1696-ingeg | ingeh-stoom | stoor-zwoel
bold = Main text
Part grey = Comment text
1001 II | omdat ze bang was dat ze me stoorde, zei ze: `Dank u wel', en
1002 III | de aarde leek te komen: `Stop.' Ik zag hem iets uit het
1003 Voor | vergeeld door de korte stoppel van de gemaaide haver en
1004 III | mollige gestalte met een stortvloed aan liefkozingen. Ze verdedigde
1005 I | avondeten een kip aan het stoven in haar grote open haard
1006 III | aan, toen kroop een rode straal tot aan het bed, legde een
1007 II | altijd choqueerde, zei: `U straalt vandaag als een ster, miss
1008 II | scheen, te midden van dat stralende hemellichaam. Dat zakte
1009 III | hellingen vol bramen en bomen, strekte zich uit tot het verloren
1010 Voor | beide zijden van de weg strekten zich de kale velden uit,
1011 I | zo'n ijskoude en zalige streling op je huid, de huivering
1012 I | kinderlijke en onbelemmerde strelingen, in hun oprechte onbehouwenheid
1013 I | oude boerin, gerimpeld, streng, die de klandizie altijd
1014 I | dat woord, geplakt op dat strenge en gevoelige wezen, leek
1015 II | mij dat er in haar ook een strijd plaatsgreep, waarin haar
1016 I | huivering van de snelle, lichte stroom.~ Je wordt blij als je
1017 II | zonlicht als olie overheen stroomde. Het licht viel, zonder
1018 I | ik haar geknield in een struik. Omdat ik iets roods door
1019 I | onbehouwenheid kwetsbaarder dan de subtiele pleziertjes die je kunt
1020 I | ander slag, van een andere taal, van een andere godsdienst.
1021 Voor | vertrokken om de ruïnes van Tancarville te gaan bekijken en zaten
1022 II | geïnspireerde blik en haar tanden in de wind, keek de Engelse
1023 I | korte, fijne en als een tapijt zo soepele gras dat aan
1024 Voor | van de gemaaide haver en tarwe, die de grond bedekte als
1025 I | herberg. Je moet die rustieke tederheden geenszins verachten. Ook
1026 III | een zo hartstochtelijke tederheid van alle dingen en alle
1027 II | het zien van een zogende teef, van een merrie die met
1028 I | en voel je van kop tot teen zo'n ijskoude en zalige
1029 I | midden van een haardos van teer hoog gras, glanzend van
1030 II | Na het eten waren we tegelijk opgestaan en we maakten
1031 I | Soms, als je een diepte tegenkomt in die smalle waterloopjes,
1032 III | tweeën op de stenen rand en tegenover elkaar, over de opening
1033 II | niets gedaan had wat haar tegenstond of gekwetst had.~ Ten
1034 II | grens van het blikveld, tekende een driemaster met volle
1035 III | beste vrouw riep verrast en teleurgesteld, op haar lijzige toon: `
1036 II | van Zijn geheimen en Zijn teleurstellingen. Zij zei: `God wil' of `
1037 II | onbekende macht die zij wilde temmen, en misschien nog wat anders...
1038 II | tegenstond of gekwetst had.~ Ten slotte bedacht ik me dat
1039 I | oude vrijster. Ze had een term gevonden om op haar te plakken,
1040 II | begon te dansen toen ik het terugbracht naar de herberg. Ik wilde
1041 III | het gat kijken. Toen ze terugkwam, verkondigde ze dat ze inderdaad
1042 I | sprak ze nooit, ze at snel, terwijl ze een boekje las van de
1043 II | vijftien jaar later voor tienduizend frank verkocht. Ze was trouwens
1044 I | is aan die avontuurlijke tochten, dat is het platteland,
1045 III | middageten. Ik ging een tochtje maken langs de rand van
1046 III | een gebaar van plotselinge toegenegenheid, typisch een gebaar van
1047 III | ijskoude lijk, ik nam dat toegetakelde hoofd in mijn handen, en
1048 Voor(1)| is later door Maupassant toegevoegd aan het manuscript, toen
1049 Voor | Potocka, als eerbetoon van een toegewijd vriend1~ Wij zaten met
1050 III | heel langzaam, waarbij ik toekeek hoe hij in het duister verdween.
