Voor Harry
Alis1
Over
alle wegen rond Goderville kwamen de boeren met hun vrouwen naar het stadje,
want het was marktdag. De mannen liepen met rustige pas, het hele lijf naar
voren hellend bij elke beweging van hun lange, kromme benen, die vervormd waren
door het harde werk, door het drukken op de ploeg waardoor de linkerschouder
omhoogkomt en tegelijkertijd het middel scheefgroeit, door het maaien van het
koren, met gespreide benen om stevig te staan, door alle langzame en moeizame
bezigheden van het platteland. Hun blauwe gesteven, als gevernist glanzende
boezeroen, bij kraag en manchet met een borduurseltje van wit garen getooid,
bollend rond hun magere lijf, leek een ballon op het punt van wegvliegen
waaruit een hoofd, twee armen en twee voeten kwamen.
Sommigen voerden aan een leidsel een koe of een kalf mee. En
hun vrouwen, achter het dier, sloegen het met een bebladerde tak op het kruis, om de gang ervan te versnellen. Zij hadden grote manden aan de arm waaruit hier de koppen van kippen,
daar die van eenden staken. En zij liepen met kortere en snellere pas dan hun
mannen, hun magere, rechte gestalte omhuld door een krappe omslagdoek, op hun platte borst gespeld, het hoofd omwikkeld met een witte
hoofddoek, tegen de haren geplakt en bekroond met een muts.
Dan
kwam er een janplezier voorbij, op de hortende draf van een hit, waardoor twee
mannen op de bok en een vrouw achter in het rijtuig
vreemd door elkaar werden geschud, terwijl zij de rand ervan vasthield om het
harde gehos te verzachten.
Op
het plein van Goderville was het een drukte van jewelste, een gewoel van mens
en dier door elkaar. Hoorns van ossen, de hoge hoeden met bont van rijke boeren
en de kappen van de boerinnen staken boven het oppervlak van dat marktvolk uit.
En schril schreeuwende, gillende stemmen maakten een voortdurend, ongebreideld
lawaai dat soms overstemd werd door de schaterlach uit de ronde borst van een vrolijke
plattelander, of het langgerekte geloei van een koe, vastgebonden aan de muur
van een huis.
Dat
alles rook naar stal, melk en mest, hooi en zweet, wasemde die zure,
weerzinwekkende lucht, menselijk en bestiaal, zo eigen
aan mensen uit de velden.
Baas
Hauchecorne, uit Bréauté, was net in Goderville aangekomen en liep naar het
plein, toen hij een eindje touw op de grond zag liggen. Baas Hauchecorne was
zuinig als een echte Normandiër, hij vond dat alles
wat nog dienst kon doen goed genoeg was om op te rapen en bukte met moeite,
want hij had last van reumatiek. Hij raapte dat stukje dunne
touw van de grond en wilde het zorgvuldig oprollen toen hij baas Malandain, de
zadelmaker, in zijn deuropening naar hem zag staan kijken. Ze hadden vroeger onenigheid
met elkaar gehad naar aanleiding van een halster en waren boos gebleven, omdat
ze allebei haatdragend waren. Baas Hauchecorne voelde zich beschaamd zo door
zijn vijand te zijn waargenomen, in de modder zoekend
naar een eindje touw. Hij verborg zijn vondst schielijk onder
zijn boezeroen, vervolgens in zijn broekzak, deed daarna alsof hij nog iets op
de grond zocht wat hij niet vond en ging hij naar de markt, het hoofd naar
voren, krom van de pijn.
Hij verloor zich meteen in de lawaaiige, trage menigte, bewogen
door eindeloos loven en bieden. De boeren betastten de koeien,
verdwenen, kwamen terug, verbaasd, altijd met de vrees te worden beetgenomen,
zonder ooit te durven besluiten, de blik van de verkoper bespiedend, eindeloos
op zoek naar de list bij de man en het gebrek bij het beest.
De
vrouwen met hun grote manden aan de voeten, hadden er
hun gevogelte uitgehaald, dat op de grond lag, bij de poten vastgebonden, met
verschrikte blik en rode kam.
