1696-ingeg | ingeh-stoom | stoor-zwoel
bold = Main text
Part grey = Comment text
501 II | onverschilligheid, of ook wel met ingehouden ergernis. En ze werd bij
502 II | ongetrouwd zijn. Ze leek ingemaakt in verzuurde onschuld, maar
503 III | wankelen, gaan trillen en ingestort. Dat wist ik. Ze ging ervandoor
504 III | gezien. Die moet er vannacht ingevallen wezen nadat 'm uit de wei
505 I | Lecacheur had een geniale ingeving gehad toen ze haar zo doopte.~
506 I | plotseling, zonder enige inleiding tot die verklaring: `Ik
507 I | zien, tevreden van diepe, innerlijke vreugde.~ Vaak ook kwam
508 I | Mevrouw Lecacheur, instinctief afkerig van alles wat niet
509 II | ik toon, verzadiging en intensiteit in vaktermen beschreef.
510 III | die zich overgeven maar intussen toch nog weerstand bieden.
511 II | middelen en zonder veel invloed, want ze stelde Hem altijd
512 II | voor alsof Hij vreselijk inzat met de onrechtvaardigheden
513 I | Europese pensions opduiken, die Italië verpesten, Zwitserland vergiftigen,
514 II | leisteen, maar de zee van jade, groenachtig, melkig en
515 Voor | niet zo gewend aan zo'n jagersontwaken, lieten elk moment de oogleden
516 I | gekregen, hem bezorgd door een jochie, tegen betaling van twee
517 III | vermoedde je een mensenpaar, een jongen en een meisje, stevig omhelsd,
518 II | had in haar hart iets heel jongs en vurigs. Ze hield van
519 III | ons verlaten! En me waren juist zo aan je gewend geraakt!'~
520 I | dissidente', waarvan ze de juiste betekenis niet kenden, zaaiden
521 II | enorme kop en een helemaal kaal lijf, haar met overdreven
522 III | Ik bekeek haar bij het kaarslicht, die ongelukkige vrouw die
523 II | haar zo vaak had gezien, kaarsrecht op het klif, rood ook in
524 Voor | de weg strekten zich de kale velden uit, vergeeld door
525 II | gedaan zou hebben met een kameraad, waarbij ik toon, verzadiging
526 III | was vreselijk, zwart en kapot, en haar lange grijze haren,
527 III | Ik waste haar trieste, kapotte gezicht. Onder mijn vinger
528 III | voorhoofd een nieuw en raar kapsel. Toen trok ik haar kletsnatte
529 II | vereeuwigen. Ze leek wel een karikatuur van extase.~ Ik wendde
530 III | vervolgens zakken aan de katrol, heel langzaam, waarbij
531 I | drinkend en grof witbrood kauwend, dat vier dagen oud was,
532 II | geteisterde kust huiswaarts keerde, waren haar lange haren,
533 III | ging de Geniesoldaat in de kelder de ciderkruik vullen, zoveel
534 I | natuur te schilderen. Ik ken niets fijners dan dat leven
535 I | gemeenschappelijke tafel, om kennis te kunnen maken met die
536 III | Toen zette ze een schaal kersen voor ons neer, de eerste
537 I | geur van clematis die die keuze bepaalt, of het naïeve lonken
538 Voor | de achterbank zat, riep: `Kijk, een haas,' en hij stak
539 III | met die bleke blik, die kille blik, die vreselijke blik
540 I | denk met spijt terug aan kinderlijke en onbelemmerde strelingen,
541 III | neergelaten waardoor de kippen in- en uitgaan, pakte ik
542 III | bomen en ik zag Celeste het kippenhok afsluiten, aan de overkant
543 II | manier kennen. Ik was net klaar met een studie die mij puik
544 I | die van bosuilen die op klaarlichte dag worden verrast.~
545 I | gerimpeld, streng, die de klandizie altijd slechts met tegenzin
546 Voor | links uit, wijzend op een klaverveld. Het dier schoot weg, vrijwel
547 II | weerwil van zichzelf een klein `ow' van verbazing, vreugde
548 II | oceaan. Je zag het zakken, kleiner worden, verdwijnen. Het
549 II | van een vogelnestje vol kleintjes, piepend, met open bekjes,
550 III | trok ik haar kletsnatte kleren uit, waardoor ik met schaamte,
551 III | kapsel. Toen trok ik haar kletsnatte kleren uit, waardoor ik
552 II | het paletmes opgebrachte kleurvlek, een goed en onverwacht
553 I | dorpje met zijn puntige klokkentoren die twaalf uur slaat.~
554 III | daar onderin lag.~ We klommen met zijn tweeën op de stenen
555 III | touw in de andere. Al snel klonk zijn stem, die uit het binnenste
556 II | haar verontrustte. Ze was knalrood, van dat Engelse rood dat
557 Voor | een oude schilder die zeer knap, zeer sterk, zeer trots
558 III | geborgen worden. Ik bond de knecht stevig om zijn middel vast
559 I | glanzend van leven. Je knielt neer, je buigt je voorover,
560 Voor | moment de oogleden zakken, knikkebolden of geeuwden, ongevoelig
561 I | mening op na. Hij zei met een knipoog: `Dat is er een ouwe van '
562 III | Harriet.'~ De Geniesoldaat knipperde niet eens met de oogleden.
