Par.
1 1 | Gisteren was het oudjaar.~
2 7 | is mij overkomen! O, dat was een rare nieuwjaarsdag,
3 7 | jaar geleden... want ik was toen dertig en nu ben ik
4 8 | Ik was toen inspecteur bij de Maatschappij
5 8 | Saint-Nazaire aan de grond was gelopen. Het was toen acht
6 8 | de grond was gelopen. Het was toen acht uur in de ochtend.
7 10| puffend, alsof het boos was, voer tussen de beide oude
8 11| Het was zo'n trieste, deprimerende
9 12| onheilspellende plafond van mist, was de taangele, ondiepe en
10 13| Saint-Nazaire, de Marie-Joseph, was op een stormachtige nacht
11 14| reder, dat het onmogelijk was geweest het weer vlot te
12 14| inschatten wat de staat ervan was vóór schipbreuk, en beoordelen
13 14| beoordelen of al het mogelijke was gedaan het weer vlot te
14 16| doordat hij met zijn schuit was opgeroepen om deel te nemen
15 17| dat trouwens heel banaal was. De Marie-Joseph was door
16 17| banaal was. De Marie-Joseph was door een woeste stormvlaag
17 17| woeste stormvlaag gegrepen, was 's nachts uit koers geslagen,
18 17| de kapitein gezegd - en was op die uitgestrekte zandbanken
19 23| Ik was stomverbaasd. Dat zwarte,
20 29| het vasteland liggen. Het was een groot vissersdorp, met
21 31| voet te zweten. Daarnet was het daar nog zee, nu zag
22 31| nog aan mijn voeten, en nu was hij verdwenen in de zandplaat,
23 32| enorme spijkers. Het zand was al door al die reten binnengedrongen,
24 32| geschoten. De voorsteven was diep in dat weke, verraderlijke
25 32| terwijl de achtersteven omhoog was gekomen en als het ware
26 33| vol kapot houtwerk. Er was daarin niets meer te bekennen
27 35| zijn mond opengedaan, dat was het enige teken waaruit
28 41| lijken net teer zeefruit. Het was net alsof ze uit het zand
29 42| ik bij de ramp aanwezig was geweest, verteld worden.
30 48| vreemd aanhoudend geluid. Wat was dat? Ik stond op om door
31 49| meteen op het dek. Maar het was al te laat. Het water omgaf
32 50| hield hem tegen, die vlucht was onmogelijk vanwege de diepe
33 51| Dat was in ons hart een minuut van
34 60| stof heen, en die warmte was mij even verrukkelijk als
35 60| blij te voelen dat ik daar was, blij met de koude en met
36 62| dat weten? Omdat zij er was? Wie, zij? Een onbekend
37 65| en dat ze nog altijd bang was.~
38 69| over mijn gezicht. De wind was opgestoken!~
39 71| Dat was zeker niet goed, het betekende
40 71| zo gekraakt en ontwricht was dat de eerste enigszins
41 74| meteen weer aan te gaan, hij was echt een oog, met een ooglid
42 75| om te kijken hoe laat het was. Dan stopte hij zijn horloge
43 76| Het was middernacht. Ik stak hem
44 78| Het was iets onheilspellends en
45 80| de droom! Een zeemeermin! Was zij inderdaad geen zeemeermin,
46 81| geslingerd, want de Marie-Joseph was op de rechterflank gaan
47 81| gaan liggen. Het meisje was op mij beland, ik had haar
48 81| dat mijn laatste ogenblik was aangebroken, drukte ik een
49 82| ik gewild dat het schip was opengespleten en dat ik
50 82| ik met haar in het water was gevallen.~
51 84| aanvankelijk gemeend dat ze weg was!~
52 85| er werd geantwoord. Het was een boot die ons zocht,
53 88| inderdaad soupeerden wij. Ik was daar niet vrolijk om, ik
54 89| niet veel gescheeld of ik was ze gevolgd.~
55 90| Ik was maf, ik had dat meisje ten
56 90| dagen samen waren geweest, was ik met haar getrouwd! Wat
57 91| een brief uit New York. Ze was getrouwd, en daarvan stelde
|