Part
1 Voor| aanbrekende dag.~ Het was herfst. Aan beide zijden
2 Voor| zijn lijf en zeer bemind was geweest, nam zijn lange
3 I | I~ Ik was toen vijfentwintig en ik
4 I | moeder Lecacheur.~ Dat was een oude boerin, gerimpeld,
5 I | soort wantrouwen.~ Het was mei, de bloeiende appelaars
6 I | en de bazin, die weduwe was.~ Ik waste mijn handen
7 I | naar buiten. De oude vrouw was voor het avondeten een kip
8 I | kauwend, dat vier dagen oud was, maar verrukkelijk.~
9 I | liep op het huis af. Ze was broodmager, heel groot,
10 I | verschijning vrolijkte me op, dat was vast mijn buurvrouw, die
11 I | mast met vlaggetjes. Dat was zij. Toen ze mij zag, verdween
12 I | niet op mijn beleefdheden, was zelfs ongevoelig voor mijn
13 I | de zomer door te brengen, was ze anderhalve maand eerder
14 I | bekeren.~ In het dorp was ze volstrekt niet geliefd.
15 I | vanuit dat de Engelse rijk was en dat zij haar leven had
16 I | natuurlijk.~ In werkelijkheid was zij zo'n figuur die warm
17 I | alles wat niet des boers was, voelde in haar beperkte
18 I | andere manier voor de lippen was gekomen, het resultaat van
19 I | grote vis gekocht die net was gevangen, alleen om hem
20 I | die weliswaar goed betaald was, had haar de huid vol gescholden,
21 I | onschuld te tonen. Welzeker, ze was vast demonisch, miss Harriet,
22 I | alleen maar omdat ze vreemd was, van een ander slag, van
23 I | andere godsdienst. Kortom, ze was demonisch!~ Ze zwierf
24 I | Soms, als ik aan het werk was tussen de rotsen, zag ik
25 II | onalledaagse manier kennen. Ik was net klaar met een studie
26 II | puik leek, en die dat ook was. Ze werd vijftien jaar later
27 II | tienduizend frank verkocht. Ze was trouwens heel eenvoudig
28 II | hemellichaam zag, want dat was achter mij verborgen, op
29 II | vergulde die met vuur. Dat was het. Een door ontvlamde
30 II | de donkere hemel3.~ Ik was zo tevreden met mijn werk
31 II | Toen ik voor het huis was aangekomen, riep ik moeder
32 II | Ik denk dat het haar rots was, waar ze opklom om op haar
33 II | van een koningin afkomstig was geweest. Ik was verleid,
34 II | afkomstig was geweest. Ik was verleid, veroverd, overwonnen.
35 II | en doorgronden.~ Het was een luwe, loom makende avond,
36 II | bries die over de oceaan was komen aanzetten en die ons
37 II | worden, verdwijnen. Het was voorbij. Alleen nog het
38 II | wilde dat ik een vogeltje was om weg te vliegen in het
39 II | meteen bevriend.~ Het was een vreemd schepsel, dat
40 II | misschien omdat ze bang was dat ze me stoorde, zei ze: `
41 II | Wel, haar Here God was een grappig ventje, een
42 II | Als ik werkte, of het nu was onder in mijn dal, of in
43 II | ontroering haar verontrustte. Ze was knalrood, van dat Engelse
44 II | er dan bij alsof hun veer was gebroken. Vroeger kon haar
45 II | ging helemaal niet over. Nu was het zo dat als ik het woord
46 II | bij wat niet verwerkelijkt was en het ook nooit zou worden!
47 III | III~ Het was echt een vreemde onthulling.~
48 III | zilverachtige helderheid. Dat was verdorie best mooi.~
49 III | wel een spook, maar het was miss Harriet. Toen ze me
50 III | Haar hele arme wezentje was gaan wankelen, gaan trillen
51 III | raden dat ze ongelukkig was om gek van te worden.~
52 III | aan tafel. Miss Harriet was er ook, at ernstig, zonder
53 III | ze haar gewone gezicht en was in haar gewone doen.~
54 III | de ogen naar mij op. Zij was een stevige meid van achttien,
55 III | maar lachte toch, want ze was eraan gewend.~ Waarom
56 III | achter mij stond?~ Het was miss Harriet die naar binnen
57 III | misdaad.~ Ik sliep slecht, was uitermate zenuwachtig, werd
58 III | naar haar kamer, de Engelse was weg. Ze was waarschijnlijk
59 III | de Engelse was weg. Ze was waarschijnlijk al bij dageraad
60 III | stilte te eten.~ Het was warm, vreselijk warm, het
61 III | warm, vreselijk warm, het was zo'n branderige, zware dag
62 III | verklaarde dat de put droog was gevallen. Ze had het hele
63 III | had de bodem geraakt, maar was leeg weer bovengekomen.
64 III | iets wat niet natuurlijk was. Waarschijnlijk had een
65 III | zag ik iets wits. Maar wat was dat? Toen kwam ik op het
66 III | al mijn spieren slap, ik was bang de zwengel los te laten
67 III | kuise vrijster. Het hoofd was vreselijk, zwart en kapot,
68 III | vervullen, omdat ik de enige was bij haar in de buurt. Ik
69 III | gedachte beklemde mij het hart. Was dat niet om mij dat ze daar
70 III | natuur gericht! Voor haar was het afgelopen, wellicht
71 III | wat je noemt de ziel, die was onder in een donkere put
72 III | en over haar handen. Dit was het uur dat ze zo beminde.
73 III | ze met verdriet beladen was.~
|