563 II | het langs een pad aan een koe toonde, en haar toeriep: `
564 I | voorover, je drinkt dat koele heldere water, dat je de
565 II | vreugde en bewondering. Ze koesterde een soort vertederd ontzag
566 II | dienstplichtige verklaart: `De kolonel, die heeft bevolen.'~
567 III | onderonsje. Een bleek licht kondigde de dageraad aan, toen kroop
568 III | met aardappelen, gebakken konijn en een salade. Toen zette
569 II | dan wanneer het van een koningin afkomstig was geweest. Ik
570 II | ook nog iets anders, een koorts, een wanhopige begeerte,
571 I | aard, zonder zorgen, zonder kopbrekens, zelfs zonder aan de volgende
572 I | voor mijn kleine attenties. Koppig schonk ik haar water in,
573 I | beginselen, een van die koppige puriteinsen van wie Engeland
574 III | bloemen plukken, klaprozen, korenbloemen, margrieten en vers, geurend
575 I | van een andere godsdienst. Kortom, ze was demonisch!~ Ze
576 I | zeldzame, zulke zalige, zulke kostbare zaken dat je er nooit op
577 III | dienstmeisje mij een emmer goed koud water te gaan putten.~
578 III | zwarte schoenen en de witte kousen van de drenkeling uit dat
579 I | en frisse lippen, en hun krachtige kus is pittig en sappig
580 I | waar reizigers onderdak kregen, een soort herberg, gedreven
581 III | en Celeste begonnen hoge kreten te slaken en vluchtten hard
582 II | laatste dag aangekondigd krijgen. Er lag in haar blik een
583 I | muur, met haar uitstekende krijtrotsen die loodrecht in zee afdalen.
584 I | van een meeuw die de witte kromming van haar vleugels door de
585 III | kondigde de dageraad aan, toen kroop een rode straal tot aan
586 III | houding vandaan, die arme en kuise vrijster. Het hoofd was
587 I | subtiele pleziertjes die je kunt verkrijgen van charmante,
588 III | haar stiekem wel eens een kusje, een gewoonte van herberglieden,
589 I | genoegen, alsof je de bron kuste, mond op mond. Soms, als
590 I | oprechte onbehouwenheid kwetsbaarder dan de subtiele pleziertjes
591 III | eindelijk te pakken. Ik werd laat wakker en liet me pas bij
592 II | en zo vleiend dat ik mij lachend tot haar wendde en zei: `
593 Voor | dagen.'~ Met een slaperig lachje antwoordde ze: `Doe toch
594 III | Ze verdedigde zich, maar lachte toch, want ze was eraan
595 III | en welke geheime wanhoop lagen besloten in dat onbevallige
596 II | uitgestrekte zee die honderd meter lager haar golfjes aandroeg. En
597 III | een staaf van vuur over de lakens en over haar handen. Dit
598 II | haar kamer om wat ik haar lampenglazen noemde te schikken, en als
599 I | had doorgebracht door de landen van de wereld te bereizen,
600 II | glimlachje. En ik begon weer over landschapschilderen.~ Na het eten waren we
601 I | alleen met haar bij die langdurige, van rust vervulde ontmoetingen.
602 I | snel, terwijl ze een boekje las van de protestantse propaganda.
603 III | bestaan als een beschamende last had gedragen, een belachelijk
604 I | ik viel aan op de magere ledematen van een Normandische kip,
605 III | donkere put uitgedoofd. Ze leed niet meer. Ze had haar leven
606 III | bodem geraakt, maar was leeg weer bovengekomen. Moeder
607 II | II~ Wij leerden elkaar op een onalledaagse
608 Voor | leken te dampen in de mist. Leeuweriken zongen in de lucht, andere
609 I | vervulde ontmoetingen. Je legt je hoofd te ruste in een
610 II | de blauwe zee, de zee van leisteen, maar de zee van jade, groenachtig,
611 Voor | geschoren baard. De akkers leken te dampen in de mist. Leeuweriken
612 Voor | wilden volgen.~ René Lemanoir verkondigde: `Wij zijn niet
613 I | uitspreken van die twee lettergrepen, als ik haar zag.~ Aan
614 III | van alle dingen en alle levende wezens, zolang het maar
615 III | verruild voor de andere levens die ze zou doen ontstaan.~
616 III | gestalte met een stortvloed aan liefkozingen. Ze verdedigde zich, maar
617 I | liefde voor haar weidse en lieflijke landschappen. Ik voelde
618 II | doordringende mildheid. We liepen nu langs de afgrond, boven
619 Voor | aan zo'n jagersontwaken, lieten elk moment de oogleden zakken,
620 II | die op de grond had laten liggen, in mijn verfdoos, in mijn
621 III | die... die... die daarin ligt... dat is miss Harriet.'~
622 III | is gejaagd? Welk geheim lijden en welke geheime wanhoop
623 I | bevochtigt, je drinkt het met lijfelijk genoegen, alsof je de bron
624 III | die vreselijke blik van lijken, die schijnt van achter
625 II | roerloze schip dat nu in een lijst van vuur gevat scheen, te
