Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
ii 1
iii 1
ijskoude 2
ik 217
in 107
in- 1
inderdaad 2
Frequency    [«  »]
312 de
240 een
229 en
217 ik
166 van
161 het
159 haar
Guy de Maupassant
Miss Harriet

IntraText - Concordances

ik

    Part
1 Voor| vrolijk verhaal, dames, ik zal jullie de meest trieste 2 Voor| van mijn leven vertellen. Ik hoop mijn vrienden geenszins 3 I | I~    Ik was toen vijfentwintig en 4 I | was toen vijfentwintig en ik hing een beetje de kladschilder 5 I | kladschilder uithangen' bedoel ik dat zwerven met een rugzak, 6 I | de natuur te schilderen. Ik ken niets fijners dan dat 7 I | op neer moet kijken.~    Ik heb afspraakjes gekend in 8 I | van de hitte van de dag. Ik heb herinneringen aan grove 9 I | veerkrachtige en stevige huid, ik denk met spijt terug aan 10 I | dit jaar ook zijn, kwam ik op een avond in het dorpje 11 I | tussen Yport en Étretat. Ik kwam uit Fécamp, de kust 12 I | loodrecht in zee afdalen. Ik had al sinds de ochtend 13 I | van een vissersboot, had ik een gelukkige dag achter 14 I | dubbele rij beuken.~    Ik liet dus de krijtkust achter 15 I | gras bleven neerkomen.~    Ik vroeg: `Wel, mevrouw Lecacheur, 16 I | Verbaasd te bemerken dat ik haar naam kende, antwoordde 17 I | allemaal verhuurd. Maar ik wil wel eens zien wat of 18 I | wil wel eens zien wat of ik voor je doen kan.'~    Binnen 19 I | waren we het eens en zette ik mijn rugzak op de aangestampte 20 I | bazin, die weduwe was.~    Ik waste mijn handen en ging 21 I | momenteel wel reizigers?' vroeg ik haar.~    Ze antwoordde 22 I | sollen per dag verkreeg ik het recht om alleen te eten 23 I | dus gedekt voor de deur en ik viel aan op de magere ledematen 24 I | opsprongen, deed mij, waarom weet ik ook niet, aan een bokking 25 I | gastvrouw het had gehad.~    Ik zag haar die dag niet terug. 26 I | terug. De volgende dag had ik me net geïnstalleerd om 27 I | zitten schilderen, toen ik, plotseling mijn blik opslaand, 28 I | mij zag, verdween ze.~    Ik kwam 's middags terug om 29 I | middags terug om te eten en ik nam plaats aan de gemeenschappelijke 30 I | attenties. Koppig schonk ik haar water in, zeer nadrukkelijk 31 I | in, zeer nadrukkelijk gaf ik haar de schalen door. Een 32 I | zo zacht gemompeld dat ik het amper hoorde, waren 33 I | enige dankbetuigingen.~    Ik bekommerde mij niet verder 34 I | Na drie dagen wist ik over haar evenveel als mevrouw 35 I | inleiding tot die verklaring: `Ik hou van de Heer meer dan 36 I | Heer meer dan van wat ook, ik bewonder Hem in Zijn gehele 37 I | in Zijn gehele schepping, ik bewonder Hem in Zijn gehele 38 I | Hem in Zijn gehele natuur, ik draag Hem altijd in mijn 39 I | van de zondaar niet, en ik geloof dat zij iemand is 40 I | worden opgeborgen.~    Als ik er een in een hotel zag, 41 I | een in een hotel zag, ging ik ervandoor als een vogel 42 I | onweerstaanbaar komisch. Ik noemde haar zelf nog slechts ` 43 I | die twee lettergrepen, als ik haar zag.~    Aan moeder 44 I | Aan moeder Lecacheur vroeg ik: `Wel, wat doet onze demon 45 I | haar niet graag, zonder dat ik er achter kon komen waarom 46 I | natuur. Op een avond trof ik haar geknield in een struik. 47 I | geknield in een struik. Omdat ik iets roods door de bladeren 48 I | had zien schemeren, schoof ik de takken aan de kant, en 49 I | worden verrast.~    Soms, als ik aan het werk was tussen 50 I | was tussen de rotsen, zag ik haar plotseling aan de rand 51 I | gepurperd door vuur. Soms zag ik haar onder in een dal, snel 52 I | een Engelse, en dan ging ik op haar af, aangetrokken 53 I | vreugde.~    Vaak ook kwam ik haar ergens bij een boerderij 54 I | op oneindig.