Zij
luisterden naar de voorstellen, bleven bij hun prijs, deden bits, vertrokken
geen spier, of hadden plotseling besloten de gevraagde korting te geven, en riepen dan naar de klant, die al langzaam
wegliep: ''t Is awel, baas Anthime. 't Is joe gegund.'
Vervolgens raakte het plein langzaam maar zeker weer ontvolkt en
toen het angelus de middag luidde, verspreidden degenen die ver weg woonden
zich over de herbergen.
Bij
Jourdain zat de grote zaal vol eters, evenals de grote binnenplaats vol
rijtuigen van allerlei soort stond, karren, cabrioletten, janplezieren,
tilbury's, talloze rijtuigjes, geel van de stront, vervormd, opgelapt, als twee
armen hun lamoen ten hemel richtend, of met de neus op de grond en het
achterwerk in de lucht.
Achter
de eters aan tafel straalde de enorme open haard, vol van een heldere vlammen,
een grote warmte in de rug van de rechterrij. Drie
spitten draaiden, vol kippen, duiven en bouten, een zalige lucht van geroosterd
vlees en sap dat over de gebraden huid stroomde kwam uit de haard, stemde de
mensen vrolijk, deed ze het water in de mond lopen.
De
hele aristocratie van de ploeg at daar, bij baas Jourdain, herbergier en
paardenhandelaar, een slimmerik met centen.
De
schotels kwamen voorbij en werden geleegd, net als de
kruiken gele cider. Eenieder verhaalde van zijn zaken, zijn
aankoop en zijn verkoop. Er werden nieuwtjes over de oogst uitgewisseld.
Het weer was goed voor het bladgewas, maar een beetje te
ievallig voor het koren.
Plotseling
roffelde de trommel op de binnenplaats, voor het huis.
Meteen was iedereen overeind, behalve een paar onverschilligen, en ze renden
naar de deur, naar de ramen, met de mond nog vol en het servet in de hand.
Toen
hij zijn roffel had weggegeven, schreeuwde de dorpsomroeper met hortende stem,
zijn zinnen in antimetrie scanderend: 'Hiermee wordt bekendgemaakt aan de
inwoners van Goderville en in het algemeen aan allen - die aanwezig waren op de
markt, dat er deze ochtend, op de weg naar Beuzeville, tussen - negen en tien
uur, is verloren een portefeuille van zwart leder, bevattende vijfhonderd frank
en zakelijke papieren. Eenieder wordt verzocht die onmiddellijk terug te bezorgen - op het gemeentehuis, of bij baas Fortuné
Houlbrèque uit Manneville. Hij zal twintig frank beloning krijgen.'
Vervolgens verdween de man. Ze hoorden nog één keer in de
verte het doffe geroffel van het instrument en de zwakkere stem van de
omroeper.
En
toen begonnen ze over die gebeurtenis te praten en
schatten de kansen in die baas Houlbrèque had al dan niet zijn portefeuille
terug te krijgen.
En de
maaltijd liep af.
Ze zaten net aan de koffie toen de brigadier van de gendarmerie op
de drempel verscheen.
Hij
vroeg: 'Baas Hauchecorne uit Bréauté, is die hier?'
Baas Hauchecorne, die aan de zijkant van de tafel zat,
antwoordde: 'Hier ben ik.'
En de
brigadier vervolgde: 'Baas Hauchecorne, wilt u zo vriendelijk zijn met mij mee
te gaan naar het gemeentehuis. Meneer de burgemeester zou u
willen spreken.'
De
boer, verrast, ongerust, sloeg zijn glaasje achterover, stond op, en nog
krommer dan de ochtend, want de eerste stappen na elke maaltijd waren bijzonder
moeilijk, begaf hij zich op weg, almaar herhalend: 'Hier ben ik, hier ben ik.'
En hij volgde de brigadier.
De
burgemeester zat hem in een stoel op te wachten. Het
was de plaatselijke notaris, een dikke, ernstige man die in volzinnen sprak.
'Baas
Hauchecorne,' sprak hij, 'u bent vanochtend waargenomen toen u op de weg naar
Beuzeville de portefeuille opraapte die is verloren door baas Houlbrèque uit
Manneville.'