626 III | en teleurgesteld, op haar lijzige toon: `Wat zeg je me daar,
627 I | het voor de deur van een logementhouder zo lekker naar gebakken
628 I | keuze bepaalt, of het naïeve lonken van een dienstertje in een
629 I | uitstekende krijtrotsen die loodrecht in zee afdalen. Ik had al
630 II | doorgronden.~ Het was een luwe, loom makende avond, zo'n avond
631 I | betaling van twee schelling loopgeld. Soms zei zij tegen onze
632 I | haar onder in een dal, snel lopend, met de veerkrachtige tred
633 Voor(2)| Bedoeld wordt Louis François Armand de Vignerot
634 III | stap vertraagd, trokken lui, en de brik kwam nog maar
635 II | moeder Lecacheur meteen door luidkeels te brullen: `Hela! Hela!
636 III | ze overeind kwam, na het luikje te hebben neergelaten waardoor
637 II | vaktermen beschreef. Ze luisterde heel aandachtig, begrijpend,
638 II | doorgronden.~ Het was een luwe, loom makende avond, zo'
639 I | hun zeden van versteende maagden, hun onbeschrijflijke toiletten
640 II | tegelijk opgestaan en we maakten een wandelingetje over het
641 II | vocht tegen een onbekende macht die zij wilde temmen, en
642 II | Het was een luwe, loom makende avond, zo'n avond vol welzijn
643 Voor(1)| Maupassant toegevoegd aan het manuscript, toen hij dat cadeau deed
644 III | ondefinieerbare, wit-zwarte massa, vreemd en onbegrijpelijk.
645 I | staan, het leek wel een mast met vlaggetjes. Dat was
646 Voor(1)| Deze opdracht is later door Maupassant toegevoegd aan het manuscript,
647 III | deprimerende gedachten. Ik meende gehuil te horen. Ik had
648 I | zeilende vlucht van een meeuw die de witte kromming van
649 I | wantrouwen.~ Het was mei, de bloeiende appelaars
650 III | op. Zij was een stevige meid van achttien, rood aangelopen,
651 I | een ziel en zintuigen, die meisjes, stevige wangen en frisse
652 II | wat bloed naar de wangen, meisjesbloed, bloed van een vijftienjarige.~
653 I | je op een heuvel staat, melancholisch aan de rand van plassen,
654 I | door zijn grote bomen, en meldde me bij moeder Lecacheur.~
655 II | zee van jade, groenachtig, melkig en hard onder de donkere
656 III | verloren ging, verdronk in die melkige nevel, die wattendeken die
657 I | gediend, hield er een andere mening op na. Hij zei met een knipoog: `
658 I | aangelegen gelijk het een mens waar. Als dat geen heiligschennis
659 III | ongelukkig zijn! Ik voelde op dat menselijk schepsel de eeuwige onrechtvaardigheid
660 II | religieus ontzag voor die menselijke weergave van een stukje
661 III | gezegd vermoedde je een mensenpaar, een jongen en een meisje,
662 III | van beesten zou zij weer mensenvlees worden. Maar wat je noemt
663 I | beweging met het hoofd, amper merkbaar, en een Engels woord, zo
664 II | een zogende teef, van een merrie die met haar veulen tussen
665 II | uitgestrekte zee die honderd meter lager haar golfjes aandroeg.
666 I | verdween ze.~ Ik kwam 's middags terug om te eten en ik nam
667 III | de knecht stevig om zijn middel vast en liet hem vervolgens
668 II | dorpsfilosoof, zonder veel middelen en zonder veel invloed,
669 I | bekoorlijke steden rond de Middellandse Zee onbewoonbaar maken,
670 III | een paar seconden in de mijne en ik voelde ze trillen
671 II | geest met haar doordringende mildheid. We liepen nu langs de afgrond,
672 III | Geniesoldaat verkondigde op minachtende toon: `Nonde, den diën is
673 I | apart dat ze me geenszins misnoegde.~ Mevrouw Lecacheur,
674 II | Heb ik iets gedaan wat u misnoegen heeft gewekt? Het baart
675 I | het erf als het mooi weer mocht zijn.~ Mij werd dus gedekt
676 II | een dag, raapte zij haar moed bij elkaar en zei: `Ik zou
677 III | Tegen de avond kwamen de moedertjes uit de buurt om naar de
678 I | De liefde is altijd de moeite waard, waar zij ook vandaan
679 II | ter dood veroordeelden zo moeten kijken als ze hun laatste
680 III | en overdekte haar brede, mollige gestalte met een stortvloed
681 I | van de rook.~ `Hebt u momenteel wel reizigers?' vroeg ik
682 I | zij iemand is van volmaakt moreel gedrag.'~ Die woorden, `
683 I | Haar gelaat, als van een mummie, omkaderd door rollen grijze
684 I | iets vaags, slechts om haar mystiek verlichte gezicht te zien,
685 II | blik een soort waanzin, een mystieke en gewelddadige waanzin,
686 I | waterloopjes, duik je er helemaal naakt in, en voel je van kop tot
687 I | te bemerken dat ik haar naam kende, antwoordde zij: `
688 Voor | rand van de horizon, en naarmate zij steeg, van minuut tot
