1696-ingeg | ingeh-stoom | stoor-zwoel
bold = Main text
Part grey = Comment text
1 Voor(2)| Plessis, hertog van Richelieu (1696-1788), vriend van Voltaire
2 Voor(2)| hertog van Richelieu (1696-1788), vriend van Voltaire en
3 Voor(1)| Cergharia, gravin Potocka (1852-1930).~
4 II(3) | bij Étretat na onweer uit 1870, een schilderij van Gustave
5 Voor(1)| Cergharia, gravin Potocka (1852-1930).~
6 Voor | voor de ontroering van de aanbrekende dag.~ Het was herfst.
7 II | beschreef. Ze luisterde heel aandachtig, begrijpend, in een poging
8 II | meter lager haar golfjes aandroeg. En we dronken met open
9 II | hartgrondig mijn onwetendheid aangaande de hemelse bedoelingen die
10 II | Toen ik voor het huis was aangekomen, riep ik moeder Lecacheur
11 II | kijken als ze hun laatste dag aangekondigd krijgen. Er lag in haar
12 I | ze heeft 'm een verband aangelegen gelijk het een mens waar.
13 III | meid van achttien, rood aangelopen, fris, sterk als een paard,
14 I | zette ik mijn rugzak op de aangestampte vloer van een rustiek vertrek,
15 II | begrijp ik. Het is heel aangrijpend.'~ We gingen weer naar
16 II | begrijpt de natuur op zo'n aangrijpende wijze.'~ Ik werd verdorie
17 II | op een hele rare manier aankijken. Sinds die tijd heb ik meer
18 III | op mij had gericht bij de aankondiging van mijn vertrek, dat alles
19 III | boven waren gekomen naar aanleiding van die onthulling, charmante
20 III | wat voor houding ik moest aannemen.~ Niemand had miss Harriet
21 I | antwoordde dan, alsof ze aanstoot nam: `Je zult het niet geloven
22 II | houding een beetje veranderde. Aanvankelijk sloeg ik daar geen acht
23 III | onbestemds wat je ertoe aanzet gekke dingen te doen.~
24 II | over de oceaan was komen aanzetten en die ons over de huid
25 I | zonder banden van enigerlei aard, zonder zorgen, zonder kopbrekens,
26 II | ze dan weer, werd van een aardkleur en leek op het punt flauw
27 III | naar het hart dat ik nooit aarzel haar te begrijpen.~ Haar
28 I | Bénouville gestuit en leek absoluut niet van plan weer weg te
29 II | eenvoudig en tegen alle academische regels. De hele rechterzijde
30 II | brood, water, wijn aan. Nu accepteerde zij dat met een gemummificeerd
31 II | Aanvankelijk sloeg ik daar geen acht op.~ Als ik werkte, of
32 Voor | van Étraille, die op de achterbank zat, riep: `Kijk, een haas,'
33 II | uitgesneden tegen de gouden achtergrond van de verre hemel.~
34 Voor | grote sprongen van zijn achterhand begon te rennen en in een
35 III | was een stevige meid van achttien, rood aangelopen, fris,
36 II | plotseling zitten, buiten adem alsof ze had gerend of alsof
37 III | zoenen op lippen, en in mijn aderen voelde ik iets onbestemds
38 I | krijtrotsen die loodrecht in zee afdalen. Ik had al sinds de ochtend
39 III | zou door de koeien worden afgegraasd, door vogels in de vorm
40 III | gericht! Voor haar was het afgelopen, wellicht zonder dat ze
41 II | sprongsgewijze in enthousiasme afging. Het ontbrak haar aan evenwicht,
42 I | antwoordde zij: `Dat gaat ervan afhangen, 't is allemaal verhuurd.
43 I | Mevrouw Lecacheur, instinctief afkerig van alles wat niet des boers
44 II | wanneer het van een koningin afkomstig was geweest. Ik was verleid,
45 III | zag Celeste het kippenhok afsluiten, aan de overkant van de
46 I | moet kijken.~ Ik heb afspraakjes gekend in greppels vol sleutelbloemen,
47 II | vandoor dat ik me altijd afvroeg of ik niets gedaan had wat
48 Voor | slecht geschoren baard. De akkers leken te dampen in de mist.
49 I | gaat ervan afhangen, 't is allemaal verhuurd. Maar ik wil wel
50 I | door te brengen, was ze anderhalve maand eerder op Bénouville
51 I | Maar deze leek mij zo apart dat ze me geenszins misnoegde.~
52 Voor(2)| Bedoeld wordt Louis François Armand de Vignerot du Plessis,
53 II | is betovering. De zwoele atmosfeer, vol geuren, vol van de
54 I | ongevoelig voor mijn kleine attenties. Koppig schonk ik haar water
55 I | rivieren dompelt. En 's avonds, onder een maan die langs
56 I | bossen, de zonsopgang, de avondschemering, de volle maan. Voor schilders
57 III | te lachen, omdat ik het avontuur komisch en betreurenswaardig
58 I | vooral zo fijn is aan die avontuurlijke tochten, dat is het platteland,
59 Voor | u hebt de reputatie meer avontuurtjes te hebben gehad dan de hertog
60 II | misnoegen heeft gewekt? Het baart me zorgen u zo te zien!'~
61 III | mijn vermoeidheid me de baas en kreeg de slaap me eindelijk