1051 I | eigenaardigheden mee naar toenemen, hun zeden van versteende
1052 II | een koe toonde, en haar toeriep: `Moet je dit eens bekijken,
1053 I | daarin een witte parasol voor toeristen. Haar gelaat, als van een
1054 II | arm, wilde beslist niet toestaan dat ik die droeg, en ging
1055 III | bij Étretat voert. Ik had toevallig die ochtend de stilhangende
1056 I | maagden, hun onbeschrijflijke toiletten en een vage lucht van rubber,
1057 I | de beledigde onschuld te tonen. Welzeker, ze was vast demonisch,
1058 II | ons over de huid gleed, traag en zilt door de lange kus
1059 II | toch van...' Ik zag een traan in haar oog. Ze vervolgde: `
1060 I | nu eens aandacht voor de trage, zeilende vlucht van een
1061 III | mensen die lang tegen de tranen hebben gevochten, en die
1062 I | lopend, met de veerkrachtige tred van een Engelse, en dan
1063 III | begonnen we het lijk op te trekken.~ Moeder Lecacheur en
1064 I | die langs het firmament trekt, denk je aan duizend bijzondere
1065 III | overkant van de omheining. Ik trippelde op haar af, met zo lichte
1066 I | de natuur. Op een avond trof ik haar geknield in een
1067 Voor | zeer knap, zeer sterk, zeer trots op zijn lijf en zeer bemind
1068 Voor | de lucht, andere vogels tsjirpten in de bosjes.~ Eindelijk
1069 I | puntige klokkentoren die twaalf uur slaat.~ Je gaat zitten
1070 III | We klommen met zijn tweeën op de stenen rand en tegenover
1071 I | betekenis niet kenden, zaaiden twijfel in de geest. Ze gingen er
1072 III | plotselinge toegenegenheid, typisch een gebaar van een Fransman
1073 II | volgde met haar blik het uiteinde van mijn penseel in al zijn
1074 III | waardoor de kippen in- en uitgaan, pakte ik haar in mijn armen
1075 III | onder in een donkere put uitgedoofd. Ze leed niet meer. Ze had
1076 II | bootje toonde zijn profiel, uitgesneden tegen de gouden achtergrond
1077 II | uitermate gedurfde woorden had uitgesproken.~ Ik nam haar mee in
1078 II | toen ze me zag, direct met uitgestoken hand op me af. En we waren
1079 II | dronken met open mond en uitgezette borst die frisse bries die
1080 I | Met `de kladschilder uithangen' bedoel ik dat zwerven met
1081 II | ik vervolgens het hek dat uitkwam op het klif, en daar gingen
1082 I | door licht, en het grote uitspansel, gepurperd door vuur. Soms
1083 I | vreemd genoegen in het hardop uitspreken van die twee lettergrepen,
1084 II | Zij kon het trouwens uitstekend met Hem vinden, leek zelfs
1085 I | recht als een muur, met haar uitstekende krijtrotsen die loodrecht
1086 I | brochures, bedoeld om het universum te bekeren.~ In het dorp
1087 II | elkaar kenden.~ Als ze na urenlange wandelingen langs de door
1088 Voor | te voegen: `U denkt aan uw man, barones. Wees gerust,
1089 III | ik boog me over de rand. Vaag zag ik iets wits. Maar wat
1090 I | aangetrokken door iets vaags, slechts om haar mystiek
1091 I | Dat is er een ouwe van 't vak, die gepensionneerd is.'~
1092 II | verzadiging en intensiteit in vaktermen beschreef. Ze luisterde
1093 III | tijd werkte ik elke ochtend vanaf zonsopgang aan een schilderij
1094 III | hoef gezien. Die moet er vannacht ingevallen wezen nadat '
1095 Voor | Wij zijn niet erg galant vanochtend,' en bekeek zijn buurvrouw,
1096 I | geest. Ze gingen er verder vanuit dat de Engelse rijk was
1097 I | haar familie haar verjaagd? Vanwege haar goddeloosheid natuurlijk.~
1098 I | zee terug te gooien. En de varensgast, die weliswaar goed betaald
1099 II | hingen er dan bij alsof hun veer was gebroken. Vroeger kon
1100 Voor | vrijwel verborgen in het veld, en toonde alleen zijn grote
1101 Voor | weg strekten zich de kale velden uit, vergeeld door de korte
1102 II | Here God was een grappig ventje, een soort dorpsfilosoof,