689 I | je zou denken dat ze 's nachts in een etui worden opgeborgen.~
690 III | vannacht ingevallen wezen nadat 'm uit de wei ontsnapt waar.'~
691 III | schilderijtje voor u.'~ Ze naderde, als met tegenzin. Ik liet
692 II | Brits `ow!', met zoveel nadruk en zo vleiend dat ik mij
693 I | schonk ik haar water in, zeer nadrukkelijk gaf ik haar de schalen door.
694 I | die keuze bepaalt, of het naïeve lonken van een dienstertje
695 I | plakken, natuurlijk een neerbuigende, die haar op een of andere
696 III | na het luikje te hebben neergelaten waardoor de kippen in- en
697 I | mensen en het gras bleven neerkomen.~ Ik vroeg: `Wel, mevrouw
698 Voor | besluiteloos over de te nemen weg, waarna het met grote
699 II | stilzwijgend, duidelijk nerveus en op zoek naar woorden
700 III | ik op haar voorhoofd een nieuw en raar kapsel. Toen trok
701 III | ik had verwacht dat hij nieuws kwam brengen van haar die
702 II | Wilt u wel? Ik ben heel nieuwsgierig.' En ze bloosde alsof ze
703 I | zeggen, hield ook iets van nieuwsgierigheid mij bij moeder Lecacheur.
704 III | zonder met iemand te spreken noch de blikken op te slaan.
705 III | stilhangende nevel die ik nodig had.~ Er dook iets voor
706 III | mensenvlees worden. Maar wat je noemt de ziel, die was onder in
707 III | verkondigde op minachtende toon: `Nonde, den diën is mager!'~
708 II | bedacht ik me dat dat haar normale doen moest zijn, ongetwijfeld
709 II | zag ik haar dan weer haar normalere uiterlijk herkrijgen en
710 I | een boerin, midden op een Normandisch erf, omgeven door een dubbele
711 Voor | verkleumd in de frisse ochtendlucht. Vooral de dames, niet zo
712 III | takken door en doorboorde die ochtendmist, verlichtte hem met een
713 II | achter mij langs op het ogenblik dat ik mijn doek aan de
714 II | wieren, waar het zonlicht als olie overheen stroomde. Het licht
715 I | en te weten komen wat er omgaat in die eenzame zielen van
716 III | Waarom heb ik mij met een ruk omgedraaid? Hoe heb ik gevoeld dat
717 III | weg, zo betreurenswaardig omgekomen. Liet ze ergens nog vrienden
718 II | voorhield. De demon kon er niet omheen, want ik zorgde ervoor de
719 III | aan de overkant van de omheining. Ik trippelde op haar af,
720 III | jongen en een meisje, stevig omhelsd, zij met het hoofd naar
721 III | gedragen, een belachelijk omhulsel dat elke genegenheid en
722 I | gelaat, als van een mummie, omkaderd door rollen grijze pijpenkrullen,
723 II | Wij leerden elkaar op een onalledaagse manier kennen. Ik was net
724 III | wit-zwarte massa, vreemd en onbegrijpelijk. De Geniesoldaat riep: `
725 I | strelingen, in hun oprechte onbehouwenheid kwetsbaarder dan de subtiele
726 II | haar hart vocht tegen een onbekende macht die zij wilde temmen,
727 I | terug aan kinderlijke en onbelemmerde strelingen, in hun oprechte
728 III | mijn aderen voelde ik iets onbestemds wat je ertoe aanzet gekke
729 III | wanhoop lagen besloten in dat onbevallige lijf, in dat lijf dat zij
730 I | rond de Middellandse Zee onbewoonbaar maken, overal hun vreemde
731 III | lantaarn bleef hangen boven een ondefinieerbare, wit-zwarte massa, vreemd
732 I | boerderijtje waar reizigers onderdak kregen, een soort herberg,
733 II | door de enorme brand die de ondergaande zon boven de zee ontstak,
734 III | brengen van haar die daar onderin lag.~ We klommen met
735 III | dat sinistere en stille onderonsje. Een bleek licht kondigde
736 II | haar stomme blik die niets onderscheidde, die niet eens zag of dat
737 II | met een volstrekt grappige ondertoon van woede: `Ik ben met u
738 I | volstrekt niet geliefd. De onderwijzer had verklaard: `Dat is een
739 III | trokken haar daar in de meest oneerbare houding vandaan, die arme
740 I | op schoot en haar blik op oneindig.~ Want ook ik bleef hangen,
741 II | schikken, en als ik haar met ongedwongen hoffelijkheid, die haar
742 II | vriendin, met hartelijke ongedwongenheid. Maar ik merkte al snel
743 III | op compensatie van haar ongeluk had gehoopt. Nu zou ze tot
744 III | bij het kaarslicht, die ongelukkige vrouw die niemand kende,
745 Voor | richting, bleef weer staan, ongerust, op elk gevaar gespitst,
746 II | die op hun vijftigste nog ongetrouwd zijn. Ze leek ingemaakt
747 II | begeerte, ongeduldig en onmachtig bij wat niet verwerkelijkt
748 I | geurende bloesem en zaaiden onophoudelijk een dwarrelende regen van
749 II | Hij vreselijk inzat met de onrechtvaardigheden die onder Zijn neus begaan