62 II | zilt door de lange kus der baren.~ Met haar geruite omslagdoek
63 II | gekwetst had.~ Ten slotte bedacht ik me dat dat haar normale
64 I | Het dienstmeisje Celeste bediende haar niet graag, zonder
65 I | kladschilder uithangen' bedoel ik dat zwerven met een rugzak,
66 II | onwetendheid aangaande de hemelse bedoelingen die zij haar best deed mij
67 III | bij een wonder, en diep bedroefd alsof ik een misdaad had
68 I | Je blijft staan omdat een beekje je heeft getroffen, omdat
69 Voor | omdat zij de loop van dat beest wilden volgen.~ René
70 III | meegenomen, en als vlees van beesten zou zij weer mensenvlees
71 I | de krijtkust achter me en begaf me naar het groepje gebouwen,
72 II | een koorts, een wanhopige begeerte, ongeduldig en onmachtig
73 I | figuur die warm loopt voor beginselen, een van die koppige puriteinsen
74 III | met het verzoek te worden begraven in het dorp waar ze haar
75 II | luisterde heel aandachtig, begrijpend, in een poging de duistere
76 II | vertederend: `O meneer, u begrijpt de natuur op zo'n aangrijpende
77 I | richtsnoer dan wat het oog behaagt. Je blijft staan omdat een
78 II | paradijs ontving.~ Ik behandelde haar als een oude vriendin,
79 III | Moeder Lecacheur en Celeste bekeken ons uit de verte, verborgen
80 II | Bazin, kom eens hier en bekijk dit eens.'~ De boerin
81 II | kleintjes, piepend, met open bekjes, een enorme kop en een helemaal
82 II | pensions, arme, belachelijke, beklagenswaardige wezens, ik houd van jullie
83 III | Een vreselijke gedachte beklemde mij het hart. Was dat niet
84 Voor | naast de koetsier, en we beklommen in de stap van de paarden
85 I | dankbetuigingen.~ Ik bekommerde mij niet verder om haar,
86 I | Zwitserland vergiftigen, de bekoorlijke steden rond de Middellandse
87 III | uitermate zenuwachtig, werd belaagd door deprimerende gedachten.
88 II | wezens uit pensions, arme, belachelijke, beklagenswaardige wezens,
89 III | geworden alsof ze met verdriet beladen was.~
90 I | worden en zonder zich de beledigde onschuld te tonen. Welzeker,
91 I | ze reageerde niet op mijn beleefdheden, was zelfs ongevoelig voor
92 I | voor mij?'~ Verbaasd te bemerken dat ik haar naam kende,
93 I | dag met ons lichaam zullen bemesten. En misschien, wie zal het
94 III | Dit was het uur dat ze zo beminde. De ontwaakte vogels zongen
95 II | met haar veulen tussen de benen door een wei rende, van
96 I | van clematis die die keuze bepaalt, of het naïeve lonken van
97 I | boers was, voelde in haar beperkte geest een soort haat voor
98 I | landen van de wereld te bereizen, omdat haar familie haar
99 Voor(2)| vriend van Voltaire en berucht rokkenjager.~
100 III | in de nacht.~ Ik liep beschaamd en bezorgd naar binnen,
101 III | haar hele bestaan als een beschamende last had gedragen, een belachelijk
102 II | intensiteit in vaktermen beschreef. Ze luisterde heel aandachtig,
103 II | vouwstoel onder de arm, wilde beslist niet toestaan dat ik die
104 III | welke geheime wanhoop lagen besloten in dat onbevallige lijf,
105 III | nam daartoe ook meteen het besluit.~ Na te hebben rondgezworven
106 Voor | op elk gevaar gespitst, besluiteloos over de te nemen weg, waarna
107 III | dat lijf dat zij haar hele bestaan als een beschamende last
108 I | varensgast, die weliswaar goed betaald was, had haar de huid vol
109 I | bezorgd door een jochie, tegen betaling van twee schelling loopgeld.
110 II | Alles is genot en alles is betovering. De zwoele atmosfeer, vol
111 III | verrast dan wanneer ze me had betrapt op het begaan van een of
112 II | heeft bevolen.'~ Zij betreurde hartgrondig mijn onwetendheid
113 I | omgeven door een dubbele rij beuken.~ Ik liet dus de krijtkust
114 III | ontbinding overgaan en op haar beurt plant worden. Ze zou bloeien
115 III | Heel zachtjes, en zo hard bevend dat de lantaarn als waanzinnig
116 I | dat je de snor en de neus bevochtigt, je drinkt het met lijfelijk
117 II | De kolonel, die heeft bevolen.'~ Zij betreurde hartgrondig
118 II | me af. En we waren meteen bevriend.~ Het was een vreemd
119 III | zware dag waarop geen blad beweegt. We hadden de tafel buiten
120 I | schalen door. Een lichte beweging met het hoofd, amper merkbaar,
121 II | mijn penseel in al zijn bewegingen. Als ik met een grote, plotseling
122 I | het platteland, zocht en bewonderde God in de natuur. Op een
123 II | van verbazing, vreugde en bewondering. Ze koesterde een soort
124 III | alles door en met elkaar, bezorgde me nu een vrolijk gevoel
