Par.
1 20| mij in volle zee een bijna niet waar te nemen voorwerp,
2 27| hebt om erop te blijven, niet meer zunne, dan zit ge vast.
3 29| dicht bevolkt, maar ik ging niet naar het binnenland.~
4 31| kon reiken vandoor, ik zag niet eens meer de vloedlijn die
5 31| Ik liep snel, ik had het niet koud meer, ik keek naar
6 32| bezat het, het wilde ook niet meer loslaten. Het leek
7 35| vertellen. Natuurlijk duurde het niet lang of ik stond met behulp
8 49| kust. Nee, het stroomde niet, het gleed, het kroop, het
9 49| het zand, maar je zag al niet meer de wegtrekkende vloedlijn
10 57| halfuur, ik weet eigenlijk niet meer hoelang, om ons heen
11 60| een omhelzing. We spraken niet, we bleven roerloos zwijgend
12 62| meisje? Ik beminde haar niet, ik kende haar niet, en
13 62| haar niet, ik kende haar niet, en ik voelde me vertederd,
14 63| Is het niet eerder een soort beroering
15 65| spreken in hun taal, die ik niet versta. Ik begreep dat hij
16 66| mijn buurvrouw: "Hebt u het niet te koud, miss?"~
17 71| Dat was zeker niet goed, het betekende een
18 81| haar haar. De boot bewoog niet meer en ook wij bewogen
19 81| meer en ook wij bewogen niet meer.~
20 84| Doordat hij de oudste niet had gezien, had hij aanvankelijk
21 88| soupeerden wij. Ik was daar niet vrolijk om, ik miste de
22 89| vertrokken naar Biarritz. Het had niet veel gescheeld of ik was
23 91| vast oud... ik zou haar niet terug kennen... Ach, die
24 91| Nee, de mijne is er niet meer... Wat is dat triest...
|