Part
1 I | goed geluk rondzwerven. Je bent vrij, zonder banden
2 I | volgende dag te hoeven denken. Je loopt over de weg die je
3 I | Je loopt over de weg die je leuk vindt, zonder een andere
4 I | zonder een andere gids dan je fantasie, zonder een ander
5 I | dan wat het oog behaagt. Je blijft staan omdat een beekje
6 I | blijft staan omdat een beekje je heeft getroffen, omdat het
7 I | dienstertje in een herberg. Je moet die rustieke tederheden
8 I | Een hart dat slaat als je verschijnt, een oog dat
9 I | verschijnt, een oog dat huilt als je weggaat, zijn zulke zeldzame,
10 I | zulke kostbare zaken dat je er nooit op neer moet kijken.~
11 I | subtiele pleziertjes die je kunt verkrijgen van charmante,
12 I | huwelijksreizen met de aarde. Je bent helemaal alleen met
13 I | rust vervulde ontmoetingen. Je legt je hoofd te ruste in
14 I | vervulde ontmoetingen. Je legt je hoofd te ruste in een wei,
15 I | heldere plas zonlicht, zie je in de verte het dorpje met
16 I | die twaalf uur slaat.~ Je gaat zitten bij een bron
17 I | gras, glanzend van leven. Je knielt neer, je buigt je
18 I | van leven. Je knielt neer, je buigt je voorover, je drinkt
19 I | Je knielt neer, je buigt je voorover, je drinkt dat
20 I | neer, je buigt je voorover, je drinkt dat koele heldere
21 I | koele heldere water, dat je de snor en de neus bevochtigt,
22 I | snor en de neus bevochtigt, je drinkt het met lijfelijk
23 I | lijfelijk genoegen, alsof je de bron kuste, mond op mond.
24 I | mond op mond. Soms, als je een diepte tegenkomt in
25 I | smalle waterloopjes, duik je er helemaal naakt in, en
26 I | helemaal naakt in, en voel je van kop tot teen zo'n ijskoude
27 I | ijskoude en zalige streling op je huid, de huivering van de
28 I | snelle, lichte stroom.~ Je wordt blij als je op een
29 I | stroom.~ Je wordt blij als je op een heuvel staat, melancholisch
30 I | het firmament trekt, denk je aan duizend bijzondere dingen
31 I | bijzondere dingen die niet bij je op zouden komen in de brandende
32 I | eens zien wat of ik voor je doen kan.'~ Binnen vijf
33 I | Schotse ruit gewikkeld dat je zou zeggen dat ze geen armen
34 I | dat ze geen armen had, als je geen lange hand ter hoogte
35 I | lucht van rubber, waardoor je zou denken dat ze 's nachts
36 I | alsof ze aanstoot nam: `Je zult het niet geloven willen,
37 II | Het licht viel, zonder dat je het hemellichaam zag, want
38 II | en haar toeriep: `Moet je dit eens bekijken, ouwe.
39 II | bekijken, ouwe. Zoiets zul je niet vaak zien.'~ Toen
40 II | verslonden door de oceaan. Je zag het zakken, kleiner
41 III| half doorzichtige mist zag je of liever gezegd vermoedde
42 III| liever gezegd vermoedde je een mensenpaar, een jongen
43 III| haar lijzige toon: `Wat zeg je me daar, m'n beste meneer?
44 III| daar, m'n beste meneer? Je gaat ons verlaten! En me
45 III| En me waren juist zo aan je gewend geraakt!'~ Ik
46 III| voelde ik iets onbestemds wat je ertoe aanzet gekke dingen
47 III| mensenvlees worden. Maar wat je noemt de ziel, die was onder
48 III| zweeg. De vrouwen weenden. Je hoorde op de bok de graaf
|