Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Guy de Maupassant
Miss Harriet

IntraText CT - Text

  • III
Previous - Next

Click here to hide the links to concordance

III

    Het was echt een vreemde onthulling.
    Al enige tijd werkte ik elke ochtend vanaf zonsopgang aan een schilderij dat het volgende voorstelde.
    Een diep ravijn, gevat tussen rotswanden met bovenop twee hellingen vol bramen en bomen, strekte zich uit tot het verloren ging, verdronk in die melkige nevel, die wattendeken die soms bij zonsopgang in dalen hangt. En helemaal achter in die dichte en half doorzichtige mist zag je of liever gezegd vermoedde je een mensenpaar, een jongen en een meisje, stevig omhelsd, zij met het hoofd naar hem opgeheven, hij naar haar toe gebogen, en mond op mond.
    Een eerste zonnestraal gleed tussen de takken door en doorboorde die ochtendmist, verlichtte hem met een roze weerschijn achter de eenvoudige gelieven, deed hun vage gestalten overgaan in een zilverachtige helderheid. Dat was verdorie best mooi.
    Ik werkte op het pad dat naar de Petit-Val bij Étretat voert. Ik had toevallig die ochtend de stilhangende nevel die ik nodig had.
    Er dook iets voor me op, het leek wel een spook, maar het was miss Harriet. Toen ze me zag, wilde ze wegvluchten. Maar ik riep haar en schreeuwde: `Kom nou, kom nou eens hier, juffrouw, ik heb hier een leuk schilderijtje voor u.'
    Ze naderde, als met tegenzin. Ik liet haar mijn schets zien. Ze zei niets, ze bleef er een hele poos roerloos naar staan kijken, en plotseling begon ze te huilen. Ze huilde met die zenuwschokken van mensen die lang tegen de tranen hebben gevochten, en die niet langer kunnen, die zich overgeven maar intussen toch nog weerstand bieden. Ik sprong overeind, zelf ontroerd door dat verdriet dat ik niet begreep, en ik greep haar handen in een gebaar van plotselinge toegenegenheid, typisch een gebaar van een Fransman die sneller handelt dan hij kan nadenken.
    Ze liet haar handen een paar seconden in de mijne en ik voelde ze trillen alsof al haar zenuwen verkrampt waren. Toen trok ze ze plotseling terug, of liever gezegd ze rukte ze los.
    Ik had haar herkend, die huivering, want die had ik al eerder gevoeld, die zou ik herkennen uit duizenden. O, de huivering van liefde van een vrouw, of ze nu vijftien of vijftig is, of ze nu van het volk of van de grote wereld is, gaat me zo recht naar het hart dat ik nooit aarzel haar te begrijpen.
    Haar hele arme wezentje was gaan wankelen, gaan trillen en ingestort. Dat wist ik. Ze ging ervandoor zonder dat ik een woord geuit had, liet me verrast achter als bij een wonder, en diep bedroefd alsof ik een misdaad had begaan.
    Ik ging niet terug voor het middageten. Ik ging een tochtje maken langs de rand van het klif, omdat ik evenveel zin had om te huilen als om te lachen, omdat ik het avontuur komisch en betreurenswaardig vond, mezelf belachelijk voelde en wel kon raden dat ze ongelukkig was om gek van te worden.
    Ik vroeg me af wat ik moest doen.
    Ik vond dat ik maar het beste kon vertrekken, en ik nam daartoe ook meteen het besluit.
    Na te hebben rondgezworven tot het avondeten, een beetje verdrietig, een beetje dromerig, kwam ik rond etenstijd terug.
    We gingen zoals gewoonlijk aan tafel. Miss Harriet was er ook, at ernstig, zonder met iemand te spreken noch de blikken op te slaan. Voor de rest had ze haar gewone gezicht en was in haar gewone doen.