~    Want ook ik bleef hangen, verbonden 55 I | lieflijke landschappen. Ik voelde me lekker op die 56 I | mij bij moeder Lecacheur. Ik wilde zo graag een beetje 57 II | onalledaagse manier kennen. Ik was net klaar met een studie 58 II | onder de donkere hemel3.~    Ik was zo tevreden met mijn 59 II | tevreden met mijn werk dat ik begon te dansen toen ik 60 II | ik begon te dansen toen ik het terugbracht naar de 61 II | terugbracht naar de herberg. Ik wilde dat de hele wereld 62 II | hele wereld het meteen zag. Ik kan me nog herinneren dat 63 II | kan me nog herinneren dat ik het langs een pad aan een 64 II | niet vaak zien.'~    Toen ik voor het huis was aangekomen, 65 II | huis was aangekomen, riep ik moeder Lecacheur meteen 66 II | langs op het ogenblik dat ik mijn doek aan de herbergierster 67 II | kon er niet omheen, want ik zorgde ervoor de zaak zo 68 II | gegrepen, stomverbaasd. Ik denk dat het haar rots was, 69 II | nadruk en zo vleiend dat ik mij lachend tot haar wendde 70 II | aangrijpende wijze.'~    Ik werd verdorie rood, door 71 II | koningin afkomstig was geweest. Ik was verleid, veroverd, overwonnen. 72 II | verleid, veroverd, overwonnen. Ik had haar wel willen zoenen, 73 II | willen zoenen, erewoord!~    Ik ging naast haar aan tafel 74 II | haar gedachten aan: `O! Ik houd zo van de natuur!'~     75 II | houd zo van de natuur!'~    Ik bood haar brood, water, 76 II | gemummificeerd glimlachje. En ik begon weer over landschapschilderen.~     77 II | boven de zee ontstak, opende ik vervolgens het hek dat uitkwam 78 II | drukken.~    Ze mompelde: `O! Ik houd er zo van... ik houd 79 II | O! Ik houd er zo van... ik houd er zo van... wat houd 80 II | houd er zo van... wat houd ik er toch van...' Ik zag een 81 II | houd ik er toch van...' Ik zag een traan in haar oog. 82 II | haar oog. Ze vervolgde: `Ik wilde dat ik een vogeltje 83 II | vervolgde: `Ik wilde dat ik een vogeltje was om weg 84 II | bleef daar staan, zoals ik haar zo vaak had gezien, 85 II | haar purperen omslagdoek. Ik kreeg zin om haar in mijn 86 II | karikatuur van extase.~    Ik wendde me af om niet te 87 II | lachen.~    Vervolgens had ik het met haar over schilderkunst, 88 II | over schilderkunst, zoals ik dat gedaan zou hebben met 89 II | met een kameraad, waarbij ik toon, verzadiging en intensiteit 90 II | zei ze: `O! Dat begrijp ik, dat begrijp ik. Het is 91 II | begrijp ik, dat begrijp ik. Het is heel aangrijpend.'~     92 II | beklagenswaardige wezens, ik houd van jullie sinds ik 93 II | ik houd van jullie sinds ik die ene heb leren kennen!~     94 II | ene heb leren kennen!~    Ik merkte meteen dat ze me 95 II | had, maar niet durfde, en ik vermaakte me met haar verlegenheid. 96 II | met haar verlegenheid. Als ik 's morgens vertrok, met 97 II | moed bij elkaar en zei: `Ik zou graag zien hoe u schildert. 98 II | u schildert. Wilt u wel? Ik ben heel nieuwsgierig.' 99 II | woorden had uitgesproken.~    Ik nam haar mee in de Petit-Val, 100 II | mee in de Petit-Val, waar ik aan een grote studie begon.~     101 II | beslist niet toestaan dat ik die droeg, en ging naast 102 II | al zijn bewegingen. Als ik met een grote, plotseling 103 II | onthullen, en elke dag vond ik in mijn zakken, in mijn 104 II | zakken, in mijn hoed als ik die op de grond had laten 105 II | het paradijs ontving.~    Ik behandelde haar als een 106 II | hartelijke ongedwongenheid. Maar ik merkte al snel dat haar 107 II | veranderde. Aanvankelijk sloeg ik daar geen acht op.~    Als 108 II | daar geen acht op.