1103 I | rustieke tederheden geenszins verachten. Ook zij hebben een ziel
1104 I | een kamer voor mij?'~ Verbaasd te bemerken dat ik haar
1105 III | te zien opkomen.~ We verbaasden ons er niet over en begonnen
1106 I | gedaan en ze heeft 'm een verband aangelegen gelijk het een
1107 II | zichzelf een klein `ow' van verbazing, vreugde en bewondering.
1108 II | heeft, en zonder enige reden verbleekte ze dan weer, werd van een
1109 II | door ontvlamde helderheid verbluffende voorgrond, prachtig.~
1110 I | hart.' En prompt gaf ze de verblufte boerin dan een van haar
1111 I | Want ook ik bleef hangen, verbonden met die rustige streek door
1112 III | worden bemind! Want waarom verborg ze zich zo, ontvluchtte
1113 I | meegenomen waarvan ze de poot verbrijzeld hadden, en die heeft ze
1114 III | stortvloed aan liefkozingen. Ze verdedigde zich, maar lachte toch,
1115 III | het avondeten, een beetje verdrietig, een beetje dromerig, kwam
1116 I | plassen, extatisch als de zon verdrinkt in een oceaan van bloedrode
1117 III | uit tot het verloren ging, verdronk in die melkige nevel, die
1118 II | zakken, kleiner worden, verdwijnen. Het was voorbij. Alleen
1119 II | haar in mijn schetsboek te vereeuwigen. Ze leek wel een karikatuur
1120 II | dat een soort ziel met veren had, die sprongsgewijze
1121 II | had laten liggen, in mijn verfdoos, in mijn gepoetste schoenen '
1122 Voor | zich de kale velden uit, vergeeld door de korte stoppel van
1123 I | voelde me lekker op die vergeten boerderij, ver van alles,
1124 II | schilderkist op de rug, vergezelde zij mij tot de rand van
1125 II | met zichtbaar genoegen te vergezellen. Ze had haar vouwstoel onder
1126 I | Italië verpesten, Zwitserland vergiftigen, de bekoorlijke steden rond
1127 III | te horen. Ik had me vast vergist. Een paar keer ook dacht
1128 I | hartstochtelijk de uitgestrekte zee, verguld door licht, en het grote
1129 II | verborgen, op de steen en vergulde die met vuur. Dat was het.
1130 Voor | Dat wordt geen vrolijk verhaal, dames, ik zal jullie de
1131 III | overledene te kijken, maar ik verhinderde dat ze naar binnen gingen.
1132 I | afhangen, 't is allemaal verhuurd. Maar ik wil wel eens zien
1133 II | Ik dacht echt dat ik iets verkeerds had gedaan en ik vroeg haar
1134 I | geliefd. De onderwijzer had verklaard: `Dat is een atheïste',
1135 III | na vijf minuten terug en verklaarde dat de put droog was gevallen.
1136 II | sergeant die de dienstplichtige verklaart: `De kolonel, die heeft
1137 I | enige inleiding tot die verklaring: `Ik hou van de Heer meer
1138 Voor | en zaten nog te dommelen, verkleumd in de frisse ochtendlucht.
1139 II | later voor tienduizend frank verkocht. Ze was trouwens heel eenvoudig
1140 III | trillen alsof al haar zenuwen verkrampt waren. Toen trok ze ze plotseling
1141 I | pleziertjes die je kunt verkrijgen van charmante, deftige dames.~
1142 II | ik vermaakte me met haar verlegenheid. Als ik 's morgens vertrok,
1143 II | afkomstig was geweest. Ik was verleid, veroverd, overwonnen. Ik
1144 I | slechts om haar mystiek verlichte gezicht te zien, haar magere,
1145 III | doorboorde die ochtendmist, verlichtte hem met een roze weerschijn
1146 II | een opening te maken. Dan verliet ze me plotseling en ging
1147 II | maar niet durfde, en ik vermaakte me met haar verlegenheid.
1148 III | zag je of liever gezegd vermoedde je een mensenpaar, een jongen
1149 III | Tegen de ochtend werd mijn vermoeidheid me de baas en kreeg de slaap
1150 II | andere diepe ontroering haar verontrustte. Ze was knalrood, van dat
1151 II | mezelf gezegd dat ter dood veroordeelden zo moeten kijken als ze
1152 I | dus rustte er een soort veroordeling op haar. De pastoor, geraadpleegd
