Part
1 Voor| bed stapt, te ontdoen van haar hemd van witte damp.~
2 Voor| tegen de slaap vocht, om haar op gedempte toon toe te
3 Voor| Vervolgens schudde ze haar versuffing van zich af en
4 I | bent helemaal alleen met haar bij die langdurige, van
5 I | recht als een muur, met haar uitstekende krijtrotsen
6 I | die de witte kromming van haar vleugels door de blauwe
7 I | Verbaasd te bemerken dat ik haar naam kende, antwoordde zij: `
8 I | een kip aan het stoven in haar grote open haard met daarin
9 I | wel reizigers?' vroeg ik haar.~ Ze antwoordde op haar
10 I | haar.~ Ze antwoordde op haar ontevreden toon: `M'n hebben
11 I | lange hand ter hoogte van haar dijen had zien verschijnen,
12 I | parasol voor toeristen. Haar gelaat, als van een mummie,
13 I | pijpenkrullen, die bij elk van haar stappen opsprongen, deed
14 I | papillotten denken. Ze sloeg haar ogen neer, liep snel aan
15 I | het had gehad.~ Ik zag haar die dag niet terug. De volgende
16 I | attenties. Koppig schonk ik haar water in, zeer nadrukkelijk
17 I | zeer nadrukkelijk gaf ik haar de schalen door. Een lichte
18 I | het amper hoorde, waren haar enige dankbetuigingen.~
19 I | bekommerde mij niet verder om haar, al bleef ze me door de
20 I | drie dagen wist ik over haar evenveel als mevrouw Lecacheur
21 I | verblufte boerin dan een van haar brochures, bedoeld om het
22 I | een soort veroordeling op haar. De pastoor, geraadpleegd
23 I | Engelse rijk was en dat zij haar leven had doorgebracht door
24 I | wereld te bereizen, omdat haar familie haar had verjaagd.
25 I | bereizen, omdat haar familie haar had verjaagd. Waarom had
26 I | had verjaagd. Waarom had haar familie haar verjaagd? Vanwege
27 I | Waarom had haar familie haar verjaagd? Vanwege haar goddeloosheid
28 I | familie haar verjaagd? Vanwege haar goddeloosheid natuurlijk.~
29 I | des boers was, voelde in haar beperkte geest een soort
30 I | een term gevonden om op haar te plakken, natuurlijk een
31 I | natuurlijk een neerbuigende, die haar op een of andere manier
32 I | onweerstaanbaar komisch. Ik noemde haar zelf nog slechts `de demon',
33 I | twee lettergrepen, als ik haar zag.~ Aan moeder Lecacheur
34 I | weliswaar goed betaald was, had haar de huid vol gescholden,
35 I | geniale ingeving gehad toen ze haar zo doopte.~ De stalknecht,
36 I | dienstmeisje Celeste bediende haar niet graag, zonder dat ik
37 I | natuur. Op een avond trof ik haar geknield in een struik.
38 I | waargenomen, richtte op mij haar verschrikte blikken als
39 I | tussen de rotsen, zag ik haar plotseling aan de rand van
40 I | gepurperd door vuur. Soms zag ik haar onder in een dal, snel lopend,
41 I | Engelse, en dan ging ik op haar af, aangetrokken door iets
42 I | door iets vaags, slechts om haar mystiek verlichte gezicht
43 I | verlichte gezicht te zien, haar magere, onbeschrijflijke
44 I | vreugde.~ Vaak ook kwam ik haar ergens bij een boerderij
45 I | schaduw van een appelaar, met haar bijbeltje open op schoot
46 I | bijbeltje open op schoot en haar blik op oneindig.~ Want
47 I | duizend banden van liefde voor haar weidse en lieflijke landschappen.
48 II | pad aan een koe toonde, en haar toeriep: `Moet je dit eens
49 II | en bekeek mijn werk met haar stomme blik die niets onderscheidde,
50 II | presenteren dat het niet aan haar blik kon ontsnappen. Ze
51 II | stomverbaasd. Ik denk dat het haar rots was, waar ze opklom
52 II | was, waar ze opklom om op haar gemak te kunnen dromen.~
53 II | vleiend dat ik mij lachend tot haar wendde en zei: `Dit is mijn
