Part
1 Voor| ochtendlucht. Vooral de dames, niet zo gewend aan zo'n jagersontwaken,
2 Voor| dames, niet zo gewend aan zo'n jagersontwaken, lieten
3 Voor| antwoordde ze: `Doe toch niet zo dom!' Vervolgens schudde
4 I | deur van een logementhouder zo lekker naar gebakken aardappelen
5 I | dames.~ Maar wat vooral zo fijn is aan die avontuurlijke
6 I | voel je van kop tot teen zo'n ijskoude en zalige streling
7 I | helderheid van de dag.~ Zo zwervend door dezelfde streek
8 I | fijne en als een tapijt zo soepele gras dat aan de
9 I | broodmager, heel groot, zo strak in een omslagdoek
10 I | merkbaar, en een Engels woord, zo zacht gemompeld dat ik het
11 I | In werkelijkheid was zij zo'n figuur die warm loopt
12 I | Maar deze leek mij zo apart dat ze me geenszins
13 I | ingeving gehad toen ze haar zo doopte.~ De stalknecht,
14 I | Harriet kwam overeind, verward zo te zijn waargenomen, richtte
15 I | moeder Lecacheur. Ik wilde zo graag een beetje die vreemde
16 II | donkere hemel3.~ Ik was zo tevreden met mijn werk dat
17 II | ik zorgde ervoor de zaak zo te presenteren dat het niet
18 II | met zoveel nadruk en zo vleiend dat ik mij lachend
19 II | u begrijpt de natuur op zo'n aangrijpende wijze.'~
20 II | gedachten aan: `O! Ik houd zo van de natuur!'~ Ik bood
21 II | luwe, loom makende avond, zo'n avond vol welzijn waarop
22 II | mompelde: `O! Ik houd er zo van... ik houd er zo van...
23 II | er zo van... ik houd er zo van... wat houd ik er toch
24 II | daar staan, zoals ik haar zo vaak had gezien, kaarsrecht
25 II | en ging naast me zitten. Zo bleef ze uren roerloos en
26 II | zin, stond op en ging er zo snel en zo onverklaarbaar
27 II | op en ging er zo snel en zo onverklaarbaar vandoor dat
28 II | helemaal niet over. Nu was het zo dat als ik het woord tot
29 II | gewekt? Het baart me zorgen u zo te zien!'~ Ze antwoordde,
30 II | dat ter dood veroordeelden zo moeten kijken als ze hun
31 III | grote wereld is, gaat me zo recht naar het hart dat
32 III | verlaten! En me waren juist zo aan je gewend geraakt!'~
33 III | trippelde op haar af, met zo lichte pas dat ze niets
34 III | Waarom liet ik haar zo plotseling los? Waarom heb
35 III | naar binnen, wanhopiger zo door haar te zijn verrast
36 III | dageraad vertrokken, zoals ze zo vaak deed, om de zon te
37 III | vreselijk warm, het was zo'n branderige, zware dag
38 III | verdwenen.~ Heel zachtjes, en zo hard bevend dat de lantaarn
39 III | verzorgde haar verwarde haren zo goed als ik kon, en met
40 III | vrouw die niemand kende, zo ver weg, zo betreurenswaardig
41 III | niemand kende, zo ver weg, zo betreurenswaardig omgekomen.
42 III | geweest? Waar kwam ze vandaan, zo helemaal alleen, zwervend,
43 III | Want waarom verborg ze zich zo, ontvluchtte ze de rest?
44 III | Waarom hield ze met een zo hartstochtelijke tederheid
45 III | Dit was het uur dat ze zo beminde. De ontwaakte vogels
|