1153 II | haar een eindeloze wolk veroorzaakte, de hele horizon doorkruisend.~
1154 II | geweest. Ik was verleid, veroverd, overwonnen. Ik had haar
1155 I | pensions opduiken, die Italië verpesten, Zwitserland vergiftigen,
1156 I | vleugels door de blauwe lucht verplaatst, dan weer voor de groene
1157 II | gouden achtergrond van de verre hemel.~ Miss Harriet
1158 III | meer. Ze had haar leven verruild voor de andere levens die
1159 I | vier dagen oud was, maar verrukkelijk.~ Plotseling ging het
1160 III | korenbloemen, margrieten en vers, geurend gras, waarmee ik
1161 I | rietdak.~ Die vreemde verschijning vrolijkte me op, dat was
1162 I | Een hart dat slaat als je verschijnt, een oog dat huilt als je
1163 I | waargenomen, richtte op mij haar verschrikte blikken als die van bosuilen
1164 II | Dat zakte langzaam weg, verslonden door de oceaan. Je zag het
1165 I | toenemen, hun zeden van versteende maagden, hun onbeschrijflijke
1166 III | doen ontstaan.~ De uren verstreken bij dat sinistere en stille
1167 Voor | Vervolgens schudde ze haar versuffing van zich af en zei: `Vooruit,
1168 II | Ze koesterde een soort vertederd ontzag voor mijn doeken,
1169 II | in vervoering, komisch en vertederend: `O meneer, u begrijpt de
1170 Voor | de hertog van Richelieu2, vertelt u ons eens een liefdesgeschiedenis
1171 III | had geen spoor van schrik vertoond. Maar Celeste, het dienstmeisje,
1172 III | voelden, hadden de stap vertraagd, trokken lui, en de brik
1173 III | dat ik maar het beste kon vertrekken, en ik nam daartoe ook meteen
1174 II | verlegenheid. Als ik 's morgens vertrok, met mijn schilderkist op
1175 II | duurde niet lang of ze werd vertrouwelijker, en ze begon me dagelijks
1176 II | Hem vinden, leek zelfs de vertrouwelinge van Zijn geheimen en Zijn
1177 II | juffrouw.'~ Ze mompelde, in vervoering, komisch en vertederend: `
1178 II | een traan in haar oog. Ze vervolgde: `Ik wilde dat ik een vogeltje
1179 I | die langdurige, van rust vervulde ontmoetingen. Je legt je
1180 III | gebruikelijke formaliteiten vervullen, omdat ik de enige was bij
1181 III | vroeg ik: `En?' Alsof ik had verwacht dat hij nieuws kwam brengen
1182 II | en onmachtig bij wat niet verwerkelijkt was en het ook nooit zou
1183 II | kameraad, waarbij ik toon, verzadiging en intensiteit in vaktermen
1184 III | moment geschreven, met het verzoek te worden begraven in het
1185 III | het leven weg te komen. Ik verzorgde haar verwarde haren zo goed
1186 II | zijn. Ze leek ingemaakt in verzuurde onschuld, maar ze had in
1187 II | een merrie die met haar veulen tussen de benen door een
1188 Voor(2)| Louis François Armand de Vignerot du Plessis, hertog van Richelieu (
1189 I | I~ Ik was toen vijfentwintig en ik hing een beetje de
1190 II | meisjesbloed, bloed van een vijftienjarige.~ Maar ze werd weer helemaal
1191 III | vrouw, of ze nu vijftien of vijftig is, of ze nu van het volk
1192 II | al die vrouwen die op hun vijftigste nog ongetrouwd zijn. Ze
1193 II | trouwens uitstekend met Hem vinden, leek zelfs de vertrouwelinge
1194 I | over de weg die je leuk vindt, zonder een andere gids
1195 III | kapotte gezicht. Onder mijn vinger ging één oog een beetje
1196 I | klif wandelde, een grote vis gekocht die net was gevangen,
1197 III | zag hem iets uit het water vissen, het andere been, vervolgens
1198 I | het bruine zeil van een vissersboot, had ik een gelukkige dag
1199 II | ergernis. En ze werd bij vlagen bits, ongeduldig, zenuwachtig.
1200 I | het leek wel een mast met vlaggetjes. Dat was zij. Toen ze mij
1201 III | worden meegenomen, en als vlees van beesten zou zij weer
1202 II | met zoveel nadruk en zo vleiend dat ik mij lachend tot haar