54 II | veroverd, overwonnen. Ik had haar wel willen zoenen, erewoord!~
55 II | erewoord!~ Ik ging naast haar aan tafel zitten, zoals
56 II | praten, en vulde hardop haar gedachten aan: `O! Ik houd
57 II | de natuur!'~ Ik bood haar brood, water, wijn aan.
58 II | streelt het reukvermogen met haar wilde parfum, streelt het
59 II | streelt het gehemelte met haar zilte smaak, streelt de
60 II | smaak, streelt de geest met haar doordringende mildheid.
61 II | die honderd meter lager haar golfjes aandroeg. En we
62 II | lange kus der baren.~ Met haar geruite omslagdoek strak
63 II | een geïnspireerde blik en haar tanden in de wind, keek
64 II | langs en ontrolde daarbij haar rook die achter haar een
65 II | daarbij haar rook die achter haar een eindeloze wolk veroorzaakte,
66 II | zee, de hele horizon aan haar hart te drukken.~ Ze
67 II | Ik zag een traan in haar oog. Ze vervolgde: `Ik wilde
68 II | bleef daar staan, zoals ik haar zo vaak had gezien, kaarsrecht
69 II | op het klif, rood ook in haar purperen omslagdoek. Ik
70 II | omslagdoek. Ik kreeg zin om haar in mijn schetsboek te vereeuwigen.
71 II | Vervolgens had ik het met haar over schilderkunst, zoals
72 II | enthousiasme afging. Het ontbrak haar aan evenwicht, zoals al
73 II | onschuld, maar ze had in haar hart iets heel jongs en
74 II | van een merrie die met haar veulen tussen de benen door
75 II | een helemaal kaal lijf, haar met overdreven ontroering
76 II | en ik vermaakte me met haar verlegenheid. Als ik 's
77 II | ging er snel vandoor, met haar huppelende pas.~ Eindelijk,
78 II | op een dag, raapte zij haar moed bij elkaar en zei: `
79 II | uitgesproken.~ Ik nam haar mee in de Petit-Val, waar
80 II | genoegen te vergezellen. Ze had haar vouwstoel onder de arm,
81 II | stilzwijgend zitten, volgde met haar blik het uiteinde van mijn
82 II | Mijn studies kwamen op haar over als een soort schilderijen
83 II | mij te bekeren.~ Wel, haar Here God was een grappig
84 II | hemelse bedoelingen die zij haar best deed mij te onthullen,
85 II | ontving.~ Ik behandelde haar als een oude vriendin, met
86 II | Maar ik merkte al snel dat haar houding een beetje veranderde.
87 II | andere holle weg, zag ik haar plotseling verschijnen,
88 II | dan kwam ze er aan met haar snelle, ritmische pas. Ze
89 II | andere diepe ontroering haar verontrustte. Ze was knalrood,
90 II | vallen. Maar langzaam zag ik haar dan weer haar normalere
91 II | langzaam zag ik haar dan weer haar normalere uiterlijk herkrijgen
92 II | ik niets gedaan had wat haar tegenstond of gekwetst had.~
93 II | slotte bedacht ik me dat dat haar normale doen moest zijn,
94 II | huiswaarts keerde, waren haar lange haren, tot spiralen
95 II | was gebroken. Vroeger kon haar dat niets schelen, en ze
96 II | schaamteloos mee aan tafel, haar haren verward door haar
97 II | haar haren verward door haar zuster, de zeewind.~
98 II | zeewind.~ Nu ging ze naar haar kamer om wat ik haar lampenglazen
99 II | naar haar kamer om wat ik haar lampenglazen noemde te schikken,
100 II | noemde te schikken, en als ik haar met ongedwongen hoffelijkheid,
101 II | ongedwongen hoffelijkheid, die haar altijd choqueerde, zei: `
102 II | ster, miss Harriet', steeg haar meteen wat bloed naar de
103 II | dat als ik het woord tot haar richtte, zij mij antwoordde,
104 II | ongeduldig, zenuwachtig. Ik zag haar nog slechts onder het eten
105 II | verkeerds had gedaan en ik vroeg haar op een avond: `Miss Harriet,
106 II | rende naar boven om zich in haar kamer op te sluiten.~
107 II | aangekondigd krijgen. Er lag in haar blik een soort waanzin,
