Par.
1 3 | plattelandsbewoners voelen als ze lang verbeide vrienden zien
2 8 | bovenkant kon open, alsof ze in die grote stenen kluis
3 14| Ze liep heel vroeg, maar weigerde
4 14| praten. Eerst meende ik dat ze doof was, toen stelde ik
5 14| toen stelde ik vast dat ze uitstekend hoorde, maar
6 14| uitstekend hoorde, maar dat ze niets begreep. Hard geluid
7 14| haar tot paniek zonder dat ze zich rekenschap gaf van
8 15| Ze groeide, ze werd heel mooi,
9 15| Ze groeide, ze werd heel mooi, en stom,
10 15| had menen op te merken dat ze haar min herkende. Toen
11 15| haar min herkende. Toen ze eenmaal gespeend was, herkende
12 15| eenmaal gespeend was, herkende ze niet eens haar moeder. Dat
13 15| haar moeder. Dat woord kon ze nooit uitspreken, het eerste
14 15| wat soldaten mompelen als ze op het slagveld sterven: `
15 15| slagveld sterven: `Mama!" Ze probeerde soms te stotteren,
16 16| het mooi weer was, lachte ze voortdurend en slaakte hoge
17 16| als het regende, huilde ze en kreunde ze op een griezelige,
18 16| regende, huilde ze en kreunde ze op een griezelige, angstaanjagende
19 17| Ze mocht graag als een jong
20 17| zottin, en elke ochtend als ze de zon in haar kamer zag
21 17| kamer zag vallen klapte ze in de handen. Als haar raam
22 17| raam werd geopend, klapte ze in de handen en ging tekeer
23 18| Ze leek trouwens geen enkel
24 19| als zij waren, en ik ging ze bijna alle dagen opzoeken.
25 19| ik kon merken dat Berthe (ze hadden haar Berthe genoemd)
26 20| Ze was toen twaalf. Ze zag
27 20| Ze was toen twaalf. Ze zag eruit als een meisje
28 20| meisje van achttien, en ze was groter dan ik.~ ~
29 23| liet ik haar de vrije keus. Ze at het bord met vla leeg.~
30 24| de begeerte om te eten. Ze herkende de gerechten uitstekend,
31 24| die haar bevielen en pakte ze gretig. Ze begon te huilen
32 24| bevielen en pakte ze gretig. Ze begon te huilen als haar
33 28| leren de slagen te tellen. Ze rende naar de deur telkens
34 28| stukje bij beetje, moet ze zich rekenschap hebben gegeven
35 30| Ze had het begrepen! Of liever:
36 30| het begrepen! Of liever: ze had het door. Het was mij
37 30| kunnen klokkijken, door ze elke dag op hetzelfde ogenblik
38 31| haar uitsluitende aandacht. Ze bracht haar tijd door met
39 31| bracht haar tijd door met ze te bekijken, ze te beluisteren,
40 31| door met ze te bekijken, ze te beluisteren, uren af
41 31| ontregeld, en dat merkte ze. Ze wachtte twintig minuten,
42 31| ontregeld, en dat merkte ze. Ze wachtte twintig minuten,
43 31| cijfer was gepasseerd was ze stomverbaasd niets te horen,
44 31| horen, zo stomverbaasd dat ze ging zitten, ongetwijfeld
45 31| zien van een grote ramp. En ze had gek genoeg het geduld
46 31| wat er dan zou gebeuren. Ze hoorde natuurlijk nog niets,
47 31| een obstakel stuit, greep ze de vuurtang van de open
48 31| zo hard op het klokje dat ze het binnen een seconde aan
49 32| maken tussen mensen zoals ze onderscheid maakte tussen
50 34| Ze was prachtig geworden, echt
51 35| Ze was nu zestien en ik heb
52 38| wij hadden gehoopt... als ze kinderen zou krijgen...
53 52| te zullen voldoen, mits ze hem vervolgens met een toelage
54 56| vond haar dezelfde als die ze altijd was geweest, uitsluitend
55 59| Ze volgde zijn bewegingen,
56 64| Ze zat hem van de ochtend tot
57 64| klok gekluisterd, waarbij ze zich niet eens meer bekommerde
58 67| Ze weigerde naar bed te gaan
59 67| voordat hij was teruggekomen. Ze bleef roerloos op een stoel
60 68| Ze hoorde in de verte de draf
61 68| kamer binnenkwam, richtte ze met een spookachtig gebaar
62 69| Ze kwamen me halen. Krijsend
63 70| morfine-injecties en ik verbood dat ze die man nog terug zou zien,
64 71| En toen werd ze krankzinnig! Ja, mijn beste,
65 71| is krankzinnig geworden. Ze denkt altijd aan hem, ze
66 71| Ze denkt altijd aan hem, ze wacht nog altijd op hem.
67 71| wacht nog altijd op hem. Ze wacht de hele dag en de
68 72| haar mijn horloge gegeven. Ze heeft het aangepakt, heeft
69 72| tijdje bekeken, en toen is ze op zo'n verschrikkelijke
70 73| Ze is nu mager, je zou medelijden
71 73| en flikkerende ogen. En ze loopt onophoudelijk, als
72 81| Royat van de toelage die ze hem hebben toegekend. Hij
|