bold = Main text
Part grey = Comment text
1 Voor | de aanbrekende dag.~ Het was herfst. Aan beide zijden
2 Voor | tot minuut helderder, leek het platteland te ontwaken,
3 Voor | wijzend op een klaverveld. Het dier schoot weg, vrijwel
4 Voor | weg, vrijwel verborgen in het veld, en toonde alleen zijn
5 Voor | oren, maar daarna sprong het weg over een geploegde akker,
6 Voor | de te nemen weg, waarna het met grote sprongen van zijn
7 Voor(1)| Maupassant toegevoegd aan het manuscript, toen hij dat
8 I | ander richtsnoer dan wat het oog behaagt. Je blijft staan
9 I | je heeft getroffen, omdat het voor de deur van een logementhouder
10 I | aardappelen rook. Soms is het de geur van clematis die
11 I | die die keuze bepaalt, of het naïeve lonken van een dienstertje
12 I | de koeien slapen, en op het stro van zolders die nog
13 I | avontuurlijke tochten, dat is het platteland, de bossen, de
14 I | zonlicht, zie je in de verte het dorpje met zijn puntige
15 I | neus bevochtigt, je drinkt het met lijfelijk genoegen,
16 I | onder een maan die langs het firmament trekt, denk je
17 I | kwam ik op een avond in het dorpje Bénouville, op de
18 I | weer voor de groene zee, het bruine zeil van een vissersboot,
19 I | achter me en begaf me naar het groepje gebouwen, omgeven
20 I | een soort wantrouwen.~ Het was mei, de bloeiende appelaars
21 I | bloeiende appelaars overdekten het erf met een dak van geurende
22 I | die maar op de mensen en het gras bleven neerkomen.~
23 I | Binnen vijf minuten waren we het eens en zette ik mijn rugzak
24 I | een tafel en een waskom. Het kwam uit op de keuken, groot,
25 I | hun maaltijd gebruiken met het personeel van de boerderij
26 I | De oude vrouw was voor het avondeten een kip aan het
27 I | het avondeten een kip aan het stoven in haar grote open
28 I | sollen per dag verkreeg ik het recht om alleen te eten
29 I | recht om alleen te eten op het erf als het mooi weer mocht
30 I | alleen te eten op het erf als het mooi weer mocht zijn.~
31 I | verrukkelijk.~ Plotseling ging het houten hek aan de weg open,
32 I | een vreemde figuur liep op het huis af. Ze was broodmager,
33 I | voorbij en verdween onder het rietdak.~ Die vreemde
34 I | over wie onze gastvrouw het had gehad.~ Ik zag haar
35 I | aan de helling zag staan, het leek wel een mast met vlaggetjes.
36 I | Een lichte beweging met het hoofd, amper merkbaar, en
37 I | zo zacht gemompeld dat ik het amper hoorde, waren haar
38 I | haar brochures, bedoeld om het universum te bekeren.~
39 I | universum te bekeren.~ In het dorp was ze volstrekt niet
40 I | voor de lippen was gekomen, het resultaat van een of andere
41 I | schepte een vreemd genoegen in het hardop uitspreken van die
42 I | ze aanstoot nam: `Je zult het niet geloven willen, meneer,
43 I | verband aangelegen gelijk het een mens waar. Als dat geen
44 I | toen ze aan de voet van het klif wandelde, een grote
45 I | bozer dan wanneer ze hem het geld uit de zak had geklopt.
46 I | Als die arme oude vrijster het geweten had?~ Het dienstmeisje
47 I | vrijster het geweten had?~ Het dienstmeisje Celeste bediende
48 I | zwierf de hele tijd over het platteland, zocht en bewonderde
49 I | verrast.~ Soms, als ik aan het werk was tussen de rotsen,
50 I | plotseling aan de rand van het klif, als het schijnsel
51 I | de rand van het klif, als het schijnsel van een vuurtoren.
52 I | verguld door licht, en het grote uitspansel, gepurperd
53 I | boerderij tegen, zittend in het gras, in de schaduw van
54 I | bemesten. En misschien, wie zal het zeggen, hield ook iets van
