ze hield van de natuur en de dieren, met een extatische 106 II | geenszins had geschonken.~    En inderdaad greep het zien 107 II | open bekjes, een enorme kop en een helemaal kaal lijf, 108 II | Arme, eenzame, zwervende en trieste wezens uit pensions, 109 II | vertellen had, maar niet durfde, en ik vermaakte me met haar 110 II | stilzwijgend, duidelijk nerveus en op zoek naar woorden om 111 II | verliet ze me plotseling en ging er snel vandoor, met 112 II | zij haar moed bij elkaar en zei: `Ik zou graag zien 113 II | ben heel nieuwsgierig.' En ze bloosde alsof ze uitermate 114 II | geconcentreerde aandacht.~    En toen, plotseling, misschien 115 II | stoorde, zei ze: `Dank u wel', en ging ervandoor.~    Maar 116 II | ze werd vertrouwelijker, en ze begon me dagelijks met 117 II | toestaan dat ik die droeg, en ging naast me zitten. Zo 118 II | Zo bleef ze uren roerloos en stilzwijgend zitten, volgde 119 II | opgebrachte kleurvlek, een goed en onverwacht effect verkreeg, 120 II | van verbazing, vreugde en bewondering. Ze koesterde 121 II | schilderijen van heiligheid en soms begon ze te praten 122 II | dorpsfilosoof, zonder veel middelen en zonder veel invloed, want 123 II | vertrouwelinge van Zijn geheimen en Zijn teleurstellingen. Zij 124 II | best deed mij te onthullen, en elke dag vond ik in mijn 125 II | enkel ander volk heeft, en zonder enige reden verbleekte 126 II | werd van een aardkleur en leek op het punt flauw te 127 II | normalere uiterlijk herkrijgen en begon ze te praten.~     128 II | midden in een zin, stond op en ging er zo snel en zo onverklaarbaar 129 II | stond op en ging er zo snel en zo onverklaarbaar vandoor 130 II | spiralen gedraaid, vaak ontrold en hingen er dan bij alsof 131 II | haar dat niets schelen, en ze ging er ook schaamteloos 132 II | lampenglazen noemde te schikken, en als ik haar met ongedwongen 133 II | werd weer helemaal wild en kwam mij niet langer bekijken 134 II | met ingehouden ergernis. En ze werd bij vlagen bits, 135 II | nog slechts onder het eten en we spraken amper meer met 136 II | iets verkeerds had gedaan en ik vroeg haar op een avond: ` 137 II | is niet waar, niet waar', en ze rende naar boven om zich 138 II | soort waanzin, een mystieke en gewelddadige waanzin, en 139 II | en gewelddadige waanzin, en ook nog iets anders, een 140 II | wanhopige begeerte, ongeduldig en onmachtig bij wat niet verwerkelijkt 141 II | wat niet verwerkelijkt was en het ook nooit zou worden! 142 II | het ook nooit zou worden! En het leek mij dat er in haar 143 II | macht die zij wilde temmen, en misschien nog wat anders... 144 III | twee hellingen vol bramen en bomen, strekte zich uit 145 III | zonsopgang in dalen hangt. En helemaal achter in die dichte 146 III | helemaal achter in die dichte en half doorzichtige mist zag 147 III | een mensenpaar, een jongen en een meisje, stevig omhelsd, 148 III | hij naar haar toe gebogen, en mond op mond.~    Een eerste 149 III | gleed tussen de takken door en doorboorde die ochtendmist, 150 III | wegvluchten. Maar ik riep haar en schreeuwde: `Kom nou, kom 151 III | roerloos naar staan kijken, en plotseling begon ze te huilen. 152 III | tranen hebben gevochten, en die niet langer kunnen, 153 III | verdriet dat ik niet begreep, en ik greep haar handen in 154 III | paar seconden in de mijne en ik voelde ze trillen alsof 155 III | gaan wankelen, gaan trillen en ingestort. Dat wist ik. 156 III | achter als bij een wonder, en diep bedroefd alsof ik een 157 III | ik het avontuur komisch en betreurenswaardig vond, 158 III | mezelf belachelijk voelde en wel kon raden dat ze ongelukkig 159 III | het beste kon vertrekken, en ik nam daartoe ook meteen 160 III | had ze haar gewone gezicht en was in haar gewone doen.~     161 III | wendde me toen tot de bazin en zei: `Wel, mevrouw Lecacheur, 162 III | beste vrouw riep verrast en teleurgesteld, op haar lijzige 163 III | meneer? Je gaat ons verlaten! En me waren juist zo aan je 164 III | fris, sterk als een paard, en heel schoon, wat zeldzaam 165 III | herberglieden, meer niet.~    En de maaltijd liep af.