Gisteren was het
oudjaar.
Ik
had net gegeten bij mij oude vriend Georges Garin. De huisknecht bracht hem een
brief vol stempels en vreemde zegels.
Georges zei tegen me: "Je staat me toe?"
"Natuurlijk."
En
hij begon acht bladzijden te lezen in een groot Engels
handschrift, dat kriskras de vlakken vulde. Hij las ze langzaam, met
aandachtige ernst, met de aandacht die je aan dingen
wijdt die je na aan het hart liggen.
Daarna
legde hij de brief op een hoekje van de schoorsteenmantel en sprak:
Tja,
dat is een grappig verhaal dat ik je nooit heb verteld, maar toch ook een
sentimenteel verhaal, en het is mij overkomen! O, dat was een rare
nieuwjaarsdag, dat jaar. Dat is twintig jaar geleden... want ik was toen dertig
en nu ben ik vijftig!
Ik
was toen inspecteur bij de Maatschappij voor Maritieme Verzekeringen die ik
tegenwoordig leid. Ik maakte mij op om nieuwjaarsdag
in Parijs te gaan vieren, want je hoort nu eenmaal van die dag een feestdag te
maken, toen ik een briefje van de directeur ontving, die mij opdracht gaf
onmiddellijk naar het Île de Ré te gaan, waar een door ons verzekerd fregat uit
Saint-Nazaire
aan de grond was gelopen. Het was toen acht uur in de ochtend. Ik ging om tien
uur naar kantoor om instructies te ontvangen, en nog dezelfde avond nam ik de
expres, die mij de volgende dag, 31 december, in La Rochelle afzette.
Ik
had twee uur voor inscheping op de pont naar Ré, de Jean-Guiton. Ik
maakte een wandeling door de stad. Het is echt een vreemde en heel
karakterrijke stad, La Rochelle, met die verstrengelde straatjes, net een
doolhof, waarvan de trottoirs onder eindeloze gaanderijen lopen, zuilengangen
zoals die in de Rue de Rivoli, maar dan laag, van die gekrompen, geheimzinnige
gaanderijen en bogengangen, die als een duurzaam decor voor samenzweerders
lijken te zijn gebouwd, het antieke en aangrijpende decor van vroegere
oorlogen, heldhaftige en woeste godsdienstoorlogen. Het is de oude
hugenotenstad, ernstig, kies, zonder die bewonderenswaardige monumenten die
Rouaan zo schitterend maken, maar opmerkelijk door haar streng, ook wat
achterbaks uiterlijk, een stad van dwarse schippers, waar fanatisme kan
ontluiken, de stad waar het geloof van de calvinisten tot bloei kwam, en waar
het complot van de vier sergeants werd gesmeed1.
Toen
ik een poosje door die opmerkelijke straten had gezworven, scheepte ik mij in
op een zwart, dikbuikig stoombootje, dat mij naar het Île de Ré moest brengen.
Het vertrok puffend, alsof het boos was, voer tussen de beide oude torens door
die over de haven waken2, stak de rede over, liet de
door Richelieu aangelegde dijk achter zich, waarvan je aan het wateroppervlak
de enorme stenen ziet, die de stad omgeeft als een enorme ketting, en toen boog
het rechts af.
Het
was zo'n trieste, deprimerende dag, die je gedachten tegenwerkt, je hart
bedrukt, die alle kracht en alle energie in je dooft, een grijze, ijskoude dag,
vervuild door dichte mist, vochtig als regen, koud als ijzel, smerig om in te
ademen, als uitwaseming van een riool.
Onder
dat lage en onheilspellende plafond van mist, was de taangele, ondiepe en
zanderige zee van die eindeloze kusten roerloos, zonder beweging, zonder leven,
een zee vol troebel water, vet water, stilstaand water. De Jean-Guiton
voer eroverheen en slingerde een beetje naar gewoonte, doorsneed die half
doorzichtige, gladde vlakte, en liet achter zich wat golfjes, wat gekabbel, wat
deining die al snel weer wegebde.
Ik
begon te kletsen met de kapitein, een bijna beenloos mannetje, helemaal rond,
net als zijn schuit en in hetzelfde evenwicht. Ik wilde wat details over het
schadegeval dat ik moest gaan opnemen. Een groot volschip uit Saint-Nazaire, de Marie-Joseph, was op
een stormachtige nacht op de zandbanken van het Île de Ré gestrand.
De
storm had het schip zo ver geworpen, schreef de reder, dat het onmogelijk was
geweest het weer vlot te trekken en dat ze zo snel mogelijk alles wat
losgemaakt kan
worden eruit hadden moeten halen. Ik moest dus de toestand van het wrak
vaststellen, inschatten wat de staat ervan was vóór schipbreuk, en beoordelen
of al het mogelijke was gedaan het weer vlot te trekken. Ik kwam als agent van
de maatschappij, om vervolgens als dat nodig mocht zijn bij het proces een
contra-expertise te kunnen voorleggen.
Na
ontvangst van mijn rapport moest de directeur de maatregelen nemen die hij
noodzakelijk zou achten om onze belangen te behartigen.
