I
Ik was toen vijfentwintig en ik hing een beetje
de kladschilder uit langs de Normandische kust.
Met `de kladschilder uithangen' bedoel ik dat zwerven
met een rugzak, van herberg tot herberg, zogenaamd om studies te maken en
landschappen naar de natuur te schilderen. Ik ken niets fijners dan dat leven
van op goed geluk rondzwerven. Je bent vrij, zonder banden van enigerlei aard,
zonder zorgen, zonder kopbrekens, zelfs zonder aan de volgende dag te hoeven
denken. Je loopt over de weg die je leuk vindt, zonder een andere gids dan je
fantasie, zonder een ander richtsnoer dan wat het oog behaagt. Je blijft staan
omdat een beekje je heeft getroffen, omdat het voor de deur van een
logementhouder zo lekker naar gebakken aardappelen rook. Soms is het de geur
van clematis die die keuze bepaalt, of het naïeve lonken van een dienstertje in
een herberg. Je moet die rustieke tederheden geenszins verachten. Ook zij
hebben een ziel en zintuigen, die meisjes, stevige wangen en frisse lippen, en
hun krachtige kus is pittig en sappig als wild fruit. De liefde is altijd de
moeite waard, waar zij ook vandaan komt. Een hart dat slaat als je verschijnt,
een oog dat huilt als je weggaat, zijn zulke zeldzame, zulke zalige, zulke
kostbare zaken dat je er nooit op neer moet kijken.
Ik heb afspraakjes gekend in greppels vol
sleutelbloemen, achter de stal waar de koeien slapen, en op het stro van
zolders die nog warm waren van de hitte van de dag. Ik heb herinneringen aan
grove grijze stof op veerkrachtige en stevige huid, ik denk met spijt terug aan
kinderlijke en onbelemmerde strelingen, in hun oprechte onbehouwenheid
kwetsbaarder dan de subtiele pleziertjes die je kunt verkrijgen van charmante,
deftige dames.
Maar wat vooral zo fijn is aan die avontuurlijke
tochten, dat is het platteland, de bossen, de zonsopgang, de avondschemering,
de volle maan. Voor schilders zijn dat huwelijksreizen met de aarde. Je bent
helemaal alleen met haar bij die langdurige, van rust vervulde ontmoetingen. Je
legt je hoofd te ruste in een wei, tussen margrieten en klaprozen, en met open
ogen, in een heldere plas zonlicht, zie je in de verte het dorpje met zijn
puntige klokkentoren die twaalf uur slaat.
Je gaat zitten bij een bron die opwelt aan de voet van
een eik, te midden van een haardos van teer hoog gras, glanzend van leven. Je
knielt neer, je buigt je voorover, je drinkt dat koele heldere water, dat je de
snor en de neus bevochtigt, je drinkt het met lijfelijk genoegen, alsof je de
bron kuste, mond op mond. Soms, als je een diepte tegenkomt in die smalle
waterloopjes, duik je er helemaal naakt in, en voel je van kop tot teen zo'n
ijskoude en zalige streling op je huid, de huivering van de snelle, lichte
stroom.
Je wordt blij als je op een heuvel staat, melancholisch
aan de rand van plassen, extatisch als de zon verdrinkt in een oceaan van
bloedrode wolken en zij zich met rosse weerschijn in rivieren dompelt. En 's
avonds, onder een maan die langs het firmament trekt, denk je aan duizend
bijzondere dingen die niet bij je op zouden komen in de brandende helderheid
van de dag.
Zo zwervend door dezelfde streek waar we dit jaar ook
zijn, kwam ik op een avond in het dorpje Bénouville, op de krijtkust, tussen
Yport en Étretat. Ik kwam uit Fécamp, de kust volgend, de hoge kust, recht als
een muur, met haar uitstekende krijtrotsen die loodrecht in zee afdalen. Ik had
al sinds de ochtend gelopen over dat korte, fijne en als een tapijt zo soepele
gras dat aan de rand van de afgrond onder de zilte wind van zee groeit. Uit
volle borst zingend en met grote stappen, met nu eens aandacht voor de trage,
zeilende vlucht van een meeuw die de witte kromming van haar vleugels door de
blauwe lucht verplaatst, dan weer voor de groene zee, het bruine zeil van een
vissersboot, had ik een gelukkige dag achter me, vol zorgeloosheid en vrijheid.
Ze wezen me een boerderijtje waar reizigers onderdak
kregen, een soort herberg, gedreven door een boerin, midden op een Normandisch
erf, omgeven door een dubbele rij beuken.
Ik liet dus de krijtkust achter me en begaf me naar het
groepje gebouwen, omgeven door zijn grote bomen, en meldde me bij moeder
Lecacheur.
Dat was een oude boerin, gerimpeld, streng, die de
klandizie altijd slechts met tegenzin leek te ontvangen, met een soort
wantrouwen.
Het was mei, de bloeiende appelaars overdekten het erf
met een dak van geurende bloesem en zaaiden onophoudelijk een dwarrelende regen
van roze bloemblaadjes, die maar op de mensen en het gras bleven neerkomen.
