Voor gravin Potocka, als eerbetoon
van een toegewijd vriend1
Wij zaten met zijn zevenen in de brik, vier
dames en drie heren, van wie één op de bok naast de koetsier, en we beklommen
in de stap van de paarden de grote helling waar de weg overheen slingerde.
Wij waren vroeg uit Étretat vertrokken om de ruïnes van
Tancarville te gaan bekijken en zaten nog te dommelen, verkleumd in de frisse
ochtendlucht. Vooral de dames, niet zo gewend aan zo'n jagersontwaken, lieten
elk moment de oogleden zakken, knikkebolden of geeuwden, ongevoelig voor de
ontroering van de aanbrekende dag.
Het was herfst. Aan beide zijden van de weg strekten
zich de kale velden uit, vergeeld door de korte stoppel van de gemaaide haver
en tarwe, die de grond bedekte als een slecht geschoren baard. De akkers leken
te dampen in de mist. Leeuweriken zongen in de lucht, andere vogels tsjirpten
in de bosjes.
Eindelijk kwam de zon voor ons op, geheel rood aan de
rand van de horizon, en naarmate zij steeg, van minuut tot minuut helderder,
leek het platteland te ontwaken, te lachen, zich te schudden en zich als een
meisje dat uit bed stapt, te ontdoen van haar hemd van witte damp.
De graaf van Étraille, die op de achterbank zat, riep:
`Kijk, een haas,' en hij stak zijn arm naar links uit, wijzend op een
klaverveld. Het dier schoot weg, vrijwel verborgen in het veld, en toonde
alleen zijn grote oren, maar daarna sprong het weg over een geploegde akker,
bleef staan, hernam zijn dolle loop, veranderde van richting, bleef weer staan,
ongerust, op elk gevaar gespitst, besluiteloos over de te nemen weg, waarna het
met grote sprongen van zijn achterhand begon te rennen en in een groot
bietenveld verdween. Alle mannen werden wakker, omdat zij de loop van dat beest
wilden volgen.
René Lemanoir verkondigde: `Wij zijn niet erg galant
vanochtend,' en bekeek zijn buurvrouw, de kleine barones van Sérennes, die
tegen de slaap vocht, om haar op gedempte toon toe te voegen: `U denkt aan uw
man, barones. Wees gerust, hij komt zaterdag pas terug. U hebt nog vier dagen.'
Met een slaperig lachje antwoordde ze: `Doe toch niet
zo dom!' Vervolgens schudde ze haar versuffing van zich af en zei: `Vooruit,
vertellen jullie ons eens iets om te lachen. U, meneer Chenal, u hebt de
reputatie meer avontuurtjes te hebben gehad dan de hertog van Richelieu2, vertelt u ons eens een liefdesgeschiedenis die u is
overkomen, wat u maar wilt.'
Leon Chenal, een oude schilder die zeer knap, zeer
sterk, zeer trots op zijn lijf en zeer bemind was geweest, nam zijn lange witte
baard in de hand en glimlachte, maar na even nadenken werd hij plotseling weer
serieus.
`Dat wordt geen vrolijk verhaal, dames, ik zal jullie
de meest trieste
liefdesgeschiedenis van mijn leven vertellen. Ik hoop mijn vrienden geenszins
tot soortgelijk handelen aan te zetten.'
|