Part
1 Voor| liefdesgeschiedenis van mijn leven vertellen. Ik hoop
2 Voor| leven vertellen. Ik hoop mijn vrienden geenszins tot soortgelijk
3 I | we het eens en zette ik mijn rugzak op de aangestampte
4 I | weduwe was.~ Ik waste mijn handen en ging weer naar
5 I | vrolijkte me op, dat was vast mijn buurvrouw, die oude Engelse
6 I | schilderen, toen ik, plotseling mijn blik opslaand, iets vreemds
7 I | Maar ze reageerde niet op mijn beleefdheden, was zelfs
8 I | was zelfs ongevoelig voor mijn kleine attenties. Koppig
9 I | ik draag Hem altijd in mijn hart.' En prompt gaf ze
10 II | De hele rechterzijde van mijn doek toonde een rots, een
11 II | Ik was zo tevreden met mijn werk dat ik begon te dansen
12 II | boerin kwam eraan en bekeek mijn werk met haar stomme blik
13 II | langs op het ogenblik dat ik mijn doek aan de herbergierster
14 II | haar wendde en zei: `Dit is mijn laatste studie, juffrouw.'~
15 II | Ik kreeg zin om haar in mijn schetsboek te vereeuwigen.
16 II | van de woorden te raden, mijn gedachten te doorgronden.
17 II | s morgens vertrok, met mijn schilderkist op de rug,
18 II | achter me staan, volgde al mijn gebaren met geconcentreerde
19 II | haar blik het uiteinde van mijn penseel in al zijn bewegingen.
20 II | soort vertederd ontzag voor mijn doeken, een bijna religieus
21 II | van het goddelijk werk. Mijn studies kwamen op haar over
22 II | Zij betreurde hartgrondig mijn onwetendheid aangaande de
23 II | en elke dag vond ik in mijn zakken, in mijn hoed als
24 II | vond ik in mijn zakken, in mijn hoed als ik die op de grond
25 II | grond had laten liggen, in mijn verfdoos, in mijn gepoetste
26 II | liggen, in mijn verfdoos, in mijn gepoetste schoenen 's morgens
27 II | schoenen 's morgens voor mijn deur, die kleine, vrome
28 II | of het nu was onder in mijn dal, of in een of andere
29 III | met tegenzin. Ik liet haar mijn schets zien. Ze zei niets,
30 III | geraakt!'~ Ik keek uit mijn ooghoek naar miss Harriet,
31 III | maaltijd liep af.~ Ik ging mijn pijp roken onder de appelaars,
32 III | bij de aankondiging van mijn vertrek, dat alles door
33 III | zoenen op lippen, en in mijn aderen voelde ik iets onbestemds
34 III | uitgaan, pakte ik haar in mijn armen en overdekte haar
35 III | Tegen de ochtend werd mijn vermoeidheid me de baas
36 III | Ik haalde hem op, maar mijn armen waren als gebroken,
37 III | armen waren als gebroken, al mijn spieren slap, ik was bang
38 III | kapotte gezicht. Onder mijn vinger ging één oog een
39 III | dat toegetakelde hoofd in mijn handen, en langzaam, zonder
|