~     166 III | roken onder de appelaars, en liep heen en weer over het 167 III | appelaars, en liep heen en weer over het erf, van de 168 III | van de ochtend, die rare en hartstochtelijke liefde, 169 III | die onthulling, charmante en zorgwekkende herinneringen, 170 III | vertrek, dat alles door en met elkaar, bezorgde me 171 III | prikkeling van zoenen op lippen, en in mijn aderen voelde ik 172 III | zijn schaduw onder de bomen en ik zag Celeste het kippenhok 173 III | pas dat ze niets hoorde, en toen ze overeind kwam, na 174 III | neergelaten waardoor de kippen in- en uitgaan, pakte ik haar in 175 III | pakte ik haar in mijn armen en overdekte haar brede, mollige 176 III | ging, die ons had gezien en die roerloos bleef staan, 177 III | nacht.~    Ik liep beschaamd en bezorgd naar binnen, wanhopiger 178 III | iemand door het huis liep en dat de buitendeur werd opengedaan.~     179 III | vermoeidheid me de baas en kreeg de slaap me eindelijk 180 III | pakken. Ik werd laat wakker en liet me pas bij het middageten 181 III | verbaasden ons er niet over en begonnen in stilte te eten.~     182 III | gezet, onder een appelaar, en af en toe ging de Geniesoldaat 183 III | onder een appelaar, en af en toe ging de Geniesoldaat 184 III | aardappelen, gebakken konijn en een salade. Toen zette ze 185 III | kwam na vijf minuten terug en verklaarde dat de put droog 186 III | het hele touw laten vieren en de emmer had de bodem geraakt, 187 III | wilde dat zelf wel eens zien en ging in het gat kijken. 188 III | hoop dat ik meer zou zien, en ik boog me over de rand. 189 III | danste tegen de stenen wanden en zakte stukje bij beetje. 190 III | gebogen, de Geniesoldaat en Celeste waren er ook bijgekomen. 191 III | wit-zwarte massa, vreemd en onbegrijpelijk. De Geniesoldaat 192 III | riep: `Dat 's een paard, ik en heb den hoef gezien. Die 193 III | been. Het hele bovenlijf en het andere been waren onder 194 III | verdwenen.~    Heel zachtjes, en zo hard bevend dat de lantaarn 195 III | gezien!~    Moeder Lecacheur en Celeste begonnen hoge kreten 196 III | begonnen hoge kreten te slaken en vluchtten hard weg.~     197 III | stevig om zijn middel vast en liet hem vervolgens zakken 198 III | een lantaarn in één hand en een touw in de andere. Al 199 III | beide voeten bij elkaar en riep weer: `Halen.'~     200 III | de zwengel los te laten en de man weer terug te laten 201 III | putrand verscheen, vroeg ik: `En?' Alsof ik had verwacht 202 III | tweeën op de stenen rand en tegenover elkaar, over de 203 III | trekken.~    Moeder Lecacheur en Celeste bekeken ons uit 204 III | Toen ze de zwarte schoenen en de witte kousen van de drenkeling 205 III | pakte haar bij de enkels en we trokken haar daar in 206 III | houding vandaan, die arme en kuise vrijster. Het hoofd 207 III | hoofd was vreselijk, zwart en kapot, en haar lange grijze 208 III | vreselijk, zwart en kapot, en haar lange grijze haren, 209 III | droegen haar naar haar kamer en omdat de beide vrouwen niet 210 III | één oog een beetje open en keek mij aan met die bleke 211 III | haren zo goed als ik kon, en met handen die dat niet 212 III | haar voorhoofd een nieuw en raar kapsel. Toen trok ik 213 III | haar schouders, haar borst en haar lange armen, mager 214 III | korenbloemen, margrieten en vers, geurend gras, waarmee 215 III | wilde alleen bij haar zijn en ik waakte de hele nacht.~     216 III | achter? Hoe waren haar jeugd en haar leven geweest? Waar 217 III | gejaagd? Welk geheim lijden en welke geheime wanhoop lagen 218 III | omhulsel dat elke genegenheid en alle liefde ver van zich 219 III | tederheid van alle dingen en alle levende wezens, zolang 220 III | maar geen mensen waren?~    En ik begreep dat ze aan God 221 III | God geloofd had, zij wel, en dat ze dus op compensatie 222 III | tot ontbinding overgaan en op haar beurt plant worden. 223 III | zaad worden meegenomen, en als vlees van beesten zou 224 III | verstreken bij dat sinistere en stille onderonsje. Een bleek 225 III | van vuur over de lakens en over haar handen. Dit was 226 III | toegetakelde hoofd in mijn handen, en langzaam, zonder schrik 227 III | langzaam, zonder schrik en zonder walging, drukte ik 228 III | koetsier zat de dommelen. En de paarden, die de zweep 229 III | vertraagd, trokken lui, en de brik kwam nog maar amper


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License