Ik vroeg: `Wel, mevrouw Lecacheur, hebt u ook een kamer
voor mij?'
Verbaasd te bemerken dat ik haar naam kende, antwoordde
zij: `Dat gaat ervan afhangen, 't is allemaal verhuurd. Maar ik wil wel eens
zien wat of ik voor je doen kan.'
Binnen vijf minuten waren we het eens en zette ik mijn
rugzak op de aangestampte vloer van een rustiek vertrek, gemeubileerd met een
bed, twee stoelen, een tafel en een waskom. Het kwam uit op de keuken, groot,
rokerig, waar de gasten hun maaltijd gebruiken met het personeel van de
boerderij en de bazin, die weduwe was.
Ik waste mijn handen en ging weer naar buiten. De oude
vrouw was voor het avondeten een kip aan het stoven in haar grote open haard
met daarin een heugel, zwart van de rook.
`Hebt u momenteel wel reizigers?' vroeg ik haar.
Ze antwoordde op haar ontevreden toon: `M'n hebben een
dame, een oude Engelse. Zij heeft den andere kamer.'
Tegen bijbetaling van vijf sollen per dag verkreeg ik
het recht om alleen te eten op het erf als het mooi weer mocht zijn.
Mij werd dus gedekt voor de deur en ik viel aan op de
magere ledematen van een Normandische kip, daarbij heldere cider drinkend en
grof witbrood kauwend, dat vier dagen oud was, maar verrukkelijk.
Plotseling ging het houten hek aan de weg open, en een
vreemde figuur liep op het huis af. Ze was broodmager, heel groot, zo strak in
een omslagdoek met rode Schotse ruit gewikkeld dat je zou zeggen dat ze geen
armen had, als je geen lange hand ter hoogte van haar dijen had zien
verschijnen, met daarin een witte parasol voor toeristen. Haar gelaat, als van
een mummie, omkaderd door rollen grijze pijpenkrullen, die bij elk van haar
stappen opsprongen, deed mij, waarom weet ik ook niet, aan een bokking met
papillotten denken. Ze sloeg haar ogen neer, liep snel aan mij voorbij en
verdween onder het rietdak.
Die vreemde verschijning vrolijkte me op, dat was vast
mijn buurvrouw, die oude Engelse over wie onze gastvrouw het had gehad.
Ik zag haar die dag niet terug. De volgende dag had ik
me net geïnstalleerd om onder in dat mooie dal dat jullie kennen en dat tot
Étretat loopt, te gaan zitten schilderen, toen ik, plotseling mijn blik
opslaand, iets vreemds boven aan de helling zag staan, het leek wel een mast
met vlaggetjes. Dat was zij. Toen ze mij zag, verdween ze.
Ik kwam 's middags terug om te eten en ik nam plaats
aan de gemeenschappelijke tafel, om kennis te kunnen maken met die oude
zonderlinge. Maar ze reageerde niet op mijn beleefdheden, was zelfs ongevoelig
voor mijn kleine attenties. Koppig schonk ik haar water in, zeer nadrukkelijk
gaf ik haar de schalen door. Een lichte beweging met het hoofd, amper merkbaar,
en een Engels woord, zo zacht gemompeld dat ik het amper hoorde, waren haar
enige dankbetuigingen.
Ik bekommerde mij niet verder om haar, al bleef ze me
door de gedachten spoken.
Na drie dagen wist ik over haar evenveel als mevrouw
Lecacheur zelf.
Ze heette miss Harriet. Omdat ze een eenzaam dorp zocht
om daar de zomer door te brengen, was ze anderhalve maand eerder op Bénouville
gestuit en leek absoluut niet van plan weer weg te gaan. Aan tafel sprak ze
nooit, ze at snel, terwijl ze een boekje las van de protestantse propaganda.
Daarvan deelde ze aan iedereen uit, van die boekjes. Zelfs de pastoor had er
vier gekregen, hem bezorgd door een jochie, tegen betaling van twee schelling
loopgeld. Soms zei zij tegen onze gastvrouw, plotseling, zonder enige inleiding
tot die verklaring: `Ik hou van de Heer meer dan van wat ook, ik bewonder Hem
in Zijn gehele schepping, ik bewonder Hem in Zijn gehele natuur, ik draag Hem
altijd in mijn hart.' En prompt gaf ze de verblufte boerin dan een van haar
brochures, bedoeld om het universum te bekeren.
In het dorp was ze volstrekt niet geliefd. De
onderwijzer had verklaard: `Dat is een atheïste', dus rustte er een soort
veroordeling op haar. De pastoor, geraadpleegd door mevrouw Lecacheur,
antwoordde: `Zij is een dissidente, maar God wil de dood van de zondaar niet,
en ik geloof dat zij iemand is van volmaakt moreel gedrag.'
Die woorden, `atheïste' en `dissidente', waarvan ze de
juiste betekenis niet kenden, zaaiden twijfel in de geest. Ze gingen er verder
vanuit dat de Engelse rijk was en dat zij haar leven had doorgebracht door de
landen van de wereld te bereizen, omdat haar familie haar had verjaagd. Waarom
had haar familie haar verjaagd? Vanwege haar goddeloosheid natuurlijk.
