Part
1 Voor| vrolijk verhaal, dames, ik zal jullie de meest trieste
2 Voor| van mijn leven vertellen. Ik hoop mijn vrienden geenszins
3 I | I~ Ik was toen vijfentwintig en
4 I | was toen vijfentwintig en ik hing een beetje de kladschilder
5 I | kladschilder uithangen' bedoel ik dat zwerven met een rugzak,
6 I | de natuur te schilderen. Ik ken niets fijners dan dat
7 I | op neer moet kijken.~ Ik heb afspraakjes gekend in
8 I | van de hitte van de dag. Ik heb herinneringen aan grove
9 I | veerkrachtige en stevige huid, ik denk met spijt terug aan
10 I | dit jaar ook zijn, kwam ik op een avond in het dorpje
11 I | tussen Yport en Étretat. Ik kwam uit Fécamp, de kust
12 I | loodrecht in zee afdalen. Ik had al sinds de ochtend
13 I | van een vissersboot, had ik een gelukkige dag achter
14 I | dubbele rij beuken.~ Ik liet dus de krijtkust achter
15 I | gras bleven neerkomen.~ Ik vroeg: `Wel, mevrouw Lecacheur,
16 I | Verbaasd te bemerken dat ik haar naam kende, antwoordde
17 I | allemaal verhuurd. Maar ik wil wel eens zien wat of
18 I | wil wel eens zien wat of ik voor je doen kan.'~ Binnen
19 I | waren we het eens en zette ik mijn rugzak op de aangestampte
20 I | bazin, die weduwe was.~ Ik waste mijn handen en ging
21 I | momenteel wel reizigers?' vroeg ik haar.~ Ze antwoordde
22 I | sollen per dag verkreeg ik het recht om alleen te eten
23 I | dus gedekt voor de deur en ik viel aan op de magere ledematen
24 I | opsprongen, deed mij, waarom weet ik ook niet, aan een bokking
25 I | gastvrouw het had gehad.~ Ik zag haar die dag niet terug.
26 I | terug. De volgende dag had ik me net geïnstalleerd om
27 I | zitten schilderen, toen ik, plotseling mijn blik opslaand,
28 I | mij zag, verdween ze.~ Ik kwam 's middags terug om
29 I | middags terug om te eten en ik nam plaats aan de gemeenschappelijke
30 I | attenties. Koppig schonk ik haar water in, zeer nadrukkelijk
31 I | in, zeer nadrukkelijk gaf ik haar de schalen door. Een
32 I | zo zacht gemompeld dat ik het amper hoorde, waren
33 I | enige dankbetuigingen.~ Ik bekommerde mij niet verder
34 I | Na drie dagen wist ik over haar evenveel als mevrouw
35 I | inleiding tot die verklaring: `Ik hou van de Heer meer dan
36 I | Heer meer dan van wat ook, ik bewonder Hem in Zijn gehele
37 I | in Zijn gehele schepping, ik bewonder Hem in Zijn gehele
38 I | Hem in Zijn gehele natuur, ik draag Hem altijd in mijn
39 I | van de zondaar niet, en ik geloof dat zij iemand is
40 I | worden opgeborgen.~ Als ik er een in een hotel zag,
41 I | een in een hotel zag, ging ik ervandoor als een vogel
42 I | onweerstaanbaar komisch. Ik noemde haar zelf nog slechts `
43 I | die twee lettergrepen, als ik haar zag.~ Aan moeder
44 I | Aan moeder Lecacheur vroeg ik: `Wel, wat doet onze demon
45 I | haar niet graag, zonder dat ik er achter kon komen waarom
46 I | natuur. Op een avond trof ik haar geknield in een struik.
47 I | geknield in een struik. Omdat ik iets roods door de bladeren
48 I | had zien schemeren, schoof ik de takken aan de kant, en
49 I | worden verrast.~ Soms, als ik aan het werk was tussen
50 I | was tussen de rotsen, zag ik haar plotseling aan de rand
51 I | gepurperd door vuur. Soms zag ik haar onder in een dal, snel
52 I | een Engelse, en dan ging ik op haar af, aangetrokken
53 I | vreugde.~ Vaak ook kwam ik haar ergens bij een boerderij
54 I | op oneindig.~ Want ook ik bleef hangen, verbonden
55 I | lieflijke landschappen. Ik voelde me lekker op die
56 I | mij bij moeder Lecacheur. Ik wilde zo graag een beetje