~    Als ik werkte, of het nu was onder 109 II | of andere holle weg, zag ik haar plotseling verschijnen, 110 II | vallen. Maar langzaam zag ik haar dan weer haar normalere 111 II | onverklaarbaar vandoor dat ik me altijd afvroeg of ik 112 II | ik me altijd afvroeg of ik niets gedaan had wat haar 113 II | Ten slotte bedacht ik me dat dat haar normale 114 II | ze naar haar kamer om wat ik haar lampenglazen noemde 115 II | noemde te schikken, en als ik haar met ongedwongen hoffelijkheid, 116 II | bekijken bij het schilderen. Ik dacht: Vast een crisis, 117 II | over. Nu was het zo dat als ik het woord tot haar richtte, 118 II | ongeduldig, zenuwachtig. Ik zag haar nog slechts onder 119 II | spraken amper meer met elkaar. Ik dacht echt dat ik iets verkeerds 120 II | elkaar. Ik dacht echt dat ik iets verkeerds had gedaan 121 II | verkeerds had gedaan en ik vroeg haar op een avond: ` 122 II | niet meer als vroeger? Heb ik iets gedaan wat u misnoegen 123 II | grappige ondertoon van woede: `Ik ben met u altijd hetzelfde 124 II | aankijken. Sinds die tijd heb ik meer dan eens bij mezelf 125 II | misschien nog wat anders... weet ik veel! Weet ik veel?~ 126 II | anders... weet ik veel! Weet ik veel?~ 127 III | Al enige tijd werkte ik elke ochtend vanaf zonsopgang 128 III | verdorie best mooi.~    Ik werkte op het pad dat naar 129 III | Petit-Val bij Étretat voert. Ik had toevallig die ochtend 130 III | de stilhangende nevel die ik nodig had.~    Er dook iets 131 III | wilde ze wegvluchten. Maar ik riep haar en schreeuwde: ` 132 III | nou eens hier, juffrouw, ik heb hier een leuk schilderijtje 133 III | naderde, als met tegenzin. Ik liet haar mijn schets zien. 134 III | toch nog weerstand bieden. Ik sprong overeind, zelf ontroerd 135 III | ontroerd door dat verdriet dat ik niet begreep, en ik greep 136 III | dat ik niet begreep, en ik greep haar handen in een 137 III | seconden in de mijne en ik voelde ze trillen alsof 138 III | gezegd ze rukte ze los.~    Ik had haar herkend, die huivering, 139 III | huivering, want die had ik al eerder gevoeld, die zou 140 III | eerder gevoeld, die zou ik herkennen uit duizenden. 141 III | recht naar het hart dat ik nooit aarzel haar te begrijpen.~     142 III | trillen en ingestort. Dat wist ik. Ze ging ervandoor zonder 143 III | ging ervandoor zonder dat ik een woord geuit had, liet 144 III | en diep bedroefd alsof ik een misdaad had begaan.~     145 III | misdaad had begaan.~    Ik ging niet terug voor het 146 III | terug voor het middageten. Ik ging een tochtje maken langs 147 III | rand van het klif, omdat ik evenveel zin had om te huilen 148 III | als om te lachen, omdat ik het avontuur komisch en 149 III | om gek van te worden.~    Ik vroeg me af wat ik moest 150 III | Ik vroeg me af wat ik moest doen.~    Ik vond 151 III | af wat ik moest doen.~    Ik vond dat ik maar het beste 152 III | moest doen.~    Ik vond dat ik maar het beste kon vertrekken, 153 III | beste kon vertrekken, en ik nam daartoe ook meteen het 154 III | een beetje dromerig, kwam ik rond etenstijd terug.~     155 III | in haar gewone doen.~    Ik wachtte het eind van de 156 III | Wel, mevrouw Lecacheur, ik ga u binnenkort verlaten.'~     157 III | je gewend geraakt!'~    Ik keek uit mijn ooghoek naar 158 III | schoon, wat zeldzaam is. Ik gaf haar stiekem wel eens 159 III | de maaltijd liep af.~    Ik ging mijn pijp roken onder 160 III | Alle overdenkingen die ik op die dag had gehad, de 161 III | en in mijn aderen voelde ik iets onbestemds wat je ertoe 162 III | schaduw onder de bomen en ik zag Celeste het kippenhok 163 III | overkant van de omheining. Ik trippelde op haar af, met 164 III | kippen in- en uitgaan, pakte ik haar in mijn armen en overdekte 165 III | gewend.