Part
1 I | een gelukkige dag achter me, vol zorgeloosheid en vrijheid.~
2 I | en vrijheid.~ Ze wezen me een boerderijtje waar reizigers
3 I | dus de krijtkust achter me en begaf me naar het groepje
4 I | krijtkust achter me en begaf me naar het groepje gebouwen,
5 I | zijn grote bomen, en meldde me bij moeder Lecacheur.~
6 I | vreemde verschijning vrolijkte me op, dat was vast mijn buurvrouw,
7 I | De volgende dag had ik me net geïnstalleerd om onder
8 I | verder om haar, al bleef ze me door de gedachten spoken.~
9 I | leek mij zo apart dat ze me geenszins misnoegde.~
10 I | landschappen. Ik voelde me lekker op die vergeten boerderij,
11 II | wereld het meteen zag. Ik kan me nog herinneren dat ik het
12 II | van extase.~ Ik wendde me af om niet te lachen.~
13 II | volgende dag kwam ze, toen ze me zag, direct met uitgestoken
14 II | met uitgestoken hand op me af. En we waren meteen bevriend.~
15 II | Ik merkte meteen dat ze me iets te vertellen had, maar
16 II | durfde, en ik vermaakte me met haar verlegenheid. Als
17 II | te maken. Dan verliet ze me plotseling en ging er snel
18 II | Ze bleef rechtop achter me staan, volgde al mijn gebaren
19 II | omdat ze bang was dat ze me stoorde, zei ze: `Dank u
20 II | vertrouwelijker, en ze begon me dagelijks met zichtbaar
21 II | die droeg, en ging naast me zitten. Zo bleef ze uren
22 II | onverklaarbaar vandoor dat ik me altijd afvroeg of ik niets
23 II | Ten slotte bedacht ik me dat dat haar normale doen
24 II | heeft gewekt? Het baart me zorgen u zo te zien!'~
25 II | op te sluiten.~ Ze kon me op een hele rare manier
26 III| had.~ Er dook iets voor me op, het leek wel een spook,
27 III| was miss Harriet. Toen ze me zag, wilde ze wegvluchten.
28 III| de grote wereld is, gaat me zo recht naar het hart dat
29 III| een woord geuit had, liet me verrast achter als bij een
30 III| te worden.~ Ik vroeg me af wat ik moest doen.~
31 III| van de maaltijd af, wendde me toen tot de bazin en zei: `
32 III| lijzige toon: `Wat zeg je me daar, m'n beste meneer?
33 III| Je gaat ons verlaten! En me waren juist zo aan je gewend
34 III| en met elkaar, bezorgde me nu een vrolijk gevoel in
35 III| zijn verrast dan wanneer ze me had betrapt op het begaan
36 III| gehuil te horen. Ik had me vast vergist. Een paar keer
37 III| ochtend werd mijn vermoeidheid me de baas en kreeg de slaap
38 III| de baas en kreeg de slaap me eindelijk te pakken. Ik
39 III| werd laat wakker en liet me pas bij het middageten zien,
40 III| meer zou zien, en ik boog me over de rand. Vaag zag ik
41 III| hemel ons zou zien, ik boog me over dat ijskoude lijk,
|