Part
1 Voor| drie heren, van wie één op de bok naast de koetsier,
2 Voor| Eindelijk kwam de zon voor ons op, geheel rood aan de rand
3 Voor| graaf van Étraille, die op de achterbank zat, riep: `
4 Voor| naar links uit, wijzend op een klaverveld. Het dier
5 Voor| bleef weer staan, ongerust, op elk gevaar gespitst, besluiteloos
6 Voor| de slaap vocht, om haar op gedempte toon toe te voegen: `
7 Voor| zeer sterk, zeer trots op zijn lijf en zeer bemind
8 I | fijners dan dat leven van op goed geluk rondzwerven.
9 I | kostbare zaken dat je er nooit op neer moet kijken.~ Ik
10 I | waar de koeien slapen, en op het stro van zolders die
11 I | herinneringen aan grove grijze stof op veerkrachtige en stevige
12 I | alsof je de bron kuste, mond op mond. Soms, als je een diepte
13 I | ijskoude en zalige streling op je huid, de huivering van
14 I | Je wordt blij als je op een heuvel staat, melancholisch
15 I | bijzondere dingen die niet bij je op zouden komen in de brandende
16 I | dit jaar ook zijn, kwam ik op een avond in het dorpje
17 I | in het dorpje Bénouville, op de krijtkust, tussen Yport
18 I | door een boerin, midden op een Normandisch erf, omgeven
19 I | bloemblaadjes, die maar op de mensen en het gras bleven
20 I | en zette ik mijn rugzak op de aangestampte vloer van
21 I | een waskom. Het kwam uit op de keuken, groot, rokerig,
22 I | haar.~ Ze antwoordde op haar ontevreden toon: `M'
23 I | recht om alleen te eten op het erf als het mooi weer
24 I | voor de deur en ik viel aan op de magere ledematen van
25 I | een vreemde figuur liep op het huis af. Ze was broodmager,
26 I | verschijning vrolijkte me op, dat was vast mijn buurvrouw,
27 I | Maar ze reageerde niet op mijn beleefdheden, was zelfs
28 I | anderhalve maand eerder op Bénouville gestuit en leek
29 I | er een soort veroordeling op haar. De pastoor, geraadpleegd
30 I | die een vogelverschrikker op een akker ziet staan.~
31 I | had een term gevonden om op haar te plakken, natuurlijk
32 I | een neerbuigende, die haar op een of andere manier voor
33 I | En dat woord, geplakt op dat strenge en gevoelige
34 I | hield er een andere mening op na. Hij zei met een knipoog: `
35 I | bewonderde God in de natuur. Op een avond trof ik haar geknield
36 I | zijn waargenomen, richtte op mij haar verschrikte blikken
37 I | als die van bosuilen die op klaarlichte dag worden verrast.~
38 I | Engelse, en dan ging ik op haar af, aangetrokken door
39 I | met haar bijbeltje open op schoot en haar blik op oneindig.~
40 I | open op schoot en haar blik op oneindig.~ Want ook ik
41 I | landschappen. Ik voelde me lekker op die vergeten boerderij,
42 I | groene aarde die wij zelf op een dag met ons lichaam
43 II | II~ Wij leerden elkaar op een onalledaagse manier
44 II | was achter mij verborgen, op de steen en vergulde die
45 II | liep net achter mij langs op het ogenblik dat ik mijn
46 II | rots was, waar ze opklom om op haar gemak te kunnen dromen.~
47 II | meneer, u begrijpt de natuur op zo'n aangrijpende wijze.'~
48 II | vervolgens het hek dat uitkwam op het klif, en daar gingen
49 II | vaak had gezien, kaarsrecht op het klif, rood ook in haar
50 II | direct met uitgestoken hand op me af. En we waren meteen
51 II | zoals al die vrouwen die op hun vijftigste nog ongetrouwd
52 II | vertrok, met mijn schilderkist op de rug, vergezelde zij mij
53 II | stilzwijgend, duidelijk nerveus en op zoek naar woorden om een
54 II | huppelende pas.~ Eindelijk, op een dag, raapte zij haar
55 II | werk. Mijn studies kwamen op haar over als een soort
56 II | in mijn hoed als ik die op de grond had laten liggen,
57 II | sloeg ik daar geen acht op.~ Als ik werkte, of het
58 II | van een aardkleur en leek op het punt flauw te vallen.
59 II | midden in een zin, stond op en ging er zo snel en zo
60 II | gedaan en ik vroeg haar op een avond: `Miss Harriet,
61 II | boven om zich in haar kamer op te sluiten.~ Ze kon me
62 II | te sluiten.~ Ze kon me op een hele rare manier aankijken.
63 III | haar toe gebogen, en mond op mond.~ Een eerste zonnestraal
64 III | best mooi.~ Ik werkte op het pad dat naar de Petit-Val
65 III | Er dook iets voor me op, het leek wel een spook,
66 III | spreken noch de blikken op te slaan. Voor de rest had
67 III | verrast en teleurgesteld, op haar lijzige toon: `Wat
68 III | sloeg de ogen naar mij op. Zij was een stevige meid
69 III | Alle overdenkingen die ik op die dag had gehad, de vreemde
70 III | blik die het dienstmeisje op mij had gericht bij de aankondiging
71 III | een prikkeling van zoenen op lippen, en in mijn aderen
72 III | omheining. Ik trippelde op haar af, met zo lichte pas
73 III | wanneer ze me had betrapt op het begaan van een of andere
74 III | Harriet gezien. We wachtten op haar, maar ze verscheen
75 III | ik die wilde wassen om ze op te frissen, vroeg ik het
76 III | wat was dat? Toen kwam ik op het idee een lantaarn aan
77 III | Halen.'~ Ik haalde hem op, maar mijn armen waren als
78 III | klommen met zijn tweeën op de stenen rand en tegenover
79 III | gebogen, begonnen we het lijk op te trekken.~ Moeder Lecacheur
80 III | Geniesoldaat verkondigde op minachtende toon: `Nonde,
81 III | gewend waren, schikte ik op haar voorhoofd een nieuw
82 III | vond een brief in haar zak, op het laatste moment geschreven,
83 III | ongelukkig zijn! Ik voelde op dat menselijk schepsel de
84 III | ook de meest wanhopige nog op de been houdt, de hoop ooit
85 III | zij wel, en dat ze dus op compensatie van haar ongeluk
86 III | tot ontbinding overgaan en op haar beurt plant worden.
87 III | een kus, een lange kus, op die lippen die er nooit
88 III | vrouwen weenden. Je hoorde op de bok de graaf van Étraille
|