Par.
1 [Title]| van de sneltrein, krijgen we de triestheid van het hotel,
2 [Title]| was.~ Ten slotte zakten we allebei weg in die holle
3 [Title]| gebeurde er niets nieuws.~ We gingen eten in een buffet.~
4 [Title]| in een buffet.~ Toen we weer in onze wagon stapten,
5 [Title]| tien minuten vertrekken we weer! Buffet!' riep de beambte.~
6 [Title]| uit te stappen en zodra we op het perron stonden sprak
7 [Title]| knap, dat is alles. Zouden we haar niet aan kunnen spreken?
8 [Title]| instappen!' riep de beambte.~ We moesten weer in de trein.
9 [Title]| op zijn inspanningen.~ We kwamen voorbij Fréjus, Saint-Raphaël.
10 [Title]| gesprek te komen en toen we weer onze plaatsen hadden
11 [Title]| Ik heb haar gevraagd of we konden roken.'~ 'Ze verstaat
12 [Title]| wij maar moesten doen waar we zin in hadden.'~ En ik
13 [Title]| persoontje te leren kennen.~ We kwamen voorbij Nice, Monaco,
14 [Title]| halen en te veroveren.~ We reden weer verder. We zaten
15 [Title]| We reden weer verder. We zaten nog steeds met zijn
16 [Title]| sprak zij: 'Nou! Dan gaan we naar een hotel.'~ Ik
17 [Title]| gedaan. Ik heb geantwoord dat we naar een hotel gingen, en
18 [Title]| weer gezegd: "Nou, dan gaan we naar een hotel!" Ze heeft
19 [Title]| best, zeg haar maar dat we haar meenemen waar ze maar
20 [Title]| ongeruste stem: 'Alleen moeten we wel weten met wie ze meegaat?
21 [Title]| nog de reis. Wat moeten we met die vrouw die ik weet
22 [Title]| antwoordde: 'Beste jongen, we hebben het aangenomen. Het
23 [Title]| trein floot, minderde vaart, we waren er.~ Ik stapte
24 [Title]| hem: 'Naar welk hotel gaan we? Het wordt misschien wat
25 [Title]| maar vooruit. Zeg maar dat we er aankomen. En dan laat
26 [Title]| hij begrijpen en dan zien we wel wat hij antwoordt.'~
27 [Title]| antwoorden.~ Ik vervolgde: 'We gaan zo dadelijk souperen.
28 [Title]| van migraine kreeg.~ En we gingen aan tafel om te souperen.
29 [Title]| Ik sprak tot haar: 'Omdat we slechts twee kamers hebben,
30 [Title]| Bijvoorbeeld vandaag, wat gaan we doen?' Ze aarzelde alsof
31 [Title]| Welnu, juffrouw Mica, we nemen een rijtuig en we
32 [Title]| we nemen een rijtuig en we gaan een beetje toeren.'~
33 [Title]| doen?'~ Ik antwoordde: 'We gaan eerst een beetje door
34 [Title]| stad toeren, en dan kunnen we een rijtuig nemen om iets
35 [Title]| stilte en toen vertrokken we door de straten, om musea
36 [Title]| woord.~ Daarna gingen we weer eten.~ De volgende
37 [Title]| waar moet ik dan nu heen? We hebben drie weken en daarvan
38 [Title]| tierend.~ Op straat waren we zo langzamerhand bekend
39 [Title]| langzamerhand bekend geworden, want we liepen er van de ochtend
40 [Title]| die op tunneltjes lijken. We liepen door die stegen waarin
41 [Title]| gelegenheid gebruik en laten we ervandoor gaan. Onze tijd
42 [Title]| mijn koffer, en samen namen we twee uur later de trein
|