Par.
1 6 | Daarna legde hij de brief op een hoekje van de schoorsteenmantel
2 8 | tegenwoordig leid. Ik maakte mij op om nieuwjaarsdag in Parijs
3 9 | twee uur voor inscheping op de pont naar Ré, de Jean-Guiton.
4 10| gezworven, scheepte ik mij in op een zwart, dikbuikig stoombootje,
5 13| Saint-Nazaire, de Marie-Joseph, was op een stormachtige nacht op
6 13| op een stormachtige nacht op de zandbanken van het Île
7 17| uit koers geslagen, voer op goed geluk over een zee
8 17| kapitein gezegd - en was op die uitgestrekte zandbanken
9 24| honderd vadem water zijn op het punt dat u me aanwijst?"~
10 27| veertig minuten. Als gij op uw gemak het strand volgt,
11 27| als een duit! Gaat u weer op weg om tien voor vijf, geloof
12 27| stapt ge om halfacht weer op de Jean-Guiton, die u vanavond
13 27| Jean-Guiton, die u vanavond nog op de kade van La Rochelle
14 28| de kapitein en ging voor op de stoomboot zitten, om
15 29| Het leek op alle haventjes die tot hoofdstad
16 29| in het water en een voet op de grond, levend van vis
17 31| naderde en dat momenteel op een enorme aangespoelde
18 32| Het scheen nu uit de grond op te rijzen en nam in die
19 32| bereikte ik het. Het lag op de kant, gescheurd, opengereten,
20 32| met die twee woorden die op de zwarte romp geschilderd
21 33| kant, en toen ik eenmaal op het dek stond drong ik er
22 33| scheepswand, en verlichtte op trieste wijze die als het
23 34| van het vaartuig. Ik ging op een leeg, kapot vat zitten,
24 34| piepkleine zeedieren, die zich al op deze dode vestigden, en
25 35| vlak bij mij. Ik sprong op alsof ik een verschijning
26 35| behulp van mijn knuisten weer op het dek: en ik zag daar
27 35| het dek: en ik zag daar op de voorsteven van het schip
28 35| die vent zo een-twee-drie op dat verlaten fregat hadden
29 43| naast elkaar gaan zitten op een uitstekende balk, en
30 43| en de vier schetsboeken op de acht knieën raakten bedekt
31 45| kussentjes, de meisjes hoog op de benen, kleine waadvogels
32 48| geluid. Wat was dat? Ik stond op om door de spleet te kijken,
33 49| We stonden meteen op het dek. Maar het was al
34 50| vanwege de diepe poelen die we op de heenweg hadden moeten
35 50| omzeilen, en waarin wij op de terugweg zouden wegzinken.~
36 55| niets anders te doen dan op het schip te blijven."~
37 58| koud, en we vatten het idee op om naar beneden te gaan,
38 60| die ik door moest brengen op dat stuk hout, zo dicht
39 62| aanwezigheid van een vrouw ons zo op ons kop zet! Is dat macht
40 63| besproeit om er bloemen op te laten groeien!~
41 64| gedempte geluid van de zee die op kwam zetten, en het eentonig
42 74| ons, brandden vuurtorens op de kust, witte, gele, rode,
43 80| die mij had vastgehouden op dit vermolmde schip en die
44 81| want de Marie-Joseph was op de rechterflank gaan liggen.
45 81| gaan liggen. Het meisje was op mij beland, ik had haar
46 81| drukte ik een dikke zoen op haar wang, haar slapen en
47 91| en daarvan stelde ze mij op de hoogte. En sinds die
|