125 III | intussen toch nog weerstand bieden. Ik sprong overeind, zelf
126 Voor | te rennen en in een groot bietenveld verdween. Alle mannen werden
127 I | van een appelaar, met haar bijbeltje open op schoot en haar blik
128 I | andere kamer.'~ Tegen bijbetaling van vijf sollen per dag
129 III | en Celeste waren er ook bijgekomen. De lantaarn bleef hangen
130 II | ter ere van mij een beetje bijgesteld in de eerste tijd dat wij
131 II | ontzag voor mijn doeken, een bijna religieus ontzag voor die
132 I | trekt, denk je aan duizend bijzondere dingen die niet bij je op
133 III | mevrouw Lecacheur, ik ga u binnenkort verlaten.'~ De beste
134 III | klonk zijn stem, die uit het binnenste van de aarde leek te komen: `
135 II | ergernis. En ze werd bij vlagen bits, ongeduldig, zenuwachtig.
136 III | branderige, zware dag waarop geen blad beweegt. We hadden de tafel
137 I | Omdat ik iets roods door de bladeren had zien schemeren, schoof
138 III | en stille onderonsje. Een bleek licht kondigde de dageraad
139 III | en keek mij aan met die bleke blik, die kille blik, die
140 I | op de mensen en het gras bleven neerkomen.~ Ik vroeg: `
141 I | lichte stroom.~ Je wordt blij als je op een heuvel staat,
142 I | wat het oog behaagt. Je blijft staan omdat een beekje je
143 III | ze daar ter plekke wilde blijven?~ Tegen de avond kwamen
144 II | weg, aan de grens van het blikveld, tekende een driemaster
145 I | verdrinkt in een oceaan van bloedrode wolken en zij zich met rosse
146 III | beurt plant worden. Ze zou bloeien in de zon, ze zou door de
147 I | wantrouwen.~ Het was mei, de bloeiende appelaars overdekten het
148 I | dwarrelende regen van roze bloemblaadjes, die maar op de mensen en
149 III | ontblootte.~ Toen ging ik bloemen plukken, klaprozen, korenbloemen,
150 I | met een dak van geurende bloesem en zaaiden onophoudelijk
151 II | heel nieuwsgierig.' En ze bloosde alsof ze uitermate gedurfde
152 III | vieren en de emmer had de bodem geraakt, maar was leeg weer
153 I | at snel, terwijl ze een boekje las van de protestantse
154 I | aan iedereen uit, van die boekjes. Zelfs de pastoor had er
155 I | vrijheid.~ Ze wezen me een boerderijtje waar reizigers onderdak
156 I | afkerig van alles wat niet des boers was, voelde in haar beperkte
157 I | weet ik ook niet, aan een bokking met papillotten denken.
158 II | doorkruisend.~ De rode bol bleef langzaam dalen. En
159 II | zo van de natuur!'~ Ik bood haar brood, water, wijn
160 II | voorbij. Alleen nog het bootje toonde zijn profiel, uitgesneden
161 Voor | andere vogels tsjirpten in de bosjes.~ Eindelijk kwam de zon
162 I | verschrikte blikken als die van bosuilen die op klaarlichte dag worden
163 III | geraakt, maar was leeg weer bovengekomen. Moeder Lecacheur wilde
164 III | gestrekt been. Het hele bovenlijf en het andere been waren
165 III | gevat tussen rotswanden met bovenop twee hellingen vol bramen
166 I | de huid vol gescholden, bozer dan wanneer ze hem het geld
167 III | bovenop twee hellingen vol bramen en bomen, strekte zich uit
168 II | aangetrokken door de enorme brand die de ondergaande zon boven
169 I | je op zouden komen in de brandende helderheid van de dag.~
170 III | vreselijk warm, het was zo'n branderige, zware dag waarop geen blad
171 III | armen en overdekte haar brede, mollige gestalte met een
172 III | in de buurt. Ik vond een brief in haar zak, op het laatste
173 II | uitgezette borst die frisse bries die over de oceaan was komen
174 II | dromen.~ Ze mompelde een Brits `ow!', met zoveel nadruk
175 II | natuur!'~ Ik bood haar brood, water, wijn aan. Nu accepteerde
176 I | liep op het huis af. Ze was broodmager, heel groot, zo strak in
177 II | meteen door luidkeels te brullen: `Hela! Hela! Bazin, kom
178 I | leven. Je knielt neer, je buigt je voorover, je drinkt dat
179 III | het huis liep en dat de buitendeur werd opengedaan.~ Tegen
180 III | Waarschijnlijk had een buurman er bossen stro ingegooid,
181 Voor(1)| manuscript, toen hij dat cadeau deed aan Emmanuela Pignatelli
182 Voor(1)| Emmanuela Pignatelli di Cergharia, gravin Potocka (1852-1930).~
183 II | hoffelijkheid, die haar altijd choqueerde, zei: `U straalt vandaag
184 I | Normandische kip, daarbij heldere cider drinkend en grof witbrood
185 III | Geniesoldaat in de kelder de ciderkruik vullen, zoveel werd er gedronken.
186 I | Soms is het de geur van clematis die die keuze bepaalt, of