57 II | onalledaagse manier kennen. Ik was net klaar met een studie
58 II | onder de donkere hemel3.~ Ik was zo tevreden met mijn
59 II | tevreden met mijn werk dat ik begon te dansen toen ik
60 II | ik begon te dansen toen ik het terugbracht naar de
61 II | terugbracht naar de herberg. Ik wilde dat de hele wereld
62 II | hele wereld het meteen zag. Ik kan me nog herinneren dat
63 II | kan me nog herinneren dat ik het langs een pad aan een
64 II | niet vaak zien.'~ Toen ik voor het huis was aangekomen,
65 II | huis was aangekomen, riep ik moeder Lecacheur meteen
66 II | langs op het ogenblik dat ik mijn doek aan de herbergierster
67 II | kon er niet omheen, want ik zorgde ervoor de zaak zo
68 II | gegrepen, stomverbaasd. Ik denk dat het haar rots was,
69 II | nadruk en zo vleiend dat ik mij lachend tot haar wendde
70 II | aangrijpende wijze.'~ Ik werd verdorie rood, door
71 II | koningin afkomstig was geweest. Ik was verleid, veroverd, overwonnen.
72 II | verleid, veroverd, overwonnen. Ik had haar wel willen zoenen,
73 II | willen zoenen, erewoord!~ Ik ging naast haar aan tafel
74 II | haar gedachten aan: `O! Ik houd zo van de natuur!'~
75 II | houd zo van de natuur!'~ Ik bood haar brood, water,
76 II | gemummificeerd glimlachje. En ik begon weer over landschapschilderen.~
77 II | boven de zee ontstak, opende ik vervolgens het hek dat uitkwam
78 II | drukken.~ Ze mompelde: `O! Ik houd er zo van... ik houd
79 II | O! Ik houd er zo van... ik houd er zo van... wat houd
80 II | houd er zo van... wat houd ik er toch van...' Ik zag een
81 II | houd ik er toch van...' Ik zag een traan in haar oog.
82 II | haar oog. Ze vervolgde: `Ik wilde dat ik een vogeltje
83 II | vervolgde: `Ik wilde dat ik een vogeltje was om weg
84 II | bleef daar staan, zoals ik haar zo vaak had gezien,
85 II | haar purperen omslagdoek. Ik kreeg zin om haar in mijn
86 II | karikatuur van extase.~ Ik wendde me af om niet te
87 II | lachen.~ Vervolgens had ik het met haar over schilderkunst,
88 II | over schilderkunst, zoals ik dat gedaan zou hebben met
89 II | met een kameraad, waarbij ik toon, verzadiging en intensiteit
90 II | zei ze: `O! Dat begrijp ik, dat begrijp ik. Het is
91 II | begrijp ik, dat begrijp ik. Het is heel aangrijpend.'~
92 II | beklagenswaardige wezens, ik houd van jullie sinds ik
93 II | ik houd van jullie sinds ik die ene heb leren kennen!~
94 II | ene heb leren kennen!~ Ik merkte meteen dat ze me
95 II | had, maar niet durfde, en ik vermaakte me met haar verlegenheid.
96 II | met haar verlegenheid. Als ik 's morgens vertrok, met
97 II | moed bij elkaar en zei: `Ik zou graag zien hoe u schildert.
98 II | u schildert. Wilt u wel? Ik ben heel nieuwsgierig.'
99 II | woorden had uitgesproken.~ Ik nam haar mee in de Petit-Val,
100 II | mee in de Petit-Val, waar ik aan een grote studie begon.~
101 II | beslist niet toestaan dat ik die droeg, en ging naast
102 II | al zijn bewegingen. Als ik met een grote, plotseling
103 II | onthullen, en elke dag vond ik in mijn zakken, in mijn
104 II | zakken, in mijn hoed als ik die op de grond had laten
105 II | het paradijs ontving.~ Ik behandelde haar als een
106 II | hartelijke ongedwongenheid. Maar ik merkte al snel dat haar
107 II | veranderde. Aanvankelijk sloeg ik daar geen acht op.~ Als
108 II | daar geen acht op.~ Als ik werkte, of het nu was onder
109 II | of andere holle weg, zag ik haar plotseling verschijnen,
110 II | vallen. Maar langzaam zag ik haar dan weer haar normalere