~    Waarom liet ik haar zo plotseling los? 166 III | plotseling los? Waarom heb ik mij met een ruk omgedraaid? 167 III | ruk omgedraaid? Hoe heb ik gevoeld dat er iemand achter 168 III | verdween ze in de nacht.~    Ik liep beschaamd en bezorgd 169 III | een of andere misdaad.~    Ik sliep slecht, was uitermate 170 III | deprimerende gedachten. Ik meende gehuil te horen. 171 III | meende gehuil te horen. Ik had me vast vergist. Een 172 III | Een paar keer ook dacht ik dat er iemand door het huis 173 III | me eindelijk te pakken. Ik werd laat wakker en liet 174 III | zien, nog verward omdat ik niet wist wat voor houding 175 III | niet wist wat voor houding ik moest aannemen.~    Niemand 176 III | van het seizoen.~    Omdat ik die wilde wassen om ze op 177 III | ze op te frissen, vroeg ik het dienstmeisje mij een 178 III | om zich te wreken.~    Ik wilde ook kijken, in de 179 III | ook kijken, in de hoop dat ik meer zou zien, en ik boog 180 III | dat ik meer zou zien, en ik boog me over de rand. Vaag 181 III | me over de rand. Vaag zag ik iets wits. Maar wat was 182 III | Maar wat was dat? Toen kwam ik op het idee een lantaarn 183 III | riep: `Dat 's een paard, ik en heb den hoef gezien. 184 III | Maar plotseling begon ik te trillen als een espenblad. 185 III | trillen als een espenblad. Ik had een voet herkend, daarna 186 III | begon te dansen, stamelde ik: `Dat is een vrouw die... 187 III | die dode geborgen worden. Ik bond de knecht stevig om 188 III | heel langzaam, waarbij ik toekeek hoe hij in het duister 189 III | aarde leek te komen: `Stop.' Ik zag hem iets uit het water 190 III | riep weer: `Halen.'~    Ik haalde hem op, maar mijn 191 III | gebroken, al mijn spieren slap, ik was bang de zwengel los 192 III | putrand verscheen, vroeg ik: `En?' Alsof ik had verwacht 193 III | verscheen, vroeg ik: `En?' Alsof ik had verwacht dat hij nieuws 194 III | niet meer opdoken, legde ik haar met de stalknecht af.~     195 III | met de stalknecht af.~    Ik waste haar trieste, kapotte 196 III | het leven weg te komen. Ik verzorgde haar verwarde 197 III | verwarde haren zo goed als ik kon, en met handen die dat 198 III | niet gewend waren, schikte ik op haar voorhoofd een nieuw 199 III | en raar kapsel. Toen trok ik haar kletsnatte kleren uit, 200 III | kletsnatte kleren uit, waardoor ik met schaamte, alsof ik heiligschennis 201 III | waardoor ik met schaamte, alsof ik heiligschennis pleegde, 202 III | ontblootte.~    Toen ging ik bloemen plukken, klaprozen, 203 III | vers, geurend gras, waarmee ik haar doodsbed bedekte.~     204 III | bedekte.~    Toen moest ik de gebruikelijke formaliteiten 205 III | formaliteiten vervullen, omdat ik de enige was bij haar in 206 III | was bij haar in de buurt. Ik vond een brief in haar zak, 207 III | overledene te kijken, maar ik verhinderde dat ze naar 208 III | dat ze naar binnen gingen. Ik wilde alleen bij haar zijn 209 III | alleen bij haar zijn en ik waakte de hele nacht.~     210 III | waakte de hele nacht.~    Ik bekeek haar bij het kaarslicht, 211 III | mensen toch ongelukkig zijn! Ik voelde op dat menselijk 212 III | geen mensen waren?~    En ik begreep dat ze aan God geloofd 213 III | zongen in de bomen.~    Ik gooide het raam wijdopen, 214 III | gooide het raam wijdopen, ik schoof de gordijnen opzij 215 III | hele hemel ons zou zien, ik boog me over dat ijskoude 216 III | over dat ijskoude lijk, ik nam dat toegetakelde hoofd 217 III | en zonder walging, drukte ik een kus, een lange kus,


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License