187 III | zij wel, en dat ze dus op compensatie van haar ongeluk had gehoopt.
188 II | verdorie rood, door dat compliment meer getroffen dan wanneer
189 II(3) | een schilderij van Gustave Courbet, maar dan in spiegelbeeld!~
190 II | schilderen. Ik dacht: Vast een crisis, gaat wel over. Maar het
191 III | kon vertrekken, en ik nam daartoe ook meteen het besluit.~
192 I | protestantse propaganda. Daarvan deelde ze aan iedereen uit,
193 II | vertrouwelijker, en ze begon me dagelijks met zichtbaar genoegen te
194 I | overdekten het erf met een dak van geurende bloesem en
195 I | ontevreden toon: `M'n hebben een dame, een oude Engelse. Zij heeft
196 Voor | van haar hemd van witte damp.~ De graaf van Étraille,
197 Voor | baard. De akkers leken te dampen in de mist. Leeuweriken
198 II | ze me stoorde, zei ze: `Dank u wel', en ging ervandoor.~
199 I | hoorde, waren haar enige dankbetuigingen.~ Ik bekommerde mij niet
200 III | te laten. Het gele licht danste tegen de stenen wanden en
201 I | protestantse propaganda. Daarvan deelde ze aan iedereen uit, van
202 I | verkrijgen van charmante, deftige dames.~ Maar wat vooral
203 Voor | gedempte toon toe te voegen: `U denkt aan uw man, barones. Wees
204 III | zenuwachtig, werd belaagd door deprimerende gedachten. Ik meende gehuil
205 II | en zilt door de lange kus der baren.~ Met haar geruite
206 I | afkerig van alles wat niet des boers was, voelde in haar
207 I | dag.~ Zo zwervend door dezelfde streek waar we dit jaar
208 Voor(1)| aan Emmanuela Pignatelli di Cergharia, gravin Potocka (
209 I | boerderij, ver van alles, dicht bij de aarde, de goede,
210 III | En helemaal achter in die dichte en half doorzichtige mist
211 II | hemel, en een stoomboot, dichterbij, voer langs en ontrolde
212 III | minachtende toon: `Nonde, den diën is mager!'~ We droegen
213 I | het naïeve lonken van een dienstertje in een herberg. Je moet
214 II | zoals een sergeant die de dienstplichtige verklaart: `De kolonel,
215 I | op mond. Soms, als je een diepte tegenkomt in die smalle
216 Voor | wijzend op een klaverveld. Het dier schoot weg, vrijwel verborgen
217 II | hield van de natuur en de dieren, met een extatische liefde,
218 I | hand ter hoogte van haar dijen had zien verschijnen, met
219 II | kwam ze, toen ze me zag, direct met uitgestoken hand op
220 III | weg.~ Toen moest die dode geborgen worden. Ik bond
221 Voor | slaperig lachje antwoordde ze: `Doe toch niet zo dom!' Vervolgens
222 II | vertederd ontzag voor mijn doeken, een bijna religieus ontzag
223 I | Lecacheur vroeg ik: `Wel, wat doet onze demon vandaag?'~
224 Voor | bleef staan, hernam zijn dolle loop, veranderde van richting,
225 Voor | antwoordde ze: `Doe toch niet zo dom!' Vervolgens schudde ze
226 I | rosse weerschijn in rivieren dompelt. En 's avonds, onder een
227 III | geurend gras, waarmee ik haar doodsbed bedekte.~ Toen moest
228 III | die ik nodig had.~ Er dook iets voor me op, het leek
229 I | ingeving gehad toen ze haar zo doopte.~ De stalknecht, die
230 III | tussen de takken door en doorboorde die ochtendmist, verlichtte
231 II | streelt de geest met haar doordringende mildheid. We liepen nu langs
232 II | veroorzaakte, de hele horizon doorkruisend.~ De rode bol bleef langzaam
233 III | achter in die dichte en half doorzichtige mist zag je of liever gezegd
234 II | grappig ventje, een soort dorpsfilosoof, zonder veel middelen en
235 I | in Zijn gehele natuur, ik draag Hem altijd in mijn hart.'
236 II | gefermenteerd als oude drank, met die sensuele liefde
237 III | en de witte kousen van de drenkeling uit dat gat zagen komen,
238 II | het blikveld, tekende een driemaster met volle zeilen zijn silhouet
239 I | kip, daarbij heldere cider drinkend en grof witbrood kauwend,
240 III | den diën is mager!'~ We droegen haar naar haar kamer en
241 II | op haar gemak te kunnen dromen.~ Ze mompelde een Brits `
242 III | beetje verdrietig, een beetje dromerig, kwam ik rond etenstijd
243 II | golfjes aandroeg. En we dronken met open mond en uitgezette
244 III | en verklaarde dat de put droog was gevallen. Ze had het
245 III | altijd ontrold, hingen te druipen van het slijk. De Geniesoldaat
246 II | horizon aan haar hart te drukken.~ Ze mompelde: `O! Ik
247 III | schrik en zonder walging, drukte ik een kus, een lange kus,
248 Voor(2)| François Armand de Vignerot du Plessis, hertog van Richelieu (
249 I | Normandisch erf, omgeven door een dubbele rij beuken.~ Ik liet
