II
Wij leerden elkaar op een onalledaagse manier
kennen. Ik was net klaar met een studie die mij puik leek, en die dat ook was.
Ze werd vijftien jaar later voor tienduizend frank verkocht. Ze was trouwens
heel eenvoudig en tegen alle academische regels. De hele rechterzijde van mijn
doek toonde een rots, een enorme, wrattige rots, overdekt met bruine, gele en
rode wieren, waar het zonlicht als olie overheen stroomde. Het licht viel,
zonder dat je het hemellichaam zag, want dat was achter mij verborgen, op de
steen en vergulde die met vuur. Dat was het. Een door ontvlamde helderheid
verbluffende voorgrond, prachtig.
Links de zee, niet de blauwe zee, de zee van leisteen,
maar de zee van jade, groenachtig, melkig en hard onder de donkere hemel3.
Ik was zo tevreden met mijn werk dat ik begon te dansen
toen ik het terugbracht naar de herberg. Ik wilde dat de hele wereld het meteen
zag. Ik kan
me nog herinneren dat ik het langs een pad aan een koe toonde, en haar toeriep:
`Moet je dit eens bekijken, ouwe. Zoiets zul je niet vaak zien.'
Toen ik voor het huis was aangekomen, riep ik moeder
Lecacheur meteen door luidkeels te brullen: `Hela! Hela! Bazin, kom eens hier
en bekijk dit eens.'
De boerin kwam eraan en bekeek mijn werk met haar
stomme blik die niets onderscheidde, die niet eens zag of dat nu een os of een
huis voorstelde.
Miss Harriet kwam terug en liep net achter mij langs op
het ogenblik dat ik mijn doek aan de herbergierster voorhield. De demon kon er
niet omheen, want ik zorgde ervoor de zaak zo te presenteren dat het niet aan
haar blik kon ontsnappen. Ze bleef stokstijf staan, gegrepen, stomverbaasd. Ik
denk dat het haar rots was, waar ze opklom om op haar gemak te kunnen dromen.
Ze mompelde een Brits `ow!', met zoveel nadruk en zo
vleiend dat ik mij lachend tot haar wendde en zei: `Dit is mijn laatste studie,
juffrouw.'
Ze mompelde, in vervoering, komisch en vertederend: `O
meneer, u begrijpt de natuur op zo'n aangrijpende wijze.'
Ik werd verdorie rood, door dat compliment meer
getroffen dan wanneer het van een koningin afkomstig was geweest. Ik was
verleid, veroverd, overwonnen. Ik had haar wel willen zoenen, erewoord!
Ik ging naast haar aan tafel zitten, zoals altijd. Voor
het eerst begon ze te praten, en vulde hardop haar gedachten aan: `O! Ik houd
zo van de natuur!'
Ik bood haar brood, water, wijn aan. Nu accepteerde zij
dat met een gemummificeerd glimlachje. En ik begon weer over
landschapschilderen.
Na het eten waren we tegelijk opgestaan en we maakten
een wandelingetje over het erf. Ongetwijfeld aangetrokken door de enorme brand
die de ondergaande zon boven de zee ontstak, opende ik vervolgens het hek dat
uitkwam op het klif, en daar gingen we, naast elkaar, tevreden als twee mensen
die elkaar net hebben leren begrijpen en doorgronden.
Het was een luwe, loom makende avond, zo'n avond vol
welzijn waarop lichaam en geest gelukkig zijn. Alles is genot en alles is
betovering. De zwoele atmosfeer, vol geuren, vol van de lucht van gras en van
de lucht van zeewier, streelt het reukvermogen met haar wilde parfum, streelt
het gehemelte met haar zilte smaak, streelt de geest met haar doordringende
mildheid. We liepen nu langs de afgrond, boven de uitgestrekte zee die honderd
meter lager haar golfjes aandroeg. En we dronken met open mond en uitgezette
borst die frisse bries die over de oceaan was komen aanzetten en die ons over
de huid gleed, traag en zilt door de lange kus der baren.
Met haar geruite omslagdoek strak om zich heen, een
geïnspireerde blik en haar tanden in de wind, keek de Engelse naar de enorme
zon die in de zee zakte. Voor ons, ginder, ver weg, aan de grens van het
blikveld, tekende een driemaster met volle zeilen zijn silhouet af tegen de
vurige hemel, en een stoomboot, dichterbij, voer langs en ontrolde daarbij haar
rook die achter haar een eindeloze wolk veroorzaakte, de hele horizon
doorkruisend.
