Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Guy de Maupassant
De gezusters Rondoli

IntraText CT - Text

  • I
Previous - Next

Click here to hide the links to concordance

I


    'Nee', sprak Pierre Jouvenet, 'ik ken Italië niet, en toch heb ik twee keer geprobeerd erheen te gaan, maar ik word altijd op zodanige wijze aan de grens al tegengehouden dat het me onmogelijk is geweest verder landinwaarts te komen. En toch hebben die twee pogingen mij een fascinerende indruk van de zeden in dat mooie land gegeven. Ik hoef slechts nog de steden, de musea, de meesterwerken waarvan dat land zo vol is, te leren kennen. Ik ga weer op de eerste dag proberen mij in dat ontoegankelijke gebied te wagen.
    Dat snappen jullie niet? - Ik zal het jullie uitleggen.'

    Het was in 1874 dat ik zin kreeg Venetië, Florence, Rome en Napels te gaan bezoeken. Ik kreeg de bevlieging rond 15 juni, toen de geweldige sapstroom van het voorjaar een onbedwingbare lust tot reizen en tot liefde in het hart wekte.
    Toch ben ik niet zo'n reiziger. Je verplaatsen, dat lijkt mij een nutteloze en vermoeiende bezigheid. Nachten in de trein, gehos van die wagons bij het inslapen, hoofdpijn en stijfheid van ledematen, dat gebroken ontwaken in die voortrollende kist, het gevoel van vuil op je huid, die rondvliegende ongeregeldheden waarmee je ogen en je haren bestrooid worden, die lucht van steenkool die alles doortrekt, die vreselijke diners in tochtige buffetten, vormen een naar mijn smaak verwerpelijk begin van iets leuks wat komen moet.
    Na die inleiding van de sneltrein, krijgen we de triestheid van het hotel, van het grote hotel vol mensen en toch zo leeg, de onbekende, afstotelijke kamer, het verdachte bed! - Ik ben meer dan wat ook aan mijn bed gehecht. Dat is het heiligdom van het leven. Je vertrouwt het naakt je vermoeide spieren toe opdat het die tot nieuw leven zal wekken en ze laat rusten tussen de blanke lakens, in de warmte van het dons.
    Daar beleven wij de zoetste uren van ons bestaan, de uren van liefde en van slaap. Het bed is heilig. Het moet door ons worden geëerbiedigd, vereerd en bemind, als het beste en het zachtste dat wij op aarde hebben.
    Ik kan geen laken van een hotelbed oplichten zonder een huivering van afkeer. Wat is daar de vorige nacht in gebeurd? Wat voor vieze, afstotelijke lui hebben op die matras geslapen? En ik denk aan al die vreselijke wezens die je dagelijks tegenkomt, smerige bultenaars met puisterige huid, zwarte handen die doen vermoeden hoe de voeten en de rest zullen zijn. Ik denk aan hen die je een misselijkmakende knoflooklucht of mensdomstank naar de neus zenden wanneer je ze tegenkomt. Ik denk aan mismaakten, stinkerds, aan ziekenzweet, aan alle menselijke misvorming en smerigheid.
    Dat alles is in dat bed geweest waarin ik ga slapen. Het doet me zeer aan het hart als ik mijn voet er insteek.
    En die diners in het hotel, die lange diners met het gastenmenu, temidden van al die slaapverwekkende of bespottelijke heerschappen, aan die vreselijke voedzame diners aan een tafeltje in het restaurant tegenover een armzalige kaars met een kap erop.