De
kapitein van de Jean-Guiton kende het geval goed, doordat hij met zijn
schuit was opgeroepen om deel te nemen aan de reddingspogingen.
Hij
verklaarde mij het ongeval, dat trouwens heel banaal was. De Marie-Joseph
was door een woeste stormvlaag gegrepen, was 's nachts uit koers geslagen, voer
op goed geluk over een zee van schuim - "een kokende zee", had de
kapitein gezegd - en was op die uitgestrekte zandbanken gelopen die de kust van
deze streek veranderen in een grenzeloze Sahara, dat is te zeggen, bij eb.
Al
kletsend keek ik om mij heen en voor mij uit. Tussen de oceaan en de zware
hemel bleef nog een ruimte vrij waar je een blik in de verte kon werpen. Wij
volgden een kust. Ik vroeg: "Is dat het Île de Ré?"
"Jawel
meneer."
En
plotseling stak de kapitein zijn rechterhand uit, wees voor ons en toonde mij
in volle zee een bijna niet waar te nemen voorwerp, om daarop te zeggen:
"Kijk, daar ligt uw schip!"
"De
Marie-Joseph?"
"Ja
vanzelf."
Ik
was stomverbaasd. Dat zwarte, bijna onzichtbare puntje, dat ik aangezien had
voor een rots, leek mij minstens drie kilometer voor de kust te liggen.
Ik
hernam: "Maar kapitein, er moeten honderd vadem water zijn op het punt dat
u me aanwijst?"
Hij
begon te lachen.
"Honderd
vadem, beste vrind!... Nog geen twee, dat zeg ik u!..."
Hij
kwam uit Bordeaux.
Hij vervolgde: "Het is nu vloed, negen uur en veertig minuten. Als gij op
uw gemak het strand volgt, na in hotel Dauphin te hebben gegeten, dan beloof ik
u dat ge om tien voor drie of om drie uur uiterlijk bij het wrak zijt, met
droge voeten, beste vriend, en dat ge dan een uur en drie kwartier tot twee uur
hebt om erop te blijven, niet meer zunne, dan zit ge vast. Hoe verder de zee
zich terugtrekt, des te rapper ze ook weeromkomt. Deze kust is zo plat als een
duit! Gaat u weer op weg om tien voor vijf, geloof mij, dan stapt ge om
halfacht weer op de Jean-Guiton, die u vanavond nog op de kade van La Rochelle zet."
Ik
bedankte de kapitein en ging voor op de stoomboot zitten, om naar het stadje Saint-Martin
te bekijken, dat wij nu snel naderden.
Het
leek op alle haventjes die tot hoofdstad dienen van al die schrale eilandjes
die langs het vasteland liggen. Het was een groot vissersdorp, met een voet in
het water en een voet op de grond, levend van vis en gevogelte, van groente en
schaaldieren, van radijs en van mosselen. Het eiland is heel laag, weinig in
cultuur, en lijkt toch dicht bevolkt, maar ik ging niet naar het binnenland.
Na
te hebben gegeten beklom ik een klein voorgebergte, en omdat de zee nu snel
terugtrok, ging ik over het zand naar een soort zwarte rots die ik daarginder,
ver weg, ver weg boven het water uit zag steken.
Ik
liep snel over die gele vlakte, veerkrachtig als vlees, die leek onder mijn
voet te zweten. Daarnet was het daar nog zee, nu zag je haar in de verte, zij
ging er zover het oog kon reiken vandoor, ik zag niet eens meer de vloedlijn
die zand van oceaan scheidde. Ik meende getuige te zijn van een reusachtige en
bovennatuurlijke betovering. De oceaan lag daarnet nog aan mijn voeten, en nu
was hij verdwenen in de zandplaat, zoals decors dat doen in luiken, en ik liep
nu midden in de woestenij. Alleen het gevoel, de lucht van zout water bleven
mij nog. Ik rook de geur van het wier, de geur van de baren, de ruige en
lekkere geur van de kust. Ik liep snel, ik had het niet koud meer, ik keek naar
het gestrande wrak, dat groeide naarmate ik naderde en dat momenteel op een
enorme aangespoelde walvis leek.
Het
scheen nu uit de grond op te rijzen en nam in die onafzienbare, vlakke en gele
uitgestrektheid verrassende proporties aan. Eindelijk, na een uur lopen
bereikte ik het. Het lag op de kant, gescheurd, opengereten, en liet als de
ribben van een dier zijn gebroken botten zien, zijn botten van geteerd hout,
doorboord met enorme spijkers. Het zand was al door al die reten
binnengedrongen, het hield het wrak vast, het bezat het, het wilde ook niet
meer loslaten. Het leek er wortel in te hebben geschoten. De voorsteven was
diep in dat weke, verraderlijke strand gedrongen, terwijl de achtersteven
omhoog was gekomen en als het ware een wanhoopskreet tot de hemel leek te
richten, met die twee woorden die op de zwarte romp geschilderd stonden: Marie-Joseph.