De rode bol bleef langzaam dalen. En al snel raakte hij
het water, pal achter het roerloze schip dat nu in een lijst van vuur gevat
scheen, te midden van dat stralende hemellichaam. Dat zakte langzaam weg,
verslonden door de oceaan. Je zag het zakken, kleiner worden, verdwijnen. Het
was voorbij. Alleen nog het bootje toonde zijn profiel, uitgesneden tegen de
gouden achtergrond van de verre hemel.
Miss Harriet bekeek met hartstochtelijke blik het
schitterend einde van de dag. Ze voelde voorwaar een enorme zin om de hemel, de
zee, de hele horizon aan haar hart te drukken.
Ze mompelde: `O! Ik houd er zo van... ik houd er zo
van... wat houd ik er toch van...' Ik zag een traan in haar oog. Ze vervolgde:
`Ik wilde dat ik een vogeltje was om weg te vliegen in het firmament.'
Ze bleef daar staan, zoals ik haar zo vaak had gezien,
kaarsrecht op het klif, rood ook in haar purperen omslagdoek. Ik kreeg zin om
haar in mijn schetsboek te vereeuwigen. Ze leek wel een karikatuur van extase.
Ik wendde me af om niet te lachen.
Vervolgens had ik het met haar over schilderkunst,
zoals ik dat gedaan zou hebben met een kameraad, waarbij ik toon, verzadiging
en intensiteit in vaktermen beschreef. Ze luisterde heel aandachtig,
begrijpend, in een poging de duistere betekenis van de woorden te raden, mijn
gedachten te doorgronden. Af en toe zei ze: `O! Dat begrijp ik, dat begrijp ik.
Het is heel aangrijpend.'
We gingen weer naar huis.
De volgende dag kwam ze, toen ze me zag, direct met
uitgestoken hand op me af. En we waren meteen bevriend.
Het was een vreemd schepsel, dat een soort ziel met
veren had, die sprongsgewijze in enthousiasme afging. Het ontbrak haar aan
evenwicht, zoals al die vrouwen die op hun vijftigste nog ongetrouwd zijn. Ze
leek ingemaakt in verzuurde onschuld, maar ze had in haar hart iets heel jongs
en vurigs. Ze hield van de natuur en de dieren, met een extatische liefde,
gefermenteerd als oude drank, met die sensuele liefde die ze mannen geenszins
had geschonken.
En inderdaad greep het zien van een zogende teef, van
een merrie die met haar veulen tussen de benen door een wei rende, van een
vogelnestje vol kleintjes, piepend, met open bekjes, een enorme kop en een
helemaal kaal lijf, haar met overdreven ontroering aan.
Arme, eenzame, zwervende en trieste wezens uit pensions, arme,
belachelijke, beklagenswaardige wezens, ik houd van jullie sinds ik die ene heb
leren kennen!
Ik merkte meteen dat ze me iets te vertellen had, maar
niet durfde, en ik vermaakte me met haar verlegenheid. Als ik 's morgens
vertrok, met mijn schilderkist op de rug, vergezelde zij mij tot de rand van
het dorp, stilzwijgend, duidelijk nerveus en op zoek naar woorden om een opening
te maken. Dan verliet ze me plotseling en ging er snel vandoor, met haar
huppelende pas.
Eindelijk, op een dag, raapte zij haar moed bij elkaar
en zei: `Ik zou graag zien hoe u schildert. Wilt u wel? Ik ben heel
nieuwsgierig.' En ze bloosde alsof ze uitermate gedurfde woorden had
uitgesproken.
Ik nam haar mee in de Petit-Val, waar ik aan een grote
studie begon.
Ze bleef rechtop achter me staan, volgde al mijn
gebaren met geconcentreerde aandacht.
En toen, plotseling, misschien omdat ze bang was dat ze
me stoorde, zei ze: `Dank u wel', en ging ervandoor.
Maar het duurde niet lang of ze werd vertrouwelijker,
en ze begon me dagelijks met zichtbaar genoegen te vergezellen. Ze had haar
vouwstoel onder de arm, wilde beslist niet toestaan dat ik die droeg, en ging
naast me zitten. Zo bleef ze uren roerloos en stilzwijgend zitten, volgde met
haar blik het uiteinde van mijn penseel in al zijn bewegingen. Als ik met een
grote, plotseling met het paletmes opgebrachte kleurvlek, een goed en onverwacht
effect verkreeg, slaakte ze in weerwil van zichzelf een klein `ow' van
verbazing, vreugde en bewondering. Ze koesterde een soort vertederd ontzag voor
mijn doeken, een bijna religieus ontzag voor die menselijke weergave van een
stukje van het goddelijk werk. Mijn studies kwamen op haar over als een soort
schilderijen van heiligheid en soms begon ze te praten over God, in een poging
mij te bekeren.