    Ik wachtte het eind van de maaltijd af, wendde me toen tot de bazin en zei: `Wel, mevrouw Lecacheur, ik ga u binnenkort verlaten.'
    De beste vrouw riep verrast en teleurgesteld, op haar lijzige toon: `Wat zeg je me daar, m'n beste meneer? Je gaat ons verlaten! En me waren juist zo aan je gewend geraakt!'
    Ik keek uit mijn ooghoek naar miss Harriet, haar uiterlijk had geen spoor van schrik vertoond. Maar Celeste, het dienstmeisje, sloeg de ogen naar mij op. Zij was een stevige meid van achttien, rood aangelopen, fris, sterk als een paard, en heel schoon, wat zeldzaam is. Ik gaf haar stiekem wel eens een kusje, een gewoonte van herberglieden, meer niet.
    En de maaltijd liep af.
    Ik ging mijn pijp roken onder de appelaars, en liep heen en weer over het erf, van de ene kant naar de andere. Alle overdenkingen die ik op die dag had gehad, de vreemde ontmoeting van de ochtend, die rare en hartstochtelijke liefde, die mij gold, herinneringen die boven waren gekomen naar aanleiding van die onthulling, charmante en zorgwekkende herinneringen, misschien ook die blik die het dienstmeisje op mij had gericht bij de aankondiging van mijn vertrek, dat alles door en met elkaar, bezorgde me nu een vrolijk gevoel in het lijf, een prikkeling van zoenen op lippen, en in mijn aderen voelde ik iets onbestemds wat je ertoe aanzet gekke dingen te doen.
    De nacht viel, schoof zijn schaduw onder de bomen en ik zag Celeste het kippenhok afsluiten, aan de overkant van de omheining. Ik trippelde op haar af, met zo lichte pas dat ze niets hoorde, en toen ze overeind kwam, na het luikje te hebben neergelaten waardoor de kippen in- en uitgaan, pakte ik haar in mijn armen en overdekte haar brede, mollige gestalte met een stortvloed aan liefkozingen. Ze verdedigde zich, maar lachte toch, want ze was eraan gewend.
    Waarom liet ik haar zo plotseling los? Waarom heb ik mij met een ruk omgedraaid? Hoe heb ik gevoeld dat er iemand achter mij stond?
    Het was miss Harriet die naar binnen ging, die ons had gezien en die roerloos bleef staan, alsof ze een spook zag. Toen verdween ze in de nacht.
    Ik liep beschaamd en bezorgd naar binnen, wanhopiger zo door haar te zijn verrast dan wanneer ze me had betrapt op het begaan van een of andere misdaad.
    Ik sliep slecht, was uitermate zenuwachtig, werd belaagd door deprimerende gedachten. Ik meende gehuil te horen. Ik had me vast vergist. Een paar keer ook dacht ik dat er iemand door het huis liep en dat de buitendeur werd opengedaan.
    Tegen de ochtend werd mijn vermoeidheid me de baas en kreeg de slaap me eindelijk te pakken. Ik werd laat wakker en liet me pas bij het middageten zien, nog verward omdat ik niet wist wat voor houding ik moest aannemen.
    Niemand had miss Harriet gezien. We wachtten op haar, maar ze verscheen niet. Moeder Lecacheur ging naar haar kamer, de Engelse was weg. Ze was waarschijnlijk al bij dageraad vertrokken, zoals ze zo vaak deed, om de zon te zien opkomen.
    We verbaasden ons er niet over en begonnen in stilte te eten.
    Het was warm, vreselijk warm, het was zo'n branderige, zware dag waarop geen blad beweegt. We hadden de tafel buiten gezet, onder een appelaar, en af en toe ging de Geniesoldaat in de kelder de ciderkruik vullen, zoveel werd er gedronken. Celeste droeg de schalen aan uit de keuken, ragout van schapenvlees met aardappelen, gebakken konijn en een salade. Toen zette ze een schaal kersen voor ons neer, de eerste van het seizoen.
    Omdat ik die wilde wassen om ze op te frissen, vroeg ik het dienstmeisje mij een emmer goed koud water te gaan putten.