1203 I | witte kromming van haar vleugels door de blauwe lucht verplaatst,
1204 II | een vogeltje was om weg te vliegen in het firmament.'~ Ze
1205 I | rugzak op de aangestampte vloer van een rustiek vertrek,
1206 I | voor de trage, zeilende vlucht van een meeuw die de witte
1207 III | hoge kreten te slaken en vluchtten hard weg.~ Toen moest
1208 Voor | op gedempte toon toe te voegen: `U denkt aan uw man, barones.
1209 I | er helemaal naakt in, en voel je van kop tot teen zo'n
1210 III | die de zweep niet meer voelden, hadden de stap vertraagd,
1211 II | een stoomboot, dichterbij, voer langs en ontrolde daarbij
1212 III | de Petit-Val bij Étretat voert. Ik had toevallig die ochtend
1213 III | vervolgens bond hij beide voeten bij elkaar en riep weer: `
1214 I | ging ik ervandoor als een vogel die een vogelverschrikker
1215 II | door een wei rende, van een vogelnestje vol kleintjes, piepend,
1216 II | vervolgde: `Ik wilde dat ik een vogeltje was om weg te vliegen in
1217 I | ervandoor als een vogel die een vogelverschrikker op een akker ziet staan.~
1218 Voor | loop van dat beest wilden volgen.~ René Lemanoir verkondigde: `
1219 I | kwam uit Fécamp, de kust volgend, de hoge kust, recht als
1220 I | geloof dat zij iemand is van volmaakt moreel gedrag.'~ Die
1221 Voor(2)| 1696-1788), vriend van Voltaire en berucht rokkenjager.~
1222 II | helderheid verbluffende voorgrond, prachtig.~ Links de
1223 II | doek aan de herbergierster voorhield. De demon kon er niet omheen,
1224 III | waren, schikte ik op haar voorhoofd een nieuw en raar kapsel.
1225 II | alsof Hij ze niet had kunnen voorkomen.~ Zij kon het trouwens
1226 I | knielt neer, je buigt je voorover, je drinkt dat koele heldere
1227 I | van wie Engeland er zoveel voortbrengt, een van die onverdraaglijke
1228 II | einde van de dag. Ze voelde voorwaar een enorme zin om de hemel,
1229 III | afgegraasd, door vogels in de vorm van zaad worden meegenomen,
1230 II | vergezellen. Ze had haar vouwstoel onder de arm, wilde beslist
1231 I | mijn blik opslaand, iets vreemds boven aan de helling zag
1232 II | behandelde haar als een oude vriendin, met hartelijke ongedwongenheid.
1233 I | geluk rondzwerven. Je bent vrij, zonder banden van enigerlei
1234 I | me, vol zorgeloosheid en vrijheid.~ Ze wezen me een boerderijtje
1235 I | onverdraaglijke oude en goede vrijsters die altijd weer in Europese
1236 Voor | klaverveld. Het dier schoot weg, vrijwel verborgen in het veld, en
1237 I | Die vreemde verschijning vrolijkte me op, dat was vast mijn
1238 II | voor mijn deur, die kleine, vrome brochures, die zij ongetwijfeld
1239 II | eerst begon ze te praten, en vulde hardop haar gedachten aan: `
1240 III | de kelder de ciderkruik vullen, zoveel werd er gedronken.
1241 II | zijn silhouet af tegen de vurige hemel, en een stoomboot,
1242 II | hart iets heel jongs en vurigs. Ze hield van de natuur
1243 I | als het schijnsel van een vuurtoren. Ze bekeek dan hartstochtelijk
1244 III | alleen bij haar zijn en ik waakte de hele nacht.~ Ik bekeek
1245 III | bevend dat de lantaarn als waanzinnig boven de schoen begon te
1246 I | liefde is altijd de moeite waard, waar zij ook vandaan komt.
1247 I | overeind, verward zo te zijn waargenomen, richtte op mij haar verschrikte
1248 II | een strijd plaatsgreep, waarin haar hart vocht tegen een
1249 III | margrieten en vers, geurend gras, waarmee ik haar doodsbed bedekte.~
1250 Voor | besluiteloos over de te nemen weg, waarna het met grote sprongen van
1251 III | haar gewone doen.~ Ik wachtte het eind van de maaltijd
1252 III | miss Harriet gezien. We wachtten op haar, maar ze verscheen
1253 III | zonder schrik en zonder walging, drukte ik een kus, een