750 III | menselijk schepsel de eeuwige onrechtvaardigheid van de genadeloze natuur
751 III | had gehoopt. Nu zou ze tot ontbinding overgaan en op haar beurt
752 III | armen, mager als takken, ontblootte.~ Toen ging ik bloemen
753 II | enthousiasme afging. Het ontbrak haar aan evenwicht, zoals
754 Voor | meisje dat uit bed stapt, te ontdoen van haar hemd van witte
755 I | Ze antwoordde op haar ontevreden toon: `M'n hebben een dame,
756 II | zij haar best deed mij te onthullen, en elke dag vond ik in
757 III | dag had gehad, de vreemde ontmoeting van de ochtend, die rare
758 I | langdurige, van rust vervulde ontmoetingen. Je legt je hoofd te ruste
759 III | Ik sprong overeind, zelf ontroerd door dat verdriet dat ik
760 II | dichterbij, voer langs en ontrolde daarbij haar rook die achter
761 II | het niet aan haar blik kon ontsnappen. Ze bleef stokstijf staan,
762 III | wezen nadat 'm uit de wei ontsnapt waar.'~ Maar plotseling
763 III | andere levens die ze zou doen ontstaan.~ De uren verstreken
764 II | ondergaande zon boven de zee ontstak, opende ik vervolgens het
765 I | slechts met tegenzin leek te ontvangen, met een soort wantrouwen.~
766 II | rechtstreeks uit het paradijs ontving.~ Ik behandelde haar
767 II | vuur. Dat was het. Een door ontvlamde helderheid verbluffende
768 III | waarom verborg ze zich zo, ontvluchtte ze de rest? Waarom hield
769 III | uur dat ze zo beminde. De ontwaakte vogels zongen in de bomen.~
770 Voor | leek het platteland te ontwaken, te lachen, zich te schudden
771 I | voortbrengt, een van die onverdraaglijke oude en goede vrijsters
772 II | en ging er zo snel en zo onverklaarbaar vandoor dat ik me altijd
773 II | antwoordde, maar met geveinsde onverschilligheid, of ook wel met ingehouden
774 II | opgebrachte kleurvlek, een goed en onverwacht effect verkreeg, slaakte
775 II(3) | Het klif bij Étretat na onweer uit 1870, een schilderij
776 I | gevoelige wezen, leek mij onweerstaanbaar komisch. Ik noemde haar
777 II | betreurde hartgrondig mijn onwetendheid aangaande de hemelse bedoelingen
778 III | geraakt!'~ Ik keek uit mijn ooghoek naar miss Harriet, haar
779 III | schoof de gordijnen opzij opdat de hele hemel ons zou zien,
780 III | beide vrouwen niet meer opdoken, legde ik haar met de stalknecht
781 Voor(1)| Deze opdracht is later door Maupassant
782 I | weer in Europese pensions opduiken, die Italië verpesten, Zwitserland
783 II | zon boven de zee ontstak, opende ik vervolgens het hek dat
784 III | en dat de buitendeur werd opengedaan.~ Tegen de ochtend werd
785 I | nachts in een etui worden opgeborgen.~ Als ik er een in een
786 II | plotseling met het paletmes opgebrachte kleurvlek, een goed en onverwacht
787 III | zij met het hoofd naar hem opgeheven, hij naar haar toe gebogen,
788 II | het eten waren we tegelijk opgestaan en we maakten een wandelingetje
789 II | het haar rots was, waar ze opklom om op haar gemak te kunnen
790 III | deed, om de zon te zien opkomen.~ We verbaasden ons er
791 I | onbelemmerde strelingen, in hun oprechte onbehouwenheid kwetsbaarder
792 I | ik, plotseling mijn blik opslaand, iets vreemds boven aan
793 I | bij elk van haar stappen opsprongen, deed mij, waarom weet ik
794 I | zitten bij een bron die opwelt aan de voet van een eik,
795 III | ik schoof de gordijnen opzij opdat de hele hemel ons
796 Voor | toonde alleen zijn grote oren, maar daarna sprong het
797 II | niet eens zag of dat nu een os of een huis voorstelde.~
798 I | kauwend, dat vier dagen oud was, maar verrukkelijk.~
799 I | Zee onbewoonbaar maken, overal hun vreemde eigenaardigheden
800 II | een enorme, wrattige rots, overdekt met bruine, gele en rode
801 III | ik haar in mijn armen en overdekte haar brede, mollige gestalte
802 I | de bloeiende appelaars overdekten het erf met een dak van
803 III | kant naar de andere. Alle overdenkingen die ik op die dag had gehad,
804 II | helemaal kaal lijf, haar met overdreven ontroering aan.~ Arme,
805 III | langer kunnen, die zich overgeven maar intussen toch nog weerstand
806 III | kippenhok afsluiten, aan de overkant van de omheining. Ik trippelde
807 Voor | liefdesgeschiedenis die u is overkomen, wat u maar wilt.'~ Leon
808 III | uit de buurt om naar de overledene te kijken, maar ik verhinderde
809 II | Ik was verleid, veroverd, overwonnen. Ik had haar wel willen
810 III | de slaap me eindelijk te pakken. Ik werd laat wakker en
811 II | snel raakte hij het water, pal achter het roerloze schip
