Par.
1 18| in de verte kon werpen. Wij volgden een kust. Ik vroeg: "
2 28| Saint-Martin te bekijken, dat wij nu snel naderden.~
3 38| Mogen wij bezoeken 't?"~
4 41| kwam boven, en toen hielpen wij de drie meisjes, die waren
5 50| moeten omzeilen, en waarin wij op de terugweg zouden wegzinken.~
6 51| Engelse glimlachend: "Nu zijn wij de schipbreukelingen!"~
7 52| water. Alle gevaren die wij liepen kwamen mij tegelijk
8 59| Het schip stond vol water. Wij moesten wegkruipen tegen
9 64| van het uitspansel, want wij hoorden om ons heen vaag
10 74| zochten, gretig wachtten tot wij verdwenen zouden zijn. Vooral
11 81| Maar plotseling werden wij alle vijf over het dek geslingerd,
12 81| bewoog niet meer en ook wij bewogen niet meer.~
13 86| Wij waren gered. Wat speet dat
14 86| gered. Wat speet dat mij! Wij werden van ons vlot gehaald
15 88| En inderdaad soupeerden wij. Ik was daar niet vrolijk
16 89| De volgende dag moesten wij afscheid nemen, na veel
17 90| Natuurlijk, zeker, als wij nog acht dagen samen waren
18 91| sinds die tijd schrijven wij elk jaar, met nieuwjaar.
|