    Die ontmoedigende avonden in een onbekende stad? Kennen jullie iets ergers dan invallende duisternis in een vreemde stad? Je loopt je neus maar achterna temidden van al dat rumoer, een drukte die net zo verrassend lijkt als wanneer ze in een droom plaatsgrijpt. Je ziet figuren die je nog nooit hebt gezien en die je ook nooit meer zult zien, je luistert naar stemmen die het hebben over dingen die je niets kunnen schelen, in een taal die je zelfs niet eens begrijpt. Je krijgt het erge gevoel verloren te wezen. Je loopt rond met beklemd hart, met knikkende knieën, met de moed in de schoenen. Je loopt alsof je vlucht, je loopt om niet terug te hoeven naar het hotel waarin je je nog meer verloren voelt, want daar hoor je thuis, in het betaalde thuis van iedereen, en ten slotte laat je je in een verlicht café op een stoel ploffen, waarvan het verguldsel en het licht je nog duizend keer meer bedrukken dan de schaduwen op straat. Dan, achter een schuimende pul bier, door een rennende ober gebracht, voel je je zo allerverschrikkelijkst eenzaam dat je een soort waanzin bevangt, een behoefte te vertrekken, naar elders te gaan, het doet er niet toe waarheen, om vooral maar niet daar te blijven, aan die marmeren tafel onder die stralende luchters. En plotseling merk je dat je eigenlijk altijd en overal alleen op de wereld bent, maar dat de vertrouwde omgang op bekende plekken je slechts de illusie geeft van menselijke verbroedering. In die uren van afzien, van zwart isolement in verre steden, denk je lang, breed en duidelijk na. Dan overzie je het leven pas in één oogopslag, eens niet vanuit de invalshoek van eeuwige hoop, eens niet in het bedrog van ingesleten gewoonten, de verwachting van eeuwig gedroomd geluk.
    Door ver weg te gaan begrijp je pas goed hoe alles aanstaand en kort en leeg is, door het onbekende op te zoeken zie je pas goed hoe alles middelmatig en kortstondig is, door de aarde af te schuimen zie je pas goed hoe klein ze is, en voortdurend ongeveer gelijk.
    O, die sombere avonden van doelloos rondlopen door onbekende straten, die ken ik. Ik ben er banger voor dan voor wat ook.
    Doordat ik dan ook niet alleen wilde vertrekken op die reis naar Italië, besloot ik mij te laten begeleiden door mijn vriend Paul Pavilly.
    Jullie kennen Paul. Voor hem bestaan de wereld en het leven uit de vrouw. Er zijn veel mannen van dat slag. Het bestaan lijkt hem verdicht, verlucht door de aanwezigheid van vrouwen. De aarde is slechts bewoonbaar doordat zij er zijn, de zon is stralend en warm omdat zij hen verlicht. De lucht is heerlijk om in te ademen, want zij strijkt over hun huid en doet de haartjes bij hun slapen dansen. De maan is betoverend omdat hij ze te dromen geeft en omdat hij de liefde een lome betovering verleent. Alles wat Paul doet heeft slechts de vrouw tot drijfveer, al zijn gedachten gelden haar, net als al zijn streven en al zijn hoop.
    Een dichter heeft met dat soort mannen de draak gestoken:

Bespaar me de eeuwige bard die met vochtige ogen
En een naam op zijn lippen naar de sterren staart
En die de natuur met haar immense vermogen
Zonder Liesje of Mien aan de hand als leeg ervaart.

Hoe charmant, deze lui, die ons pogen te vangen
Voor het wel en wee van hun schamel heelal
Door in vlakten aan boomtakken jurken te hangen
En een witte kornet tegen 't groen van een dal.

Melodieën die uit de hemelen komen
Noch de stem der natuur zullen zij verstaan
Die bij bossengeruis van hun lieveling dromen
En nooit eens alleen door valleien gaan.2


    Toen ik met Paul over Italië begon, weigerde hij aanvankelijk volstrekt Parijs te verlaten, maar ik begon hem reisavonturen te verhalen, ik vertelde hem hoezeer Italiaanse vrouwen doorgaan voor betoverend, ik spiegelde hem verfijnde genoegens voor in Napels, dankzij een aanbeveling die ik had voor een zekere signore Michel Amoroso, wiens relaties reizigers heel nuttig kunnen zijn, en hij liet zich strikken.





2 Uit Festons et Astragales (1859) van Louis Bouilhet, vertaling Hanneke Nutby.





Previous - Next

Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library

Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License