In werkelijkheid was zij zo'n figuur die warm loopt voor
beginselen, een van die koppige puriteinsen van wie Engeland er zoveel
voortbrengt, een van die onverdraaglijke oude en goede vrijsters die altijd
weer in Europese pensions opduiken, die Italië verpesten, Zwitserland
vergiftigen, de bekoorlijke steden rond de Middellandse Zee onbewoonbaar maken,
overal hun vreemde eigenaardigheden mee naar toenemen, hun zeden van versteende
maagden, hun onbeschrijflijke toiletten en een vage lucht van rubber, waardoor
je zou denken dat ze 's nachts in een etui worden opgeborgen.
Als ik er een in een hotel zag, ging ik ervandoor als
een vogel die een vogelverschrikker op een akker ziet staan.
Maar deze leek mij zo apart dat ze me geenszins
misnoegde.
Mevrouw Lecacheur, instinctief afkerig van alles wat
niet des boers was, voelde in haar beperkte geest een soort haat voor de
extatische manier van doen van die oude vrijster. Ze had een term gevonden om
op haar te plakken, natuurlijk een neerbuigende, die haar op een of andere
manier voor de lippen was gekomen, het resultaat van een of andere verwarde,
raadselachtige geestesarbeid. Ze zei: `Ze is demonisch.' En dat woord, geplakt
op dat strenge en gevoelige wezen, leek mij onweerstaanbaar komisch. Ik noemde
haar zelf nog slechts `de demon', en schepte een vreemd genoegen in het hardop
uitspreken van die twee lettergrepen, als ik haar zag.
Aan moeder Lecacheur vroeg ik: `Wel, wat doet onze
demon vandaag?'
De boerin antwoordde dan, alsof ze aanstoot nam: `Je
zult het niet geloven willen, meneer, maar die heeft een pad meegenomen waarvan
ze de poot verbrijzeld hadden, en die heeft ze naar d'r kamer gebracht, die
heeft ze in d'r waskom gedaan en ze heeft 'm een verband aangelegen gelijk het
een mens waar. Als dat geen heiligschennis is!'
Een andere keer had ze, toen ze aan de voet van het
klif wandelde, een grote vis gekocht die net was gevangen, alleen om hem in zee
terug te gooien. En de varensgast, die weliswaar goed betaald was, had haar de
huid vol gescholden, bozer dan wanneer ze hem het geld uit de zak had geklopt.
Na een maand kon hij er nog niet over praten zonder woest te worden en zonder
zich de beledigde onschuld te tonen. Welzeker, ze was vast demonisch, miss
Harriet, moeder Lecacheur had een geniale ingeving gehad toen ze haar zo
doopte.
De stalknecht, die de Geniesoldaat werd genoemd omdat
hij in zijn jeugd in Afrika had gediend, hield er een andere mening op na. Hij
zei met een knipoog: `Dat is er een ouwe van 't vak, die gepensionneerd is.'
Als die arme oude vrijster het geweten had?
Het dienstmeisje Celeste bediende haar niet graag,
zonder dat ik er achter kon komen waarom niet. Misschien alleen maar omdat ze
vreemd was, van een ander slag, van een andere taal, van een andere godsdienst.
Kortom, ze was demonisch!
Ze zwierf de hele tijd over het platteland, zocht en
bewonderde God in de natuur. Op een avond trof ik haar geknield in een struik.
Omdat ik iets roods door de bladeren had zien schemeren, schoof ik de takken
aan de kant, en miss Harriet kwam overeind, verward zo te zijn waargenomen,
richtte op mij haar verschrikte blikken als die van bosuilen die op klaarlichte
dag worden verrast.
Soms, als ik aan het werk was tussen de rotsen, zag ik
haar plotseling aan de rand van het klif, als het schijnsel van een vuurtoren.
Ze bekeek dan hartstochtelijk de uitgestrekte zee, verguld door licht, en het
grote uitspansel, gepurperd door vuur. Soms zag ik haar onder in een dal, snel
lopend, met de veerkrachtige tred van een Engelse, en dan ging ik op haar af,
aangetrokken door iets vaags, slechts om haar mystiek verlichte gezicht te
zien, haar magere, onbeschrijflijke gezicht te zien, tevreden van diepe,
innerlijke vreugde.
Vaak ook kwam ik haar ergens bij een boerderij tegen,
zittend in het gras, in de schaduw van een appelaar, met haar bijbeltje open op
schoot en haar blik op oneindig.
Want ook ik bleef hangen, verbonden met die rustige
streek door duizend banden van liefde voor haar weidse en lieflijke
landschappen. Ik voelde me lekker op die vergeten boerderij, ver van alles, dicht
bij de aarde, de goede, gezonde, mooie en groene aarde die wij zelf op een dag
met ons lichaam zullen bemesten. En misschien, wie zal het zeggen, hield ook
iets van nieuwsgierigheid mij bij moeder Lecacheur. Ik wilde zo graag een
beetje die vreemde miss Harriet leren kennen en te weten komen wat er omgaat in
die eenzame zielen van die oude, zwervende Engelse dames.
|