250 II | het dorp, stilzwijgend, duidelijk nerveus en op zoek naar
251 I | die smalle waterloopjes, duik je er helemaal naakt in,
252 III | ik toekeek hoe hij in het duister verdween. Hij had een lantaarn
253 II | begrijpend, in een poging de duistere betekenis van de woorden
254 III | die zou ik herkennen uit duizenden. O, de huivering van liefde
255 II | vertellen had, maar niet durfde, en ik vermaakte me met
256 II | ervandoor.~ Maar het duurde niet lang of ze werd vertrouwelijker,
257 I | zaaiden onophoudelijk een dwarrelende regen van roze bloemblaadjes,
258 II | verkocht. Ze was trouwens heel eenvoudig en tegen alle academische
259 III | roze weerschijn achter de eenvoudige gelieven, deed hun vage
260 I | miss Harriet. Omdat ze een eenzaam dorp zocht om daar de zomer
261 Voor | Voor gravin Potocka, als eerbetoon van een toegewijd vriend1~
262 II | zoals altijd. Voor het eerst begon ze te praten, en vulde
263 III | dat menselijk schepsel de eeuwige onrechtvaardigheid van de
264 II | een goed en onverwacht effect verkreeg, slaakte ze in
265 I | maken, overal hun vreemde eigenaardigheden mee naar toenemen, hun zeden
266 I | opwelt aan de voet van een eik, te midden van een haardos
267 III | doen.~ Ik wachtte het eind van de maaltijd af, wendde
268 II | hartstochtelijke blik het schitterend einde van de dag. Ze voelde voorwaar
269 II | rook die achter haar een eindeloze wolk veroorzaakte, de hele
270 Voor(1)| hij dat cadeau deed aan Emmanuela Pignatelli di Cergharia,
271 I | koppige puriteinsen van wie Engeland er zoveel voortbrengt, een
272 I | amper merkbaar, en een Engels woord, zo zacht gemompeld
273 I | vrij, zonder banden van enigerlei aard, zonder zorgen, zonder
274 II | dat Engelse rood dat geen enkel ander volk heeft, en zonder
275 III | Geniesoldaat pakte haar bij de enkels en we trokken haar daar
276 II | had, die sprongsgewijze in enthousiasme afging. Het ontbrak haar
277 II | moest zijn, ongetwijfeld ter ere van mij een beetje bijgesteld
278 II | haar wel willen zoenen, erewoord!~ Ik ging naast haar
279 Voor | verkondigde: `Wij zijn niet erg galant vanochtend,' en bekeek
280 II | of ook wel met ingehouden ergernis. En ze werd bij vlagen bits,
281 III | Hij had in Afrika wel wat ergers gezien!~ Moeder Lecacheur
282 III | Miss Harriet was er ook, at ernstig, zonder met iemand te spreken
283 III | ik iets onbestemds wat je ertoe aanzet gekke dingen te doen.~
284 I | antwoordde zij: `Dat gaat ervan afhangen, 't is allemaal
285 II | niet omheen, want ik zorgde ervoor de zaak zo te presenteren
286 III | begon ik te trillen als een espenblad. Ik had een voet herkend,
287 III | beetje dromerig, kwam ik rond etenstijd terug.~ We gingen zoals
288 I | dat ze 's nachts in een etui worden opgeborgen.~ Als
289 I | vrijsters die altijd weer in Europese pensions opduiken, die Italië
290 Voor | hand en glimlachte, maar na even nadenken werd hij plotseling
291 II | afging. Het ontbrak haar aan evenwicht, zoals al die vrouwen die
292 II | leek wel een karikatuur van extase.~ Ik wendde me af om
293 I | aan de rand van plassen, extatisch als de zon verdrinkt in
294 III | ze ergens nog vrienden of familieleden achter? Hoe waren haar jeugd
295 I | zonder een andere gids dan je fantasie, zonder een ander richtsnoer
296 I | en Étretat. Ik kwam uit Fécamp, de kust volgend, de hoge
297 I | Maar wat vooral zo fijn is aan die avontuurlijke
298 I | gelopen over dat korte, fijne en als een tapijt zo soepele
299 I | schilderen. Ik ken niets fijners dan dat leven van op goed
300 II | aardkleur en leek op het punt flauw te vallen. Maar langzaam
301 III | moest ik de gebruikelijke formaliteiten vervullen, omdat ik de enige
302 Voor(2)| Bedoeld wordt Louis François Armand de Vignerot du Plessis,
303 II | jaar later voor tienduizend frank verkocht. Ze was trouwens
304 III | typisch een gebaar van een Fransman die sneller handelt dan
305 III | achttien, rood aangelopen, fris, sterk als een paard, en
306 III | wilde wassen om ze op te frissen, vroeg ik het dienstmeisje
307 I | pittig en sappig als wild fruit. De liefde is altijd de
308 III | Wel, mevrouw Lecacheur, ik ga u binnenkort verlaten.'~
309 Voor | verkondigde: `Wij zijn niet erg galant vanochtend,' en bekeek zijn
310 I | groot, rokerig, waar de gasten hun maaltijd gebruiken met
311 II | me staan, volgde al mijn gebaren met geconcentreerde aandacht.~
312 III | Toen moest die dode geborgen worden. Ik bond de knecht