111 II | onverklaarbaar vandoor dat ik me altijd afvroeg of ik
112 II | ik me altijd afvroeg of ik niets gedaan had wat haar
113 II | Ten slotte bedacht ik me dat dat haar normale
114 II | ze naar haar kamer om wat ik haar lampenglazen noemde
115 II | noemde te schikken, en als ik haar met ongedwongen hoffelijkheid,
116 II | bekijken bij het schilderen. Ik dacht: Vast een crisis,
117 II | over. Nu was het zo dat als ik het woord tot haar richtte,
118 II | ongeduldig, zenuwachtig. Ik zag haar nog slechts onder
119 II | spraken amper meer met elkaar. Ik dacht echt dat ik iets verkeerds
120 II | elkaar. Ik dacht echt dat ik iets verkeerds had gedaan
121 II | verkeerds had gedaan en ik vroeg haar op een avond: `
122 II | niet meer als vroeger? Heb ik iets gedaan wat u misnoegen
123 II | grappige ondertoon van woede: `Ik ben met u altijd hetzelfde
124 II | aankijken. Sinds die tijd heb ik meer dan eens bij mezelf
125 II | misschien nog wat anders... weet ik veel! Weet ik veel?~
126 II | anders... weet ik veel! Weet ik veel?~
127 III | Al enige tijd werkte ik elke ochtend vanaf zonsopgang
128 III | verdorie best mooi.~ Ik werkte op het pad dat naar
129 III | Petit-Val bij Étretat voert. Ik had toevallig die ochtend
130 III | de stilhangende nevel die ik nodig had.~ Er dook iets
131 III | wilde ze wegvluchten. Maar ik riep haar en schreeuwde: `
132 III | nou eens hier, juffrouw, ik heb hier een leuk schilderijtje
133 III | naderde, als met tegenzin. Ik liet haar mijn schets zien.
134 III | toch nog weerstand bieden. Ik sprong overeind, zelf ontroerd
135 III | ontroerd door dat verdriet dat ik niet begreep, en ik greep
136 III | dat ik niet begreep, en ik greep haar handen in een
137 III | seconden in de mijne en ik voelde ze trillen alsof
138 III | gezegd ze rukte ze los.~ Ik had haar herkend, die huivering,
139 III | huivering, want die had ik al eerder gevoeld, die zou
140 III | eerder gevoeld, die zou ik herkennen uit duizenden.
141 III | recht naar het hart dat ik nooit aarzel haar te begrijpen.~
142 III | trillen en ingestort. Dat wist ik. Ze ging ervandoor zonder
143 III | ging ervandoor zonder dat ik een woord geuit had, liet
144 III | en diep bedroefd alsof ik een misdaad had begaan.~
145 III | misdaad had begaan.~ Ik ging niet terug voor het
146 III | terug voor het middageten. Ik ging een tochtje maken langs
147 III | rand van het klif, omdat ik evenveel zin had om te huilen
148 III | als om te lachen, omdat ik het avontuur komisch en
149 III | om gek van te worden.~ Ik vroeg me af wat ik moest
150 III | Ik vroeg me af wat ik moest doen.~ Ik vond
151 III | af wat ik moest doen.~ Ik vond dat ik maar het beste
152 III | moest doen.~ Ik vond dat ik maar het beste kon vertrekken,
153 III | beste kon vertrekken, en ik nam daartoe ook meteen het
154 III | een beetje dromerig, kwam ik rond etenstijd terug.~
155 III | in haar gewone doen.~ Ik wachtte het eind van de
156 III | Wel, mevrouw Lecacheur, ik ga u binnenkort verlaten.'~
157 III | je gewend geraakt!'~ Ik keek uit mijn ooghoek naar
158 III | schoon, wat zeldzaam is. Ik gaf haar stiekem wel eens
159 III | de maaltijd liep af.~ Ik ging mijn pijp roken onder
160 III | Alle overdenkingen die ik op die dag had gehad, de
161 III | en in mijn aderen voelde ik iets onbestemds wat je ertoe
162 III | schaduw onder de bomen en ik zag Celeste het kippenhok
163 III | overkant van de omheining. Ik trippelde op haar af, met
164 III | kippen in- en uitgaan, pakte ik haar in mijn armen en overdekte