812 II | grote, plotseling met het paletmes opgebrachte kleurvlek, een
813 I | niet, aan een bokking met papillotten denken. Ze sloeg haar ogen
814 II | ongetwijfeld rechtstreeks uit het paradijs ontving.~ Ik behandelde
815 I | verschijnen, met daarin een witte parasol voor toeristen. Haar gelaat,
816 II | reukvermogen met haar wilde parfum, streelt het gehemelte met
817 II | blik het uiteinde van mijn penseel in al zijn bewegingen. Als
818 I | bijbetaling van vijf sollen per dag verkreeg ik het recht
819 I | maaltijd gebruiken met het personeel van de boerderij en de bazin,
820 II | vogelnestje vol kleintjes, piepend, met open bekjes, een enorme
821 Voor(1)| cadeau deed aan Emmanuela Pignatelli di Cergharia, gravin Potocka (
822 III | liep af.~ Ik ging mijn pijp roken onder de appelaars,
823 I | omkaderd door rollen grijze pijpenkrullen, die bij elk van haar stappen
824 I | en hun krachtige kus is pittig en sappig als wild fruit.
825 I | terug om te eten en ik nam plaats aan de gemeenschappelijke
826 II | er in haar ook een strijd plaatsgreep, waarin haar hart vocht
827 I | term gevonden om op haar te plakken, natuurlijk een neerbuigende,
828 I | en leek absoluut niet van plan weer weg te gaan. Aan tafel
829 III | overgaan en op haar beurt plant worden. Ze zou bloeien in
830 I | open ogen, in een heldere plas zonlicht, zie je in de verte
831 I | melancholisch aan de rand van plassen, extatisch als de zon verdrinkt
832 III | alsof ik heiligschennis pleegde, haar schouders, haar borst
833 III | niet om mij dat ze daar ter plekke wilde blijven?~ Tegen
834 Voor(2)| François Armand de Vignerot du Plessis, hertog van Richelieu (1696-
835 I | kwetsbaarder dan de subtiele pleziertjes die je kunt verkrijgen van
836 III | handen in een gebaar van plotselinge toegenegenheid, typisch
837 III | Toen ging ik bloemen plukken, klaprozen, korenbloemen,
838 III | niets, ze bleef er een hele poos roerloos naar staan kijken,
839 I | meegenomen waarvan ze de poot verbrijzeld hadden, en die
840 II | verbluffende voorgrond, prachtig.~ Links de zee, niet
841 II | zorgde ervoor de zaak zo te presenteren dat het niet aan haar blik
842 III | gevoel in het lijf, een prikkeling van zoenen op lippen, en
843 II | nog het bootje toonde zijn profiel, uitgesneden tegen de gouden
844 I | altijd in mijn hart.' En prompt gaf ze de verblufte boerin
845 I | las van de protestantse propaganda. Daarvan deelde ze aan iedereen
846 I | ze een boekje las van de protestantse propaganda. Daarvan deelde
847 II | klaar met een studie die mij puik leek, en die dat ook was.
848 II | aardkleur en leek op het punt flauw te vallen. Maar langzaam
849 I | verte het dorpje met zijn puntige klokkentoren die twaalf
850 I | beginselen, een van die koppige puriteinsen van wie Engeland er zoveel
851 II | het klif, rood ook in haar purperen omslagdoek. Ik kreeg zin
852 III | Toen zijn hoofd boven de putrand verscheen, vroeg ik: `En?'
853 III | goed koud water te gaan putten.~ Ze kwam na vijf minuten
854 I | een of andere verwarde, raadselachtige geestesarbeid. Ze zei: `
855 II | langzaam dalen. En al snel raakte hij het water, pal achter
856 III | bomen.~ Ik gooide het raam wijdopen, ik schoof de gordijnen
857 II | Eindelijk, op een dag, raapte zij haar moed bij elkaar
858 III | haar voorhoofd een nieuw en raar kapsel. Toen trok ik haar
859 III | schalen aan uit de keuken, ragout van schapenvlees met aardappelen,
860 III | voorstelde.~ Een diep ravijn, gevat tussen rotswanden
861 I | oude zonderlinge. Maar ze reageerde niet op mijn beleefdheden,
862 II | academische regels. De hele rechterzijde van mijn doek toonde een
863 II | studie begon.~ Ze bleef rechtop achter me staan, volgde
864 II | brochures, die zij ongetwijfeld rechtstreeks uit het paradijs ontving.~
865 II | volk heeft, en zonder enige reden verbleekte ze dan weer,
866 II | en tegen alle academische regels. De hele rechterzijde van
867 I | onophoudelijk een dwarrelende regen van roze bloemblaadjes,
868 II | voor mijn doeken, een bijna religieus ontzag voor die menselijke
869 Voor | beest wilden volgen.~ René Lemanoir verkondigde: `Wij
870 Voor | zijn achterhand begon te rennen en in een groot bietenveld
871 Voor | meneer Chenal, u hebt de reputatie meer avontuurtjes te hebben
872 I | lippen was gekomen, het resultaat van een of andere verwarde,
873 II | van zeewier, streelt het reukvermogen met haar wilde parfum, streelt
874 Voor | dolle loop, veranderde van richting, bleef weer staan, ongerust,