313 I | begaf me naar het groepje gebouwen, omgeven door zijn grote
314 I | heeft ze naar d'r kamer gebracht, die heeft ze in d'r waskom
315 III | bedekte.~ Toen moest ik de gebruikelijke formaliteiten vervullen,
316 I | waar de gasten hun maaltijd gebruiken met het personeel van de
317 II | volgde al mijn gebaren met geconcentreerde aandacht.~ En toen, plotseling,
318 III | doorgebracht. Een vreselijke gedachte beklemde mij het hart. Was
319 I | mocht zijn.~ Mij werd dus gedekt voor de deur en ik viel
320 Voor | slaap vocht, om haar op gedempte toon toe te voegen: `U denkt
321 I | zijn jeugd in Afrika had gediend, hield er een andere mening
322 II | lange haren, tot spiralen gedraaid, vaak ontrold en hingen
323 I | iemand is van volmaakt moreel gedrag.'~ Die woorden, `atheïste'
324 III | een beschamende last had gedragen, een belachelijk omhulsel
325 I | kregen, een soort herberg, gedreven door een boerin, midden
326 III | ciderkruik vullen, zoveel werd er gedronken. Celeste droeg de schalen
327 II | bloosde alsof ze uitermate gedurfde woorden had uitgesproken.~
328 I | verwarde, raadselachtige geestesarbeid. Ze zei: `Ze is demonisch.'
329 Voor | zakken, knikkebolden of geeuwden, ongevoelig voor de ontroering
330 II | met een extatische liefde, gefermenteerd als oude drank, met die
331 II | Ze bleef stokstijf staan, gegrepen, stomverbaasd. Ik denk dat
332 Voor | kwam de zon voor ons op, geheel rood aan de rand van de
333 III | huis uit is gejaagd? Welk geheim lijden en welke geheime
334 III | Welk geheim lijden en welke geheime wanhoop lagen besloten in
335 II | vertrouwelinge van Zijn geheimen en Zijn teleurstellingen.
336 II | wilde parfum, streelt het gehemelte met haar zilte smaak, streelt
337 III | compensatie van haar ongeluk had gehoopt. Nu zou ze tot ontbinding
338 III | liefde ver van zich had gehouden?~ Wat kunnen mensen toch
339 III | deprimerende gedachten. Ik meende gehuil te horen. Ik had me vast
340 II | strak om zich heen, een geïnspireerde blik en haar tanden in de
341 I | volgende dag had ik me net geïnstalleerd om onder in dat mooie dal
342 III | hond die zijn huis uit is gejaagd? Welk geheim lijden en welke
343 III | dat ze ongelukkig was om gek van te worden.~ Ik vroeg
344 I | Ik heb afspraakjes gekend in greppels vol sleutelbloemen,
345 III | onbestemds wat je ertoe aanzet gekke dingen te doen.~ De nacht
346 I | het geld uit de zak had geklopt. Na een maand kon hij er
347 I | Op een avond trof ik haar geknield in een struik. Omdat ik
348 I | wandelde, een grote vis gekocht die net was gevangen, alleen
349 II | had wat haar tegenstond of gekwetst had.~ Ten slotte bedacht
350 I | parasol voor toeristen. Haar gelaat, als van een mummie, omkaderd
351 I | bozer dan wanneer ze hem het geld uit de zak had geklopt.
352 I | dorp was ze volstrekt niet geliefd. De onderwijzer had verklaard: `
353 III | weerschijn achter de eenvoudige gelieven, deed hun vage gestalten
354 I | m een verband aangelegen gelijk het een mens waar. Als dat
355 I | van de zondaar niet, en ik geloof dat zij iemand is van volmaakt
356 III | ik begreep dat ze aan God geloofd had, zij wel, en dat ze
357 I | had al sinds de ochtend gelopen over dat korte, fijne en
358 I | aanstoot nam: `Je zult het niet geloven willen, meneer, maar die
359 I | dan dat leven van op goed geluk rondzwerven. Je bent vrij,
360 II | waarop lichaam en geest gelukkig zijn. Alles is genot en
361 I | vissersboot, had ik een gelukkige dag achter me, vol zorgeloosheid
362 Voor | de korte stoppel van de gemaaide haver en tarwe, die de grond
363 II | waar ze opklom om op haar gemak te kunnen dromen.~ Ze
364 I | en ik nam plaats aan de gemeenschappelijke tafel, om kennis te kunnen
365 I | van een rustiek vertrek, gemeubileerd met een bed, twee stoelen,
366 I | een Engels woord, zo zacht gemompeld dat ik het amper hoorde,
367 II | accepteerde zij dat met een gemummificeerd glimlachje. En ik begon
368 III | onrechtvaardigheid van de genadeloze natuur gericht! Voor haar
369 III | belachelijk omhulsel dat elke genegenheid en alle liefde ver van zich
370 I | moeder Lecacheur had een geniale ingeving gehad toen ze haar
371 I | die de Geniesoldaat werd genoemd omdat hij in zijn jeugd
372 II | gelukkig zijn. Alles is genot en alles is betovering.
373 I | een ouwe van 't vak, die gepensionneerd is.'~ Als die arme oude
374 I | demonisch.' En dat woord, geplakt op dat strenge en gevoelige
