Par.
1 2 | Ik kwam aan met de ochtendtrein, en
2 15| en stom, stom bij gebrek aan intelligentie. Ik heb alle
3 19| herkennen en de voorkeur gaf aan het een boven het ander.~
4 21| onderscheid in haar geest aan te brengen, haar door verschil
5 27| en iedereen stond op om aan tafel te gaan als het koperen
6 31| Lodewijk XVI-klokje dat aan haar hoofdeind stond raakte
7 31| wachtte twintig minuten, aan de wijzerplaat gekluisterd,
8 31| ze het binnen een seconde aan diggelen had.~
9 40| slim, maar bijna gelijk aan veel onderontwikkelde honden.~
10 50| willekeurig middel zocht om aan geld te komen.~
11 53| kuste haar handen, ging aan haar voeten zitten en bekeek
12 56| om goed te kijken of ik aan haar gezicht kon aflezen
13 64| avond op te wachten, de blik aan de klok gekluisterd, waarbij
14 68| stompzinnige, hij ergerde zich aan haar zoals bruten dat doen.
15 71| geworden. Ze denkt altijd aan hem, ze wacht nog altijd
16 74| plaatsen, en de stoelen aan het parket laten vastmaken
17 77| oude veste. Daarachter, tot aan de einder, strekte zich
18 79| luisterde niet, ik dacht aan die krankzinnige, ik zag
|