De boer stond paf, keek naar de burgemeester, al bang door het
vermoeden dat op hem rustte, zonder dat hij begreep waarom.
'Ikke,
ik zou die bozze opgeraapt hebben?'
'Ja zeker, u zelf.'
'Op
mien erewoord, ik weet daar glad niks van af.'
'U
bent gezien.'
'Ik
ben gezien, ikke? Wie heeft mien dan gezien?'
'Baas Malandain, de zadelmaker.'
Toen
herinnerde de oude man zich het, begreep het, werd rood van woede en zei: 'O,
den diën heeft mien gezien, dien doerak! Den diën heeft mien
dat touwtje op zien rapen, kiek maar, meneer de burgemeester.'
En
hij zocht onder in zijn zak en haalde er het eindje
touw uit.
Maar
de burgemeester wilde het niet geloven en schudde zijn
hoofd.
'Dat
kunt u mij niet wijsmaken, baas Hauchecorne, dat baas Malandain, die toch een
geloofwaardig man is, dat touwtje voor een portefeuille heeft aangezien.'
De boer was woest, stak zijn hand op, spoog op de grond om zijn
eer te getuigen en herhaalde: 'En toch is dat de waarheid, de Gods eerlijke waarheid,
de heilige waarheid, meneer de burgemeester. Daar, ik zwere
op mien ziele en mien zaligheid, dat verzeker ik je.'
De
burgemeester vervolgde: 'Nadat u het voorwerp hebt opgeraapt, hebt u zelfs nog
enige tijd in de modder gezocht, of er niet een muntstukje uitgevallen was.'
De man stikte zowat van verontwaardiging en angst.
'Hoe
kun je noe toch... hoe kun je noe toch... zo zitten leugenen om een eerlijk
mens te verdraaien! Hoe kun je dat noe toch doen!'
Hij
kon protesteren wat hij wilde, hij werd niet geloofd.
Hij
werd geconfronteerd met baas Malandain, die zijn
verklaring herhaalde en bevestigde. Ze zaten elkaar een uur lang
uit te schelden. Op zijn eigen verzoek werd baas
Hauchecorne gefouilleerd. Ze vonden niets op hem.
Ten
slotte stuurde de burgemeester, die niet goed wist wat hij ermee aan moest, hem
weg, maar waarschuwde hem dat hij het parket op de hoogte zou stellen en
instructies zou vragen.
Het
nieuwtje had zich al verspreid. Toen hij het gemeentehuis uitkwam werd de oude
man omringd, met serieuze of geamuseerde nieuwsgierigheid ondervraagd, maar
zonder een spoor van verontwaardiging. En hij begon het verhaal van het touwtje
te vertellen. Ze geloofden hem niet. Ze lachten hem
uit.
Hij
werd door iedereen staande gehouden, hield zelf zijn kennissen staande, begon
eindeloos zijn verhaal en zijn protesten, keerde zijn zakken om,
om te bewijzen dat hij niets had.
Ze
zeiden tegen hem: 'Ouwe vos, bobber op!'
En
hij werd boos, ergerde zich, liep warm, vond het vreselijk niet geloofd te worden, wist niet wat hij moest doen, en bleef de hele
tijd zijn verhaal maar vertellen.
Het werd avond. Hij moest weg. Hij
begaf zich op weg met drie buren aan wie hij de plek toonde waar hij dat eindje
touw had opgeraapt, en onderweg had hij het de hele
tijd over zijn avontuur.
?s
Avonds deed hij de ronde in het dorp Bréauté, om het aan iedereen te vertellen.
Hij stuitte slechts op ongeloof.
Hij
was er de hele nacht ziek van.
De
volgende dag tegen één uur in de middag, bracht Marius Paumelle, knecht van
baas Breton, akkerbouwer in Ymauville, de portefeuille met inhoud terug aan
baas Houlbrèque in Manneville.
Die
man zei dat hij inderdaad het voorwerp op de weg had gevonden, maar omdat hij
niet kon lezen, had hij het mee naar huis genomen en
het aan zijn baas gegeven.
