Par.
1 7 | in zijn deuropening naar hem zag staan kijken. Ze hadden
2 27| De burgemeester zat hem in een stoel op te wachten.
3 29| door het vermoeden dat op hem rustte, zonder dat hij begreep
4 45| gefouilleerd. Ze vonden niets op hem.~
5 46| wat hij ermee aan moest, hem weg, maar waarschuwde hem
6 46| hem weg, maar waarschuwde hem dat hij het parket op de
7 47| vertellen. Ze geloofden hem niet. Ze lachten hem uit.~
8 47| geloofden hem niet. Ze lachten hem uit.~
9 49| Ze zeiden tegen hem: 'Ouwe vos, bobber op!'~
10 58| hij rustig, en toch zat hem iets dwars zonder dat hij
11 58| ze zich vermaakten door hem aan te horen. Ze leken niet
12 60| begon te lachen toen hij hem voorbij zag komen. Waarom?~
13 61| boer uit Criquetot aan, die hem zijn verhaal niet liet afmaken,
14 61| verhaal niet liet afmaken, hem een klap op de buik gaf
15 61| een klap op de buik gaf en hem in het gezicht riep: 'Ouwe
16 62| staan. Waarom hadden ze hem 'ouwe vos' genoemd?~
17 64| paardenkoper uit Montevilliers riep hem toe: 'Hé, ouwe smoefel,
18 66| grootevader, de een vindt hem en den aore brengt hem weerom.
19 66| vindt hem en den aore brengt hem weerom. Geen hane die ter
20 67| het door. Ze beschuldigden hem ervan de portefeuille door
21 70| grap. Zijn onschuld leek hem als het ware onmogelijk
22 73| voelde het, het vrat aan hem, hij putte zich uit in nutteloze
23 75| Grapjassen lieten hem nu voor de lol 'het touwtje'
|