1254 I | aan de voet van het klif wandelde, een grote vis gekocht die
1255 II | Als ze na urenlange wandelingen langs de door de wind geteisterde
1256 II | opgestaan en we maakten een wandelingetje over het erf. Ongetwijfeld
1257 III | licht danste tegen de stenen wanden en zakte stukje bij beetje.
1258 III | lijden en welke geheime wanhoop lagen besloten in dat onbevallige
1259 III | en bezorgd naar binnen, wanhopiger zo door haar te zijn verrast
1260 III | hele arme wezentje was gaan wankelen, gaan trillen en ingestort.
1261 I | ontvangen, met een soort wantrouwen.~ Het was mei, de bloeiende
1262 III | Omdat ik die wilde wassen om ze op te frissen, vroeg
1263 I | tegenkomt in die smalle waterloopjes, duik je er helemaal naakt
1264 III | in die melkige nevel, die wattendeken die soms bij zonsopgang
1265 I | boerderij en de bazin, die weduwe was.~ Ik waste mijn handen
1266 III | Chenal zweeg. De vrouwen weenden. Je hoorde op de bok de
1267 II | ontzag voor die menselijke weergave van een stukje van het goddelijk
1268 III | overgeven maar intussen toch nog weerstand bieden. Ik sprong overeind,
1269 II | verkreeg, slaakte ze in weerwil van zichzelf een klein `
1270 Voor | denkt aan uw man, barones. Wees gerust, hij komt zaterdag
1271 I | een oog dat huilt als je weggaat, zijn zulke zeldzame, zulke
1272 III | Toen ze me zag, wilde ze wegvluchten. Maar ik riep haar en schreeuwde: `
1273 I | banden van liefde voor haar weidse en lieflijke landschappen.
1274 I | gooien. En de varensgast, die weliswaar goed betaald was, had haar
1275 III | zijn huis uit is gejaagd? Welk geheim lijden en welke geheime
1276 III | gejaagd? Welk geheim lijden en welke geheime wanhoop lagen besloten
1277 III | haar was het afgelopen, wellicht zonder dat ze ooit had gehad
1278 I | beledigde onschuld te tonen. Welzeker, ze was vast demonisch,
1279 II | makende avond, zo'n avond vol welzijn waarop lichaam en geest
1280 I | goddeloosheid natuurlijk.~ In werkelijkheid was zij zo'n figuur die
1281 I | Harriet leren kennen en te weten komen wat er omgaat in die
1282 III | begrijpen.~ Haar hele arme wezentje was gaan wankelen, gaan
1283 II | met bruine, gele en rode wieren, waar het zonlicht als olie
1284 III | Ik gooide het raam wijdopen, ik schoof de gordijnen
1285 II | bood haar brood, water, wijn aan. Nu accepteerde zij
1286 II | natuur op zo'n aangrijpende wijze.'~ Ik werd verdorie rood,
1287 Voor | zijn arm naar links uit, wijzend op een klaverveld. Het dier
1288 Voor | zij de loop van dat beest wilden volgen.~ René Lemanoir
1289 III | boven een ondefinieerbare, wit-zwarte massa, vreemd en onbegrijpelijk.
1290 I | heldere cider drinkend en grof witbrood kauwend, dat vier dagen
1291 III | de rand. Vaag zag ik iets wits. Maar wat was dat? Toen
1292 II | volstrekt grappige ondertoon van woede: `Ik ben met u altijd hetzelfde
1293 I | niet over praten zonder woest te worden en zonder zich
1294 II | achter haar een eindeloze wolk veroorzaakte, de hele horizon
1295 I | een oceaan van bloedrode wolken en zij zich met rosse weerschijn
1296 III | verrast achter als bij een wonder, en diep bedroefd alsof
1297 II | toonde een rots, een enorme, wrattige rots, overdekt met bruine,
1298 III | stro ingegooid, om zich te wreken.~ Ik wilde ook kijken,
1299 I | op de krijtkust, tussen Yport en Étretat. Ik kwam uit
1300 III | door vogels in de vorm van zaad worden meegenomen, en als
1301 II | want ik zorgde ervoor de zaak zo te presenteren dat het
1302 I | en een Engels woord, zo zacht gemompeld dat ik het amper
1303 III | water verdwenen.~ Heel zachtjes, en zo hard bevend dat de
1304 III | de drenkeling uit dat gat zagen komen, verdwenen ze.~