875 I | fantasie, zonder een ander richtsnoer dan wat het oog behaagt.
876 I | voorbij en verdween onder het rietdak.~ Die vreemde verschijning
877 I | omgeven door een dubbele rij beuken.~ Ik liet dus
878 I | verder vanuit dat de Engelse rijk was en dat zij haar leven
879 II | er aan met haar snelle, ritmische pas. Ze ging dan plotseling
880 I | met rosse weerschijn in rivieren dompelt. En 's avonds, onder
881 II | het water, pal achter het roerloze schip dat nu in een lijst
882 III | af.~ Ik ging mijn pijp roken onder de appelaars, en liep
883 I | uit op de keuken, groot, rokerig, waar de gasten hun maaltijd
884 Voor(2)| van Voltaire en berucht rokkenjager.~
885 I | een mummie, omkaderd door rollen grijze pijpenkrullen, die
886 III | besluit.~ Na te hebben rondgezworven tot het avondeten, een beetje
887 I | leven van op goed geluk rondzwerven. Je bent vrij, zonder banden
888 I | een struik. Omdat ik iets roods door de bladeren had zien
889 I | bloedrode wolken en zij zich met rosse weerschijn in rivieren dompelt.
890 I | aan het werk was tussen de rotsen, zag ik haar plotseling
891 III | diep ravijn, gevat tussen rotswanden met bovenop twee hellingen
892 I | toiletten en een vage lucht van rubber, waardoor je zou denken
893 II | mijn schilderkist op de rug, vergezelde zij mij tot
894 Voor | Étretat vertrokken om de ruïnes van Tancarville te gaan
895 I | omslagdoek met rode Schotse ruit gewikkeld dat je zou zeggen
896 III | Waarom heb ik mij met een ruk omgedraaid? Hoe heb ik gevoeld
897 III | terug, of liever gezegd ze rukte ze los.~ Ik had haar
898 I | bij die langdurige, van rust vervulde ontmoetingen. Je
899 I | ontmoetingen. Je legt je hoofd te ruste in een wei, tussen margrieten
900 I | aangestampte vloer van een rustiek vertrek, gemeubileerd met
901 I | een herberg. Je moet die rustieke tederheden geenszins verachten.
902 I | hangen, verbonden met die rustige streek door duizend banden
903 I | Dat is een atheïste', dus rustte er een soort veroordeling
904 III | gebakken konijn en een salade. Toen zette ze een schaal
905 I | krachtige kus is pittig en sappig als wild fruit. De liefde
906 III | salade. Toen zette ze een schaal kersen voor ons neer, de
907 III | kleren uit, waardoor ik met schaamte, alsof ik heiligschennis
908 II | schelen, en ze ging er ook schaamteloos mee aan tafel, haar haren
909 III | uit de keuken, ragout van schapenvlees met aardappelen, gebakken
910 II | een lijst van vuur gevat scheen, te midden van dat stralende
911 II | Vroeger kon haar dat niets schelen, en ze ging er ook schaamteloos
912 I | tegen betaling van twee schelling loopgeld. Soms zei zij tegen
913 I | door de bladeren had zien schemeren, schoof ik de takken aan
914 I | bewonder Hem in Zijn gehele schepping, ik bewonder Hem in Zijn
915 I | nog slechts `de demon', en schepte een vreemd genoegen in het
916 III | tegenzin. Ik liet haar mijn schets zien. Ze zei niets, ze bleef
917 II | kreeg zin om haar in mijn schetsboek te vereeuwigen. Ze leek
918 I | rand van het klif, als het schijnsel van een vuurtoren. Ze bekeek
919 III | vreselijke blik van lijken, die schijnt van achter het leven weg
920 II | haar lampenglazen noemde te schikken, en als ik haar met ongedwongen
921 III | die dat niet gewend waren, schikte ik op haar voorhoofd een
922 Voor | Leon Chenal, een oude schilder die zeer knap, zeer sterk,
923 II | haar over als een soort schilderijen van heiligheid en soms begon
924 III | juffrouw, ik heb hier een leuk schilderijtje voor u.'~ Ze naderde,
925 II | morgens vertrok, met mijn schilderkist op de rug, vergezelde zij
926 II | had ik het met haar over schilderkunst, zoals ik dat gedaan zou
927 I | avondschemering, de volle maan. Voor schilders zijn dat huwelijksreizen
928 II | Ik zou graag zien hoe u schildert. Wilt u wel? Ik ben heel
929 II | pal achter het roerloze schip dat nu in een lijst van
930 II | hartstochtelijke blik het schitterend einde van de dag. Ze voelde
931 III | als waanzinnig boven de schoen begon te dansen, stamelde
932 I | kleine attenties. Koppig schonk ik haar water in, zeer nadrukkelijk
933 III | sterk als een paard, en heel schoon, wat zeldzaam is. Ik gaf
934 I | een omslagdoek met rode Schotse ruit gewikkeld dat je zou
935 III | heiligschennis pleegde, haar schouders, haar borst en haar lange
936 III | wegvluchten. Maar ik riep haar en schreeuwde: `Kom nou, kom nou eens
937 Voor | niet zo dom!' Vervolgens schudde ze haar versuffing van zich