Het nieuwtje verspreidde zich in de omgeving. Baas Hauchecorne werd ervan op de hoogte gesteld. Hij begon
meteen de ronde te doen en zijn verhaal te vertellen,
nu aangevuld met de ontknoping. Hij triomfeerde.
'En
wat a mien zo stak,' zei hij, 'dat is niet zozeer die bozze, dat begriepen
julder wel, maar dat bennen die liegens. Niks kan je zo dwarszitten
als aje deur liegens een verwiet mot opvreten.'
De
hele dag had hij het over zijn avontuur, hij vertelde het onderweg aan
voorbijgangers, in het café aan mensen die zaten te
drinken, bij het uitgaan van de kerk de zondag daarop. Hij hield onbekenden
staande om het ze te vertellen. Nu was hij rustig, en
toch zat hem iets dwars zonder dat hij precies wist wat. Het leek wel alsof ze
zich vermaakten door hem aan te horen. Ze leken niet overtuigd. Hij kreeg de
indruk dat er achter zijn rug gekletst werd.
De
dinsdag van de week daarop ging hij weer naar de markt in Goderville, slechts
gedreven door de behoefte zijn relaas te doen.
Malandain
stond in zijn deuropening, en begon te lachen toen hij
hem voorbij zag komen. Waarom?
Hij
schoot een boer uit Criquetot aan, die hem zijn
verhaal niet liet afmaken, hem een klap op de buik gaf en hem in het gezicht
riep: 'Ouwe vos, bobber op!' en zich toen op zijn hielen omdraaide.
Baas Hauchecorne bleef ontsteld en in toenemende mate
ongerust staan. Waarom hadden ze hem 'ouwe vos' genoemd?
Toen
hij in de herberg van Jourdain aan tafel zat, begon hij zijn zaak voor te leggen.
Een
paardenkoper uit Montevilliers riep hem toe: 'Hé, ouwe smoefel, ik ken dat
touwtje van joe!'
Hauchecorne
stamelde: 'Maar ie is toch aweer boven water, die bozze!'
Doch
de anderen vervolgden: 'Hou toch je lèremond, grootevader, de een vindt hem en
den aore brengt hem weerom. Geen hane die ter na kraait.'
De boer stikte zowat. Eindelijk had hij het door. Ze
beschuldigden hem ervan de portefeuille door een maat, een medeplichtige, te hebben laten terugbezorgen.
Hij wilde protesteren. De hele tafel begon te
lachen.
Hij kon zijn eten niet afmaken en ging ervandoor, temidden van
bespottingen.
Hij
ging beschaamd en verontwaardigd naar huis, stikkend
van woede, van verwarring, des te meer verslagen waar hij met zijn Normandische
boerenslimheid in staat was te doen waarvan hij beschuldigd werd, en zelfs om
er prat op te gaan als een leuke grap. Zijn onschuld leek hem als het ware onmogelijk te bewijzen, omdat ieder zijn
slimheid kende. En hij voelde zich in het hart geraakt door de
onrechtvaardigheid van die verdenking.
Dus
begon hij zijn avontuur opnieuw te vertellen, daarbij
zijn verhaal dagelijks verlengend en er telkens nieuwe beweegredenen aan
toevoegend, heviger protesten, plechtiger eden
die hij verzon, die hij voorbereidde in zijn uren van eenzaamheid, de geest
uitsluitend bezig met het verhaal van het touwtje. Hij werd des te minder geloofd nu zijn verdediging ingewikkelder en zijn
argumentatie subtieler waren geworden.
'Dat bennen argumentaties van leugenaars,' zeiden ze achter zijn
rug.
Hij voelde het, het vrat aan hem, hij putte zich uit in nutteloze
pogingen.
Hij
takelde zichtbaar af.
Grapjassen
lieten hem nu voor de lol 'het touwtje' vertellen, zoals je de soldaat die op veldtocht
is geweest zijn slag laat vertellen. Zijn geest, tot in de grondvesten
aangetast, verzwakte.
Eind december werd hij bedlegerig.
Hij
stierf de eerste dagen van januari, en in het delirium van zijn doodsstrijd
getuigde hij van zijn onschuld door te herhalen: 'Een touwtje... een touwtje...
kiek, hier heb je 't, meneer de burgemeester.'
|