55 II | gele en rode wieren, waar het zonlicht als olie overheen
56 II | olie overheen stroomde. Het licht viel, zonder dat je
57 II | licht viel, zonder dat je het hemellichaam zag, want dat
58 II | vergulde die met vuur. Dat was het. Een door ontvlamde helderheid
59 II | begon te dansen toen ik het terugbracht naar de herberg.
60 II | wilde dat de hele wereld het meteen zag. Ik kan me nog
61 II | me nog herinneren dat ik het langs een pad aan een koe
62 II | zien.'~ Toen ik voor het huis was aangekomen, riep
63 II | net achter mij langs op het ogenblik dat ik mijn doek
64 II | zaak zo te presenteren dat het niet aan haar blik kon ontsnappen.
65 II | stomverbaasd. Ik denk dat het haar rots was, waar ze opklom
66 II | meer getroffen dan wanneer het van een koningin afkomstig
67 II | zitten, zoals altijd. Voor het eerst begon ze te praten,
68 II | landschapschilderen.~ Na het eten waren we tegelijk opgestaan
69 II | maakten een wandelingetje over het erf. Ongetwijfeld aangetrokken
70 II | ontstak, opende ik vervolgens het hek dat uitkwam op het klif,
71 II | vervolgens het hek dat uitkwam op het klif, en daar gingen we,
72 II | begrijpen en doorgronden.~ Het was een luwe, loom makende
73 II | lucht van zeewier, streelt het reukvermogen met haar wilde
74 II | haar wilde parfum, streelt het gehemelte met haar zilte
75 II | ver weg, aan de grens van het blikveld, tekende een driemaster
76 II | dalen. En al snel raakte hij het water, pal achter het roerloze
77 II | hij het water, pal achter het roerloze schip dat nu in
78 II | verslonden door de oceaan. Je zag het zakken, kleiner worden,
79 II | kleiner worden, verdwijnen. Het was voorbij. Alleen nog
80 II | was voorbij. Alleen nog het bootje toonde zijn profiel,
81 II | met hartstochtelijke blik het schitterend einde van de
82 II | was om weg te vliegen in het firmament.'~ Ze bleef
83 II | had gezien, kaarsrecht op het klif, rood ook in haar purperen
84 II | lachen.~ Vervolgens had ik het met haar over schilderkunst,
85 II | begrijp ik, dat begrijp ik. Het is heel aangrijpend.'~
86 II | waren meteen bevriend.~ Het was een vreemd schepsel,
87 II | in enthousiasme afging. Het ontbrak haar aan evenwicht,
88 II | En inderdaad greep het zien van een zogende teef,
89 II | zij mij tot de rand van het dorp, stilzwijgend, duidelijk
90 II | ging ervandoor.~ Maar het duurde niet lang of ze werd
91 II | zitten, volgde met haar blik het uiteinde van mijn penseel
92 II | een grote, plotseling met het paletmes opgebrachte kleurvlek,
93 II | weergave van een stukje van het goddelijk werk. Mijn studies
94 II | kunnen voorkomen.~ Zij kon het trouwens uitstekend met
95 II | ongetwijfeld rechtstreeks uit het paradijs ontving.~ Ik
96 II | op.~ Als ik werkte, of het nu was onder in mijn dal,
97 II | een aardkleur en leek op het punt flauw te vallen. Maar
98 II | niet langer bekijken bij het schilderen. Ik dacht: Vast
99 II | crisis, gaat wel over. Maar het ging helemaal niet over.
100 II | helemaal niet over. Nu was het zo dat als ik het woord
101 II | Nu was het zo dat als ik het woord tot haar richtte,
102 II | zag haar nog slechts onder het eten en we spraken amper
103 II | misnoegen heeft gewekt? Het baart me zorgen u zo te
104 II | niet verwerkelijkt was en het ook nooit zou worden! En
105 II | ook nooit zou worden! En het leek mij dat er in haar
106 II(3) | Dit is herkenbaar Het klif bij Étretat na onweer
107 III | III~ Het was echt een vreemde onthulling.~
108 III | zonsopgang aan een schilderij dat het volgende voorstelde.~