938 Voor | ontwaken, te lachen, zich te schudden en zich als een meisje dat
939 III | liet haar handen een paar seconden in de mijne en ik voelde
940 III | neer, de eerste van het seizoen.~ Omdat ik die wilde
941 II | als oude drank, met die sensuele liefde die ze mannen geenszins
942 Voor | buurvrouw, de kleine barones van Sérennes, die tegen de slaap vocht,
943 II | God wil niet', zoals een sergeant die de dienstplichtige verklaart: `
944 Voor | werd hij plotseling weer serieus.~ `Dat wordt geen vrolijk
945 II | driemaster met volle zeilen zijn silhouet af tegen de vurige hemel,
946 III | uren verstreken bij dat sinistere en stille onderonsje. Een
947 II | onverwacht effect verkreeg, slaakte ze in weerwil van zichzelf
948 III | spreken noch de blikken op te slaan. Voor de rest had ze haar
949 I | vreemd was, van een ander slag, van een andere taal, van
950 III | begonnen hoge kreten te slaken en vluchtten hard weg.~
951 III | gebroken, al mijn spieren slap, ik was bang de zwengel
952 I | achter de stal waar de koeien slapen, en op het stro van zolders
953 Voor | vier dagen.'~ Met een slaperig lachje antwoordde ze: `Doe
954 I | afspraakjes gekend in greppels vol sleutelbloemen, achter de stal waar de
955 III | of andere misdaad.~ Ik sliep slecht, was uitermate zenuwachtig,
956 III | hingen te druipen van het slijk. De Geniesoldaat verkondigde
957 Voor | helling waar de weg overheen slingerde.~ Wij waren vroeg uit
958 II | of gekwetst had.~ Ten slotte bedacht ik me dat dat haar
959 II | zich in haar kamer op te sluiten.~ Ze kon me op een hele
960 II | gehemelte met haar zilte smaak, streelt de geest met haar
961 I | diepte tegenkomt in die smalle waterloopjes, duik je er
962 III | gebaar van een Fransman die sneller handelt dan hij kan nadenken.~
963 I | heldere water, dat je de snor en de neus bevochtigt, je
964 III | zich een paar keer de neus snuiten. Alleen de koetsier zat
965 I | fijne en als een tapijt zo soepele gras dat aan de rand van
966 I | Tegen bijbetaling van vijf sollen per dag verkreeg ik het
967 Voor | mijn vrienden geenszins tot soortgelijk handelen aan te zetten.'~
968 II(3) | Gustave Courbet, maar dan in spiegelbeeld!~
969 III | waren als gebroken, al mijn spieren slap, ik was bang de zwengel
970 I | stevige huid, ik denk met spijt terug aan kinderlijke en
971 II | waren haar lange haren, tot spiralen gedraaid, vaak ontrold en
972 I | ze me door de gedachten spoken.~ Na drie dagen wist
973 III | haar uiterlijk had geen spoor van schrik vertoond. Maar
974 I | weer weg te gaan. Aan tafel sprak ze nooit, ze at snel, terwijl
975 II | slechts onder het eten en we spraken amper meer met elkaar. Ik
976 III | ernstig, zonder met iemand te spreken noch de blikken op te slaan.
977 Voor | weg, waarna het met grote sprongen van zijn achterhand begon
978 II | ziel met veren had, die sprongsgewijze in enthousiasme afging.
979 III | tot aan het bed, legde een staaf van vuur over de lakens
980 I | blij als je op een heuvel staat, melancholisch aan de rand
981 Voor | Kijk, een haas,' en hij stak zijn arm naar links uit,
982 I | sleutelbloemen, achter de stal waar de koeien slapen, en
983 III | schoen begon te dansen, stamelde ik: `Dat is een vrouw die...
984 Voor | als een meisje dat uit bed stapt, te ontdoen van haar hemd
985 I | vergiftigen, de bekoorlijke steden rond de Middellandse Zee
986 II | achter mij verborgen, op de steen en vergulde die met vuur.
987 II | zonder veel invloed, want ze stelde Hem altijd voor alsof Hij
988 III | andere. Al snel klonk zijn stem, die uit het binnenste van
989 II | straalt vandaag als een ster, miss Harriet', steeg haar
990 III | zeldzaam is. Ik gaf haar stiekem wel eens een kusje, een
991 III | toevallig die ochtend de stilhangende nevel die ik nodig had.~
992 III | verstreken bij dat sinistere en stille onderonsje. Een bleek licht
993 III | niet over en begonnen in stilte te eten.~ Het was warm,
994 I | gemeubileerd met een bed, twee stoelen, een tafel en een waskom.
995 I | herinneringen aan grove grijze stof op veerkrachtige en stevige
996 II | kon ontsnappen. Ze bleef stokstijf staan, gegrepen, stomverbaasd.
997 II | bekeek mijn werk met haar stomme blik die niets onderscheidde,
998 II | stokstijf staan, gegrepen, stomverbaasd. Ik denk dat het haar rots
999 III | zakte stukje bij beetje. Wij stonden met zijn vieren over de
1000 II | de vurige hemel, en een stoomboot, dichterbij, voer langs
|