    Ze kwam na vijf minuten terug en verklaarde dat de put droog was gevallen. Ze had het hele touw laten vieren en de emmer had de bodem geraakt, maar was leeg weer bovengekomen. Moeder Lecacheur wilde dat zelf wel eens zien en ging in het gat kijken. Toen ze terugkwam, verkondigde ze dat ze inderdaad iets in haar put had gezien, iets wat niet natuurlijk was. Waarschijnlijk had een buurman er bossen stro ingegooid, om zich te wreken.
    Ik wilde ook kijken, in de hoop dat ik meer zou zien, en ik boog me over de rand. Vaag zag ik iets wits. Maar wat was dat? Toen kwam ik op het idee een lantaarn aan een touw neer te laten. Het gele licht danste tegen de stenen wanden en zakte stukje bij beetje. Wij stonden met zijn vieren over de opening gebogen, de Geniesoldaat en Celeste waren er ook bijgekomen. De lantaarn bleef hangen boven een ondefinieerbare, wit-zwarte massa, vreemd en onbegrijpelijk. De Geniesoldaat riep: `Dat 's een paard, ik en heb den hoef gezien. Die moet er vannacht ingevallen wezen nadat 'm uit de wei ontsnapt waar.'
    Maar plotseling begon ik te trillen als een espenblad. Ik had een voet herkend, daarna een gestrekt been. Het hele bovenlijf en het andere been waren onder water verdwenen.
    Heel zachtjes, en zo hard bevend dat de lantaarn als waanzinnig boven de schoen begon te dansen, stamelde ik: `Dat is een vrouw die... die... die daarin ligt... dat is miss Harriet.'
    De Geniesoldaat knipperde niet eens met de oogleden. Hij had in Afrika wel wat ergers gezien!
    Moeder Lecacheur en Celeste begonnen hoge kreten te slaken en vluchtten hard weg.
    Toen moest die dode geborgen worden. Ik bond de knecht stevig om zijn middel vast en liet hem vervolgens zakken aan de katrol, heel langzaam, waarbij ik toekeek hoe hij in het duister verdween. Hij had een lantaarn in één hand en een touw in de andere. Al snel klonk zijn stem, die uit het binnenste van de aarde leek te komen: `Stop.' Ik zag hem iets uit het water vissen, het andere been, vervolgens bond hij beide voeten bij elkaar en riep weer: `Halen.'
    Ik haalde hem op, maar mijn armen waren als gebroken, al mijn spieren slap, ik was bang de zwengel los te laten en de man weer terug te laten vallen. Toen zijn hoofd boven de putrand verscheen, vroeg ik: `En?' Alsof ik had verwacht dat hij nieuws kwam brengen van haar die daar onderin lag.
    We klommen met zijn tweeën op de stenen rand en tegenover elkaar, over de opening gebogen, begonnen we het lijk op te trekken.
    Moeder Lecacheur en Celeste bekeken ons uit de verte, verborgen achter de muur van het huis. Toen ze de zwarte schoenen en de witte kousen van de drenkeling uit dat gat zagen komen, verdwenen ze.
    De Geniesoldaat pakte haar bij de enkels en we trokken haar daar in de meest oneerbare houding vandaan, die arme en kuise vrijster. Het hoofd was vreselijk, zwart en kapot, en haar lange grijze haren, helemaal los, voor altijd ontrold, hingen te druipen van het slijk. De Geniesoldaat verkondigde op minachtende toon: `Nonde, den diën is mager!'
    We droegen haar naar haar kamer en omdat de beide vrouwen niet meer opdoken, legde ik haar met de stalknecht af.
    Ik waste haar trieste, kapotte gezicht. Onder mijn vinger ging één oog een beetje open en keek mij aan met die bleke blik, die kille blik, die vreselijke blik van lijken, die schijnt van achter het leven weg te komen. Ik verzorgde haar verwarde haren zo goed als ik kon, en met handen die dat niet gewend waren, schikte ik op haar voorhoofd een nieuw en raar kapsel. Toen trok ik haar kletsnatte kleren uit, waardoor ik met schaamte, alsof ik heiligschennis pleegde, haar schouders, haar borst en haar lange armen, mager als takken, ontblootte.