109 III | bomen, strekte zich uit tot het verloren ging, verdronk
110 III | stevig omhelsd, zij met het hoofd naar hem opgeheven,
111 III | best mooi.~ Ik werkte op het pad dat naar de Petit-Val
112 III | Er dook iets voor me op, het leek wel een spook, maar
113 III | leek wel een spook, maar het was miss Harriet. Toen ze
114 III | vijftig is, of ze nu van het volk of van de grote wereld
115 III | is, gaat me zo recht naar het hart dat ik nooit aarzel
116 III | Ik ging niet terug voor het middageten. Ik ging een
117 III | maken langs de rand van het klif, omdat ik evenveel
118 III | als om te lachen, omdat ik het avontuur komisch en betreurenswaardig
119 III | Ik vond dat ik maar het beste kon vertrekken, en
120 III | ik nam daartoe ook meteen het besluit.~ Na te hebben
121 III | hebben rondgezworven tot het avondeten, een beetje verdrietig,
122 III | gewone doen.~ Ik wachtte het eind van de maaltijd af,
123 III | vertoond. Maar Celeste, het dienstmeisje, sloeg de ogen
124 III | en liep heen en weer over het erf, van de ene kant naar
125 III | misschien ook die blik die het dienstmeisje op mij had
126 III | nu een vrolijk gevoel in het lijf, een prikkeling van
127 III | bomen en ik zag Celeste het kippenhok afsluiten, aan
128 III | toen ze overeind kwam, na het luikje te hebben neergelaten
129 III | iemand achter mij stond?~ Het was miss Harriet die naar
130 III | wanneer ze me had betrapt op het begaan van een of andere
131 III | dacht ik dat er iemand door het huis liep en dat de buitendeur
132 III | wakker en liet me pas bij het middageten zien, nog verward
133 III | begonnen in stilte te eten.~ Het was warm, vreselijk warm,
134 III | was warm, vreselijk warm, het was zo'n branderige, zware
135 III | ons neer, de eerste van het seizoen.~ Omdat ik die
136 III | op te frissen, vroeg ik het dienstmeisje mij een emmer
137 III | droog was gevallen. Ze had het hele touw laten vieren en
138 III | wel eens zien en ging in het gat kijken. Toen ze terugkwam,
139 III | was dat? Toen kwam ik op het idee een lantaarn aan een
140 III | een touw neer te laten. Het gele licht danste tegen
141 III | daarna een gestrekt been. Het hele bovenlijf en het andere
142 III | been. Het hele bovenlijf en het andere been waren onder
143 III | waarbij ik toekeek hoe hij in het duister verdween. Hij had
144 III | klonk zijn stem, die uit het binnenste van de aarde leek
145 III | Stop.' Ik zag hem iets uit het water vissen, het andere
146 III | iets uit het water vissen, het andere been, vervolgens
147 III | opening gebogen, begonnen we het lijk op te trekken.~
148 III | verborgen achter de muur van het huis. Toen ze de zwarte
149 III | arme en kuise vrijster. Het hoofd was vreselijk, zwart
150 III | ontrold, hingen te druipen van het slijk. De Geniesoldaat verkondigde
151 III | die schijnt van achter het leven weg te komen. Ik verzorgde
152 III | een brief in haar zak, op het laatste moment geschreven,
153 III | laatste moment geschreven, met het verzoek te worden begraven
154 III | verzoek te worden begraven in het dorp waar ze haar laatste
155 III | vreselijke gedachte beklemde mij het hart. Was dat niet om mij
156 III | Ik bekeek haar bij het kaarslicht, die ongelukkige
157 III | natuur gericht! Voor haar was het afgelopen, wellicht zonder
158 III | alle levende wezens, zolang het maar geen mensen waren?~
159 III | een rode straal tot aan het bed, legde een staaf van
160 III | over haar handen. Dit was het uur dat ze zo beminde. De
161 III | de bomen.~ Ik gooide het raam wijdopen, ik schoof
|