108 II | En het leek mij dat er in haar ook een strijd plaatsgreep,
109 II | strijd plaatsgreep, waarin haar hart vocht tegen een onbekende
110 III | hem opgeheven, hij naar haar toe gebogen, en mond op
111 III | wegvluchten. Maar ik riep haar en schreeuwde: `Kom nou,
112 III | als met tegenzin. Ik liet haar mijn schets zien. Ze zei
113 III | niet begreep, en ik greep haar handen in een gebaar van
114 III | kan nadenken.~ Ze liet haar handen een paar seconden
115 III | voelde ze trillen alsof al haar zenuwen verkrampt waren.
116 III | rukte ze los.~ Ik had haar herkend, die huivering,
117 III | hart dat ik nooit aarzel haar te begrijpen.~ Haar hele
118 III | aarzel haar te begrijpen.~ Haar hele arme wezentje was gaan
119 III | slaan. Voor de rest had ze haar gewone gezicht en was in
120 III | gewone gezicht en was in haar gewone doen.~ Ik wachtte
121 III | verrast en teleurgesteld, op haar lijzige toon: `Wat zeg je
122 III | ooghoek naar miss Harriet, haar uiterlijk had geen spoor
123 III | wat zeldzaam is. Ik gaf haar stiekem wel eens een kusje,
124 III | omheining. Ik trippelde op haar af, met zo lichte pas dat
125 III | in- en uitgaan, pakte ik haar in mijn armen en overdekte
126 III | mijn armen en overdekte haar brede, mollige gestalte
127 III | gewend.~ Waarom liet ik haar zo plotseling los? Waarom
128 III | binnen, wanhopiger zo door haar te zijn verrast dan wanneer
129 III | Harriet gezien. We wachtten op haar, maar ze verscheen niet.
130 III | Moeder Lecacheur ging naar haar kamer, de Engelse was weg.
131 III | dat ze inderdaad iets in haar put had gezien, iets wat
132 III | nieuws kwam brengen van haar die daar onderin lag.~
133 III | De Geniesoldaat pakte haar bij de enkels en we trokken
134 III | de enkels en we trokken haar daar in de meest oneerbare
135 III | vreselijk, zwart en kapot, en haar lange grijze haren, helemaal
136 III | is mager!'~ We droegen haar naar haar kamer en omdat
137 III | We droegen haar naar haar kamer en omdat de beide
138 III | niet meer opdoken, legde ik haar met de stalknecht af.~
139 III | stalknecht af.~ Ik waste haar trieste, kapotte gezicht.
140 III | weg te komen. Ik verzorgde haar verwarde haren zo goed als
141 III | gewend waren, schikte ik op haar voorhoofd een nieuw en raar
142 III | raar kapsel. Toen trok ik haar kletsnatte kleren uit, waardoor
143 III | heiligschennis pleegde, haar schouders, haar borst en
144 III | pleegde, haar schouders, haar borst en haar lange armen,
145 III | schouders, haar borst en haar lange armen, mager als takken,
146 III | geurend gras, waarmee ik haar doodsbed bedekte.~ Toen
147 III | omdat ik de enige was bij haar in de buurt. Ik vond een
148 III | buurt. Ik vond een brief in haar zak, op het laatste moment
149 III | begraven in het dorp waar ze haar laatste dagen had doorgebracht.
150 III | gingen. Ik wilde alleen bij haar zijn en ik waakte de hele
151 III | hele nacht.~ Ik bekeek haar bij het kaarslicht, die
152 III | familieleden achter? Hoe waren haar jeugd en haar leven geweest?
153 III | Hoe waren haar jeugd en haar leven geweest? Waar kwam
154 III | lijf, in dat lijf dat zij haar hele bestaan als een beschamende
155 III | genadeloze natuur gericht! Voor haar was het afgelopen, wellicht
156 III | ze dus op compensatie van haar ongeluk had gehoopt. Nu
157 III | ontbinding overgaan en op haar beurt plant worden. Ze zou
158 III | Ze leed niet meer. Ze had haar leven verruild voor de andere
159 III | vuur over de lakens en over haar handen. Dit was het uur
|