bold = Main text
Part grey = Comment text
1 Voor | alleen zijn grote oren, maar daarna sprong het weg over
2 Voor | die u is overkomen, wat u maar wilt.'~ Leon Chenal,
3 Voor | in de hand en glimlachte, maar na even nadenken werd hij
4 I | charmante, deftige dames.~ Maar wat vooral zo fijn is aan
5 I | roze bloemblaadjes, die maar op de mensen en het gras
6 I | t is allemaal verhuurd. Maar ik wil wel eens zien wat
7 I | dat vier dagen oud was, maar verrukkelijk.~ Plotseling
8 I | met die oude zonderlinge. Maar ze reageerde niet op mijn
9 I | Zij is een dissidente, maar God wil de dood van de zondaar
10 I | een akker ziet staan.~ Maar deze leek mij zo apart dat
11 I | geloven willen, meneer, maar die heeft een pad meegenomen
12 I | waarom niet. Misschien alleen maar omdat ze vreemd was, van
13 II | zee, de zee van leisteen, maar de zee van jade, groenachtig,
14 II | ingemaakt in verzuurde onschuld, maar ze had in haar hart iets
15 II | me iets te vertellen had, maar niet durfde, en ik vermaakte
16 II | en ging ervandoor.~ Maar het duurde niet lang of
17 II | hartelijke ongedwongenheid. Maar ik merkte al snel dat haar
18 II | het punt flauw te vallen. Maar langzaam zag ik haar dan
19 II | begon ze te praten.~ Maar plotseling zweeg ze midden
20 II | een vijftienjarige.~ Maar ze werd weer helemaal wild
21 II | een crisis, gaat wel over. Maar het ging helemaal niet over.
22 II | richtte, zij mij antwoordde, maar met geveinsde onverschilligheid,
23 II(3)| schilderij van Gustave Courbet, maar dan in spiegelbeeld!~
24 III | het leek wel een spook, maar het was miss Harriet. Toen
25 III | zag, wilde ze wegvluchten. Maar ik riep haar en schreeuwde: `
26 III | kunnen, die zich overgeven maar intussen toch nog weerstand
27 III | doen.~ Ik vond dat ik maar het beste kon vertrekken,
28 III | spoor van schrik vertoond. Maar Celeste, het dienstmeisje,
29 III | liefkozingen. Ze verdedigde zich, maar lachte toch, want ze was
30 III | gezien. We wachtten op haar, maar ze verscheen niet. Moeder
31 III | emmer had de bodem geraakt, maar was leeg weer bovengekomen.
32 III | Vaag zag ik iets wits. Maar wat was dat? Toen kwam ik
33 III | wei ontsnapt waar.'~ Maar plotseling begon ik te trillen
34 III | Ik haalde hem op, maar mijn armen waren als gebroken,
35 III | de overledene te kijken, maar ik verhinderde dat ze naar
36 III | levende wezens, zolang het maar geen mensen waren?~ En
37 III | weer mensenvlees worden. Maar wat je noemt de ziel, die
38 III | lui, en de brik kwam nog maar amper vooruit, plotseling
|