Par.
1 2 | boeren met hun vrouwen naar het stadje, want het was marktdag.
2 2 | vrouwen naar het stadje, want het was marktdag. De mannen
3 2 | liepen met rustige pas, het hele lijf naar voren hellend
4 2 | die vervormd waren door het harde werk, door het drukken
5 2 | door het harde werk, door het drukken op de ploeg waardoor
6 2 | omhoogkomt en tegelijkertijd het middel scheefgroeit, door
7 2 | middel scheefgroeit, door het maaien van het koren, met
8 2 | scheefgroeit, door het maaien van het koren, met gespreide benen
9 2 | moeizame bezigheden van het platteland. Hun blauwe gesteven,
10 2 | lijf, leek een ballon op het punt van wegvliegen waaruit
11 3 | En hun vrouwen, achter het dier, sloegen het met een
12 3 | achter het dier, sloegen het met een bebladerde tak op
13 3 | met een bebladerde tak op het kruis, om de gang ervan
14 3 | hun platte borst gespeld, het hoofd omwikkeld met een
15 4 | bok en een vrouw achter in het rijtuig vreemd door elkaar
16 4 | rand ervan vasthield om het harde gehos te verzachten.~
17 5 | Op het plein van Goderville was
18 5 | plein van Goderville was het een drukte van jewelste,
19 5 | de boerinnen staken boven het oppervlak van dat marktvolk
20 5 | vrolijke plattelander, of het langgerekte geloei van een
21 7 | aangekomen en liep naar het plein, toen hij een eindje
22 7 | touw van de grond en wilde het zorgvuldig oprollen toen
23 7 | ging hij naar de markt, het hoofd naar voren, krom van
24 8 | naar de list bij de man en het gebrek bij het beest.~
25 8 | de man en het gebrek bij het beest.~
26 11| Vervolgens raakte het plein langzaam maar zeker
27 11| zeker weer ontvolkt en toen het angelus de middag luidde,
28 12| met de neus op de grond en het achterwerk in de lucht.~
29 13| mensen vrolijk, deed ze het water in de mond lopen.~
30 15| over de oogst uitgewisseld. Het weer was goed voor het bladgewas,
31 15| Het weer was goed voor het bladgewas, maar een beetje
32 15| beetje te ievallig voor het koren.~
33 16| op de binnenplaats, voor het huis. Meteen was iedereen
34 16| met de mond nog vol en het servet in de hand.~
35 17| inwoners van Goderville en in het algemeen aan allen - die
36 17| onmiddellijk terug te bezorgen - op het gemeentehuis, of bij baas
37 18| nog één keer in de verte het doffe geroffel van het instrument
38 18| verte het doffe geroffel van het instrument en de zwakkere
39 24| met mij mee te gaan naar het gemeentehuis. Meneer de
40 27| een stoel op te wachten. Het was de plaatselijke notaris,
41 29| burgemeester, al bang door het vermoeden dat op hem rustte,
42 36| herinnerde de oude man zich het, begreep het, werd rood
43 36| oude man zich het, begreep het, werd rood van woede en
44 37| in zijn zak en haalde er het eindje touw uit.~
45 38| Maar de burgemeester wilde het niet geloven en schudde
46 41| burgemeester vervolgde: 'Nadat u het voorwerp hebt opgeraapt,
47 46| waarschuwde hem dat hij het parket op de hoogte zou
48 47| Het nieuwtje had zich al verspreid.
49 47| zich al verspreid. Toen hij het gemeentehuis uitkwam werd
50 47| verontwaardiging. En hij begon het verhaal van het touwtje
51 47| hij begon het verhaal van het touwtje te vertellen. Ze
52 50| ergerde zich, liep warm, vond het vreselijk niet geloofd te
53 51| Het werd avond. Hij moest weg.
54 51| opgeraapt, en onderweg had hij het de hele tijd over zijn avontuur.~
55 52| Avonds deed hij de ronde in het dorp Bréauté, om het aan
56 52| in het dorp Bréauté, om het aan iedereen te vertellen.
57 55| man zei dat hij inderdaad het voorwerp op de weg had gevonden,
58 55| niet kon lezen, had hij het mee naar huis genomen en
59 55| mee naar huis genomen en het aan zijn baas gegeven.~
60 56| Het nieuwtje verspreidde zich
61 58| De hele dag had hij het over zijn avontuur, hij
62 58| zijn avontuur, hij vertelde het onderweg aan voorbijgangers,
63 58| onderweg aan voorbijgangers, in het café aan mensen die zaten
64 58| die zaten te drinken, bij het uitgaan van de kerk de zondag
65 58| hield onbekenden staande om het ze te vertellen. Nu was
66 58| dat hij precies wist wat. Het leek wel alsof ze zich vermaakten
67 61| op de buik gaf en hem in het gezicht riep: 'Ouwe vos,
68 67| zowat. Eindelijk had hij het door. Ze beschuldigden hem
69 70| Zijn onschuld leek hem als het ware onmogelijk te bewijzen,
70 70| kende. En hij voelde zich in het hart geraakt door de onrechtvaardigheid
71 71| geest uitsluitend bezig met het verhaal van het touwtje.
72 71| bezig met het verhaal van het touwtje. Hij werd des te
73 73| Hij voelde het, het vrat aan hem, hij putte
74 73| Hij voelde het, het vrat aan hem, hij putte
75 75| lieten hem nu voor de lol 'het touwtje' vertellen, zoals
76 77| dagen van januari, en in het delirium van zijn doodsstrijd
|