    Toen ging ik bloemen plukken, klaprozen, korenbloemen, margrieten en vers, geurend gras, waarmee ik haar doodsbed bedekte.
    Toen moest ik de gebruikelijke formaliteiten vervullen, omdat ik de enige was bij haar in de buurt. Ik vond een brief in haar zak, op het laatste moment geschreven, met het verzoek te worden begraven in het dorp waar ze haar laatste dagen had doorgebracht. Een vreselijke gedachte beklemde mij het hart. Was dat niet om mij dat ze daar ter plekke wilde blijven?
    Tegen de avond kwamen de moedertjes uit de buurt om naar de overledene te kijken, maar ik verhinderde dat ze naar binnen gingen. Ik wilde alleen bij haar zijn en ik waakte de hele nacht.
    Ik bekeek haar bij het kaarslicht, die ongelukkige vrouw die niemand kende, zo ver weg, zo betreurenswaardig omgekomen. Liet ze ergens nog vrienden of familieleden achter? Hoe waren haar jeugd en haar leven geweest? Waar kwam ze vandaan, zo helemaal alleen, zwervend, verloren als een hond die zijn huis uit is gejaagd? Welk geheim lijden en welke geheime wanhoop lagen besloten in dat onbevallige lijf, in dat lijf dat zij haar hele bestaan als een beschamende last had gedragen, een belachelijk omhulsel dat elke genegenheid en alle liefde ver van zich had gehouden?
    Wat kunnen mensen toch ongelukkig zijn! Ik voelde op dat menselijk schepsel de eeuwige onrechtvaardigheid van de genadeloze natuur gericht! Voor haar was het afgelopen, wellicht zonder dat ze ooit had gehad wat ook de meest wanhopige nog op de been houdt, de hoop ooit te zullen worden bemind! Want waarom verborg ze zich zo, ontvluchtte ze de rest? Waarom hield ze met een zo hartstochtelijke tederheid van alle dingen en alle levende wezens, zolang het maar geen mensen waren?
    En ik begreep dat ze aan God geloofd had, zij wel, en dat ze dus op compensatie van haar ongeluk had gehoopt. Nu zou ze tot ontbinding overgaan en op haar beurt plant worden. Ze zou bloeien in de zon, ze zou door de koeien worden afgegraasd, door vogels in de vorm van zaad worden meegenomen, en als vlees van beesten zou zij weer mensenvlees worden. Maar wat je noemt de ziel, die was onder in een donkere put uitgedoofd. Ze leed niet meer. Ze had haar leven verruild voor de andere levens die ze zou doen ontstaan.
    De uren verstreken bij dat sinistere en stille onderonsje. Een bleek licht kondigde de dageraad aan, toen kroop een rode straal tot aan het bed, legde een staaf van vuur over de lakens en over haar handen. Dit was het uur dat ze zo beminde. De ontwaakte vogels zongen in de bomen.
    Ik gooide het raam wijdopen, ik schoof de gordijnen opzij opdat de hele hemel ons zou zien, ik boog me over dat ijskoude lijk, ik nam dat toegetakelde hoofd in mijn handen, en langzaam, zonder schrik en zonder walging, drukte ik een kus, een lange kus, op die lippen die er nooit een hadden gekregen.

    Leon Chenal zweeg. De vrouwen weenden. Je hoorde op de bok de graaf van Étraille zich een paar keer de neus snuiten. Alleen de koetsier zat de dommelen. En de paarden, die de zweep niet meer voelden, hadden de stap vertraagd, trokken lui, en de brik kwam nog maar amper vooruit, plotseling zwaar geworden alsof ze met verdriet beladen was.





Previous - Next

Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License