Wel, haar Here God was een grappig ventje, een soort
dorpsfilosoof, zonder veel middelen en zonder veel invloed, want ze stelde Hem
altijd voor alsof Hij vreselijk inzat met de onrechtvaardigheden die onder Zijn
neus begaan werden - alsof Hij ze niet had kunnen voorkomen.
Zij kon het trouwens uitstekend met Hem vinden, leek
zelfs de vertrouwelinge van Zijn geheimen en Zijn teleurstellingen. Zij zei:
`God wil' of `God wil niet', zoals een sergeant die de dienstplichtige
verklaart: `De kolonel, die heeft bevolen.'
Zij betreurde hartgrondig mijn onwetendheid aangaande
de hemelse bedoelingen die zij haar best deed mij te onthullen, en elke dag
vond ik in mijn zakken, in mijn hoed als ik die op de grond had laten liggen,
in mijn verfdoos, in mijn gepoetste schoenen 's morgens voor mijn deur, die
kleine, vrome brochures, die zij ongetwijfeld rechtstreeks uit het paradijs
ontving.
Ik behandelde haar als een oude vriendin, met
hartelijke ongedwongenheid. Maar ik merkte al snel dat haar houding een beetje
veranderde. Aanvankelijk sloeg ik daar geen acht op.
Als ik werkte, of het nu was onder in mijn dal, of in
een of andere holle weg, zag ik haar plotseling verschijnen, dan kwam ze er aan
met haar snelle, ritmische pas. Ze ging dan plotseling zitten, buiten adem
alsof ze had gerend of alsof een of andere diepe ontroering haar verontrustte.
Ze was knalrood, van dat Engelse rood dat geen enkel ander volk heeft, en
zonder enige reden verbleekte ze dan weer, werd van een aardkleur en leek op
het punt flauw te vallen. Maar langzaam zag ik haar dan weer haar normalere
uiterlijk herkrijgen en begon ze te praten.
Maar plotseling zweeg ze midden in een zin, stond op en
ging er zo snel en zo onverklaarbaar vandoor dat ik me altijd afvroeg of ik
niets gedaan had wat haar tegenstond of gekwetst had.
Ten slotte bedacht ik me dat dat haar normale doen
moest zijn, ongetwijfeld ter ere van mij een beetje bijgesteld in de eerste
tijd dat wij elkaar kenden.
Als ze na urenlange wandelingen langs de door de wind
geteisterde kust huiswaarts keerde, waren haar lange haren, tot spiralen
gedraaid, vaak ontrold en hingen er dan bij alsof hun veer was gebroken.
Vroeger kon haar dat niets schelen, en ze ging er ook schaamteloos mee aan
tafel, haar haren verward door haar zuster, de zeewind.
Nu ging ze naar haar kamer om wat ik haar lampenglazen
noemde te schikken, en als ik haar met ongedwongen hoffelijkheid, die haar
altijd choqueerde, zei: `U straalt vandaag als een ster, miss Harriet', steeg
haar meteen wat bloed naar de wangen, meisjesbloed, bloed van een
vijftienjarige.
Maar ze werd weer helemaal wild en kwam mij niet langer
bekijken bij het schilderen. Ik dacht: Vast een crisis, gaat wel over. Maar het
ging helemaal niet over. Nu was het zo dat als ik het woord tot haar richtte,
zij mij antwoordde, maar met geveinsde onverschilligheid, of ook wel met
ingehouden ergernis. En ze werd bij vlagen bits, ongeduldig, zenuwachtig. Ik
zag haar nog slechts onder het eten en we spraken amper meer met elkaar. Ik
dacht echt dat ik iets verkeerds had gedaan en ik vroeg haar op een avond:
`Miss Harriet, waarom bent u met mij niet meer als vroeger? Heb ik iets gedaan
wat u misnoegen heeft gewekt? Het baart me zorgen u zo te zien!'
Ze antwoordde, met een volstrekt grappige ondertoon van
woede: `Ik ben met u altijd hetzelfde als vroeger. Dat is niet waar, niet
waar', en ze rende naar boven om zich in haar kamer op te sluiten.
Ze kon me op een hele rare manier aankijken. Sinds die
tijd heb ik meer dan eens bij mezelf gezegd dat ter dood veroordeelden zo
moeten kijken als ze hun laatste dag aangekondigd krijgen. Er lag in haar blik
een soort waanzin, een mystieke en gewelddadige waanzin, en ook nog iets
anders, een koorts, een wanhopige begeerte, ongeduldig en onmachtig bij wat
niet verwerkelijkt was en het ook nooit zou worden! En het leek mij dat er in
haar ook een strijd plaatsgreep, waarin haar hart vocht tegen een onbekende
macht die zij wilde temmen, en misschien nog wat anders... weet ik veel! Weet ik veel?
|