375 Voor | sprong het weg over een geploegde akker, bleef staan, hernam
376 II | in mijn verfdoos, in mijn gepoetste schoenen 's morgens voor
377 I | en het grote uitspansel, gepurperd door vuur. Soms zag ik haar
378 I | veroordeling op haar. De pastoor, geraadpleegd door mevrouw Lecacheur,
379 II | buiten adem alsof ze had gerend of alsof een of andere diepe
380 I | Dat was een oude boerin, gerimpeld, streng, die de klandizie
381 II | der baren.~ Met haar geruite omslagdoek strak om zich
382 Voor | aan uw man, barones. Wees gerust, hij komt zaterdag pas terug.
383 I | was, had haar de huid vol gescholden, bozer dan wanneer ze hem
384 II | ze mannen geenszins had geschonken.~ En inderdaad greep
385 Voor | grond bedekte als een slecht geschoren baard. De akkers leken te
386 III | zak, op het laatste moment geschreven, met het verzoek te worden
387 Voor | ongerust, op elk gevaar gespitst, besluiteloos over de te
388 III | overdekte haar brede, mollige gestalte met een stortvloed aan liefkozingen.
389 III | gelieven, deed hun vage gestalten overgaan in een zilverachtige
390 III | voet herkend, daarna een gestrekt been. Het hele bovenlijf
391 I | maand eerder op Bénouville gestuit en leek absoluut niet van
392 II | wandelingen langs de door de wind geteisterde kust huiswaarts keerde,
393 III | zonder dat ik een woord geuit had, liet me verrast achter
394 I | aardappelen rook. Soms is het de geur van clematis die die keuze
395 II | De zwoele atmosfeer, vol geuren, vol van de lucht van gras
396 III | korenbloemen, margrieten en vers, geurend gras, waarmee ik haar doodsbed
397 I | het erf met een dak van geurende bloesem en zaaiden onophoudelijk
398 Voor | staan, ongerust, op elk gevaar gespitst, besluiteloos over
399 III | verklaarde dat de put droog was gevallen. Ze had het hele touw laten
400 I | vis gekocht die net was gevangen, alleen om hem in zee terug
401 II | mij antwoordde, maar met geveinsde onverschilligheid, of ook
402 III | lang tegen de tranen hebben gevochten, en die niet langer kunnen,
403 III | bezorgde me nu een vrolijk gevoel in het lijf, een prikkeling
404 I | geplakt op dat strenge en gevoelige wezen, leek mij onweerstaanbaar
405 I | vrijster. Ze had een term gevonden om op haar te plakken, natuurlijk
406 II | gedaan wat u misnoegen heeft gewekt? Het baart me zorgen u zo
407 II | waanzin, een mystieke en gewelddadige waanzin, en ook nog iets
408 I | die arme oude vrijster het geweten had?~ Het dienstmeisje
409 I | omslagdoek met rode Schotse ruit gewikkeld dat je zou zeggen dat ze
410 III | terug.~ We gingen zoals gewoonlijk aan tafel. Miss Harriet
411 III | wel eens een kusje, een gewoonte van herberglieden, meer
412 III | vooruit, plotseling zwaar geworden alsof ze met verdriet beladen
413 III | We hadden de tafel buiten gezet, onder een appelaar, en
414 I | bij de aarde, de goede, gezonde, mooie en groene aarde die
415 I | vindt, zonder een andere gids dan je fantasie, zonder
416 II | de zee zakte. Voor ons, ginder, ver weg, aan de grens van
417 I | haardos van teer hoog gras, glanzend van leven. Je knielt neer,
418 II | dat met een gemummificeerd glimlachje. En ik begon weer over landschapschilderen.~
419 Voor | witte baard in de hand en glimlachte, maar na even nadenken werd
420 II | weergave van een stukje van het goddelijk werk. Mijn studies kwamen
421 I | haar verjaagd? Vanwege haar goddeloosheid natuurlijk.~ In werkelijkheid
422 I | andere taal, van een andere godsdienst. Kortom, ze was demonisch!~
423 III | hartstochtelijke liefde, die mij gold, herinneringen die boven
424 II | honderd meter lager haar golfjes aandroeg. En we dronken
425 III | zongen in de bomen.~ Ik gooide het raam wijdopen, ik schoof
426 I | alleen om hem in zee terug te gooien. En de varensgast, die weliswaar
427 III | raam wijdopen, ik schoof de gordijnen opzij opdat de hele hemel
428 II | profiel, uitgesneden tegen de gouden achtergrond van de verre
429 II | Wel, haar Here God was een grappig ventje, een soort dorpsfilosoof,
430 II | antwoordde, met een volstrekt grappige ondertoon van woede: `Ik
431 II | ginder, ver weg, aan de grens van het blikveld, tekende
432 I | heb afspraakjes gekend in greppels vol sleutelbloemen, achter
433 I | onder de zilte wind van zee groeit. Uit volle borst zingend
434 II | leisteen, maar de zee van jade, groenachtig, melkig en hard onder de
435 I | me en begaf me naar het groepje gebouwen, omgeven door zijn