165 III | gewend.~ Waarom liet ik haar zo plotseling los?
166 III | plotseling los? Waarom heb ik mij met een ruk omgedraaid?
167 III | ruk omgedraaid? Hoe heb ik gevoeld dat er iemand achter
168 III | verdween ze in de nacht.~ Ik liep beschaamd en bezorgd
169 III | een of andere misdaad.~ Ik sliep slecht, was uitermate
170 III | deprimerende gedachten. Ik meende gehuil te horen.
171 III | meende gehuil te horen. Ik had me vast vergist. Een
172 III | Een paar keer ook dacht ik dat er iemand door het huis
173 III | me eindelijk te pakken. Ik werd laat wakker en liet
174 III | zien, nog verward omdat ik niet wist wat voor houding
175 III | niet wist wat voor houding ik moest aannemen.~ Niemand
176 III | van het seizoen.~ Omdat ik die wilde wassen om ze op
177 III | ze op te frissen, vroeg ik het dienstmeisje mij een
178 III | om zich te wreken.~ Ik wilde ook kijken, in de
179 III | ook kijken, in de hoop dat ik meer zou zien, en ik boog
180 III | dat ik meer zou zien, en ik boog me over de rand. Vaag
181 III | me over de rand. Vaag zag ik iets wits. Maar wat was
182 III | Maar wat was dat? Toen kwam ik op het idee een lantaarn
183 III | riep: `Dat 's een paard, ik en heb den hoef gezien.
184 III | Maar plotseling begon ik te trillen als een espenblad.
185 III | trillen als een espenblad. Ik had een voet herkend, daarna
186 III | begon te dansen, stamelde ik: `Dat is een vrouw die...
187 III | die dode geborgen worden. Ik bond de knecht stevig om
188 III | heel langzaam, waarbij ik toekeek hoe hij in het duister
189 III | aarde leek te komen: `Stop.' Ik zag hem iets uit het water
190 III | riep weer: `Halen.'~ Ik haalde hem op, maar mijn
191 III | gebroken, al mijn spieren slap, ik was bang de zwengel los
192 III | putrand verscheen, vroeg ik: `En?' Alsof ik had verwacht
193 III | verscheen, vroeg ik: `En?' Alsof ik had verwacht dat hij nieuws
194 III | niet meer opdoken, legde ik haar met de stalknecht af.~
195 III | met de stalknecht af.~ Ik waste haar trieste, kapotte
196 III | het leven weg te komen. Ik verzorgde haar verwarde
197 III | verwarde haren zo goed als ik kon, en met handen die dat
198 III | niet gewend waren, schikte ik op haar voorhoofd een nieuw
199 III | en raar kapsel. Toen trok ik haar kletsnatte kleren uit,
200 III | kletsnatte kleren uit, waardoor ik met schaamte, alsof ik heiligschennis
201 III | waardoor ik met schaamte, alsof ik heiligschennis pleegde,
202 III | ontblootte.~ Toen ging ik bloemen plukken, klaprozen,
203 III | vers, geurend gras, waarmee ik haar doodsbed bedekte.~
204 III | bedekte.~ Toen moest ik de gebruikelijke formaliteiten
205 III | formaliteiten vervullen, omdat ik de enige was bij haar in
206 III | was bij haar in de buurt. Ik vond een brief in haar zak,
207 III | overledene te kijken, maar ik verhinderde dat ze naar
208 III | dat ze naar binnen gingen. Ik wilde alleen bij haar zijn
209 III | alleen bij haar zijn en ik waakte de hele nacht.~
210 III | waakte de hele nacht.~ Ik bekeek haar bij het kaarslicht,
211 III | mensen toch ongelukkig zijn! Ik voelde op dat menselijk
212 III | geen mensen waren?~ En ik begreep dat ze aan God geloofd
213 III | zongen in de bomen.~ Ik gooide het raam wijdopen,
214 III | gooide het raam wijdopen, ik schoof de gordijnen opzij
215 III | hele hemel ons zou zien, ik boog me over dat ijskoude
216 III | over dat ijskoude lijk, ik nam dat toegetakelde hoofd
217 III | en zonder walging, drukte ik een kus, een lange kus,
|