1305 I | zulke zalige, zulke kostbare zaken dat je er nooit op neer
1306 Voor | barones. Wees gerust, hij komt zaterdag pas terug. U hebt nog vier
1307 I | eigenaardigheden mee naar toenemen, hun zeden van versteende maagden,
1308 II | gras en van de lucht van zeewier, streelt het reukvermogen
1309 II | verward door haar zuster, de zeewind.~ Nu ging ze naar haar
1310 III | haar lijzige toon: `Wat zeg je me daar, m'n beste meneer?
1311 I | de groene zee, het bruine zeil van een vissersboot, had
1312 II | een driemaster met volle zeilen zijn silhouet af tegen de
1313 I | aandacht voor de trage, zeilende vlucht van een meeuw die
1314 III | paard, en heel schoon, wat zeldzaam is. Ik gaf haar stiekem
1315 I | als je weggaat, zijn zulke zeldzame, zulke zalige, zulke kostbare
1316 III | ze trillen alsof al haar zenuwen verkrampt waren. Toen trok
1317 III | huilen. Ze huilde met die zenuwschokken van mensen die lang tegen
1318 Voor | soortgelijk handelen aan te zetten.'~
1319 Voor | Wij zaten met zijn zevenen in de brik, vier dames en
1320 II | ze begon me dagelijks met zichtbaar genoegen te vergezellen.
1321 II | slaakte ze in weerwil van zichzelf een klein `ow' van verbazing,
1322 I | een heldere plas zonlicht, zie je in de verte het dorpje
1323 I | er omgaat in die eenzame zielen van die oude, zwervende
1324 I | vogelverschrikker op een akker ziet staan.~ Maar deze leek
1325 Voor | Het was herfst. Aan beide zijden van de weg strekten zich
1326 II | de huid gleed, traag en zilt door de lange kus der baren.~
1327 III | gestalten overgaan in een zilverachtige helderheid. Dat was verdorie
1328 I | groeit. Uit volle borst zingend en met grote stappen, met
1329 I | Ook zij hebben een ziel en zintuigen, die meisjes, stevige wangen
1330 I | bij een boerderij tegen, zittend in het gras, in de schaduw
1331 II | duidelijk nerveus en op zoek naar woorden om een opening
1332 I | van herberg tot herberg, zogenaamd om studies te maken en landschappen
1333 II | inderdaad greep het zien van een zogende teef, van een merrie die
1334 II | dit eens bekijken, ouwe. Zoiets zul je niet vaak zien.'~
1335 III | en alle levende wezens, zolang het maar geen mensen waren?~
1336 I | slapen, en op het stro van zolders die nog warm waren van de
1337 I | eenzaam dorp zocht om daar de zomer door te brengen, was ze
1338 I | maar God wil de dood van de zondaar niet, en ik geloof dat zij
1339 I | kunnen maken met die oude zonderlinge. Maar ze reageerde niet
1340 III | op mond.~ Een eerste zonnestraal gleed tussen de takken door
1341 II | er niet omheen, want ik zorgde ervoor de zaak zo te presenteren
1342 I | gelukkige dag achter me, vol zorgeloosheid en vrijheid.~ Ze wezen
1343 III | onthulling, charmante en zorgwekkende herinneringen, misschien
1344 I | dingen die niet bij je op zouden komen in de brandende helderheid
1345 II | eens bekijken, ouwe. Zoiets zul je niet vaak zien.'~
1346 I | alsof ze aanstoot nam: `Je zult het niet geloven willen,
1347 II | haren verward door haar zuster, de zeewind.~ Nu ging
1348 III | amper vooruit, plotseling zwaar geworden alsof ze met verdriet
1349 III | het was zo'n branderige, zware dag waarop geen blad beweegt.
1350 III | van het huis. Toen ze de zwarte schoenen en de witte kousen
1351 III | dommelen. En de paarden, die de zweep niet meer voelden, hadden
1352 III | spieren slap, ik was bang de zwengel los te laten en de man weer
1353 I | uithangen' bedoel ik dat zwerven met een rugzak, van herberg
1354 I | ze was demonisch!~ Ze zwierf de hele tijd over het platteland,
1355 I | opduiken, die Italië verpesten, Zwitserland vergiftigen, de bekoorlijke
1356 II | alles is betovering. De zwoele atmosfeer, vol geuren, vol
|