436 I | heldere cider drinkend en grof witbrood kauwend, dat vier
437 I | Ik heb herinneringen aan grove grijze stof op veerkrachtige
438 II(3) | 1870, een schilderij van Gustave Courbet, maar dan in spiegelbeeld!~
439 III | riep weer: `Halen.'~ Ik haalde hem op, maar mijn armen
440 I | stoven in haar grote open haard met daarin een heugel, zwart
441 I | een eik, te midden van een haardos van teer hoog gras, glanzend
442 Voor | achterbank zat, riep: `Kijk, een haas,' en hij stak zijn arm naar
443 I | beperkte geest een soort haat voor de extatische manier
444 III | bij elkaar en riep weer: `Halen.'~ Ik haalde hem op,
445 III | achter in die dichte en half doorzichtige mist zag je
446 Voor | geenszins tot soortgelijk handelen aan te zetten.'~
447 III | een Fransman die sneller handelt dan hij kan nadenken.~
448 III | bij zonsopgang in dalen hangt. En helemaal achter in die
449 II | als een oude vriendin, met hartelijke ongedwongenheid. Maar ik
450 II | bevolen.'~ Zij betreurde hartgrondig mijn onwetendheid aangaande
451 I | vuurtoren. Ze bekeek dan hartstochtelijk de uitgestrekte zee, verguld
452 Voor | stoppel van de gemaaide haver en tarwe, die de grond bedekte
453 I | verklaring: `Ik hou van de Heer meer dan van wat ook, ik
454 I | mevrouw Lecacheur zelf.~ Ze heette miss Harriet. Omdat ze een
455 II | een soort schilderijen van heiligheid en soms begon ze te praten
456 Voor | steeg, van minuut tot minuut helderder, leek het platteland te
457 III | rotswanden met bovenop twee hellingen vol bramen en bomen, strekte
458 Voor | stapt, te ontdoen van haar hemd van witte damp.~ De graaf
459 II | onwetendheid aangaande de hemelse bedoelingen die zij haar
460 II | dat ik mijn doek aan de herbergierster voorhield. De demon kon
461 III | kusje, een gewoonte van herberglieden, meer niet.~ En de maaltijd
462 II | te bekeren.~ Wel, haar Here God was een grappig ventje,
463 Voor | brik, vier dames en drie heren, van wie één op de bok naast
464 Voor | aanbrekende dag.~ Het was herfst. Aan beide zijden van de
465 II | meteen zag. Ik kan me nog herinneren dat ik het langs een pad
466 II(3) | Dit is herkenbaar Het klif bij Étretat na
467 III | eerder gevoeld, die zou ik herkennen uit duizenden. O, de huivering
468 II | haar normalere uiterlijk herkrijgen en begon ze te praten.~
469 Voor | geploegde akker, bleef staan, hernam zijn dolle loop, veranderde
470 II | woede: `Ik ben met u altijd hetzelfde als vroeger. Dat is niet
471 I | open haard met daarin een heugel, zwart van de rook.~ `
472 I | wordt blij als je op een heuvel staat, melancholisch aan
473 I | toen vijfentwintig en ik hing een beetje de kladschilder
474 I | die nog warm waren van de hitte van de dag. Ik heb herinneringen
475 II | in mijn zakken, in mijn hoed als ik die op de grond had
476 III | een paard, ik en heb den hoef gezien. Die moet er vannacht
477 I | zonder aan de volgende dag te hoeven denken. Je loopt over de
478 II | ik haar met ongedwongen hoffelijkheid, die haar altijd choqueerde,
479 II | dal, of in een of andere holle weg, zag ik haar plotseling
480 III | zwervend, verloren als een hond die zijn huis uit is gejaagd?
481 II | de uitgestrekte zee die honderd meter lager haar golfjes
482 I | van een haardos van teer hoog gras, glanzend van leven.
483 I | als je geen lange hand ter hoogte van haar dijen had zien
484 III | gedachten. Ik meende gehuil te horen. Ik had me vast vergist.
485 I | Als ik er een in een hotel zag, ging ik ervandoor als
486 I | tot die verklaring: `Ik hou van de Heer meer dan van
487 III | wanhopige nog op de been houdt, de hoop ooit te zullen
488 I | Plotseling ging het houten hek aan de weg open, en
489 III | plotseling begon ze te huilen. Ze huilde met die zenuwschokken van
490 I | verschijnt, een oog dat huilt als je weggaat, zijn zulke
491 II | de wind geteisterde kust huiswaarts keerde, waren haar lange
492 II | er snel vandoor, met haar huppelende pas.~ Eindelijk, op een
493 I | Voor schilders zijn dat huwelijksreizen met de aarde. Je bent helemaal
494 I | I~ Ik was toen vijfentwintig
495 III | dat? Toen kwam ik op het idee een lantaarn aan een touw
496 I | propaganda. Daarvan deelde ze aan iedereen uit, van die boekjes. Zelfs
497 II | II~ Wij leerden elkaar op
498 III | III~ Het was echt een vreemde
499 III | neergelaten waardoor de kippen in- en uitgaan, pakte ik haar
500 III | een buurman er bossen stro ingegooid, om zich te wreken.~
|