Ik
beklom het kadaver van dat schip vanaf de laagste kant, en toen ik eenmaal op
het dek stond drong ik er ook in door. Het daglicht kwam door de kapotte luiken
en door de scheuren in de scheepswand, en verlichtte op trieste wijze die als het ware lange, sombere
kelders, vol kapot houtwerk. Er was daarin niets meer te bekennen dan zand, dat
tot vloer diende aan deze planken kelder.
Ik
begon aantekeningen te maken over de staat van het vaartuig. Ik ging op een leeg,
kapot vat zitten, en ik schreef in het licht van een grote scheur waardoorheen
ik de eindeloze uitgestrektheid van het wad kon waarnemen. Een vreemde rilling
van koude en eenzaamheid streek af en toe over mijn huid, en soms moest ik even
ophouden met schrijven om naar het vage en raadselachtige geluid van het wrak
te luisteren: het geluid van krabben die de romp met hun kromme klauwen zaten
te bekrabben, het geluid van duizend piepkleine zeedieren, die zich al op deze
dode vestigden, en ook het zachte en regelmatige geluid van de paalworm die
maar dooreet, met zijn borende geknars, aan alle oude balken, die hij uitholt
en verorbert.
En
plotseling hoorde ik mensenstemmen vlak bij mij. Ik sprong op alsof ik een
verschijning zag. Ik geloofde echt heel even dat ik uit dat onheilspellende
ruim twee drenkelingen zou zien komen die mij hun dood zouden gaan vertellen.
Natuurlijk duurde het niet lang of ik stond met behulp van mijn knuisten weer
op het dek: en ik zag daar op de voorsteven van het schip een grote heer met
drie meisjes staan, of liever gezegd een grote Engelsman met drie misses.
Ze waren duidelijk banger dan ik, toen ze die vent zo een-twee-drie op dat
verlaten fregat hadden zien opduiken. De jongste van de meisjes ging ervandoor,
de beide anderen grepen hun vader vast, hij had zijn mond opengedaan, dat was
het enige teken waaruit zijn beroering bleek.
Ne
enkele seconden nam hij het woord en sprak: "O meneer, ben jij de eigener
van dit schip?"
"Ja
meneer."
"Mogen
wij bezoeken 't?"
"Ja
meneer."
Hij
sprak daarop een lange Engelse zin uit waarvan ik alleen het woord gracious
verstond, dat een paar keer terugkeerde.
Aangezien
hij een plek zocht om naar boven te komen, toonde ik hem de beste mogelijkheid
en stak hem de hand toe. Hij kwam boven, en toen hielpen wij de drie meisjes,
die waren gerustgesteld. Ze waren betoverend, vooral de oudste, een blondine
van achttien, fris als een bloem, en zo fijn gebouwd, zo schattig! Echt waar,
knappe Engelse vrouwen lijken net teer zeefruit. Het was net alsof ze uit het
zand kwam, en dat haar haren er nog de kleur van hadden behouden. Ze doen met
hun zalige frisheid denken aan die tedere kleuren van roze schelpen en
iriserende parels, zeldzaam, raadselachtig, ontsproten aan onbekende diepten
van de oceaan.
Ze
sprak een beetje beter Frans dan haar vader, en diende tot tolk. De schipbreuk
moest tot in de kleinste details, die ik bedacht alsof ik bij de ramp aanwezig
was geweest, verteld worden. Daarop daalde de hele familie af in het binnenste
van het wrak. Zodra ze in die sombere, amper verlichte gaanderijen waren,
slaakten ze kreten van verbazing en van bewondering, en opeens hadden vader en
zijn drie meisjes schetsboeken in de hand, die ze ongetwijfeld verborgen hadden
gehouden onder hun wijde regenkleding, waarop ze tegelijkertijd begonnen aan
vier potloodschetsen van dat trieste
en vreemde oord.
Ze
waren naast elkaar gaan zitten op een uitstekende balk, en de vier schetsboeken
op de acht knieën raakten bedekt met zwarte lijntjes die de opengereten buik
van de Marie-Joseph moesten voorstellen.
Al
werkend kletste de oudste dochter met mij, en ik bleef het skelet van het schip
inspecteren.
Ik
hoorde dat zij de winter in Biarritz
doorbrachten en dat ze expres naar het Île de Ré waren gekomen om naar dat
gestrande fregat te gaan kijken. Ze hadden niets van de Engelse verwaandheid,
die lui, het waren eenvoudige en brave, prettig gestoorden, van die eeuwig
zoekenden met wie Engeland de wereld overspoelt. De lange, magere vader, het
rode gezicht in witte bakkebaarden gevat, een echte levende sandwich, een plak
ham in de vorm van een mensenhoofd tussen twee haren kussentjes, de meisjes
hoog op de benen, kleine waadvogels in de groei, ook mager, behalve de oudste,
en alle drie aardig, maar vooral de grootste.
Ze
had zo'n grappige manier van spreken, van vertellen, van lachen, van begrijpen
en van niet-begrijpen, van de ogen opslaan om mij te ondervragen, van die ogen,
blauw als diep water, van haar tekening te onderbreken om te gissen, om weer
aan het werk te slaan en yes of no te zeggen, dat ik eindeloos
naar haar had kunnen blijven luisteren en kijken.
Plotseling
mompelde zij: "Ik voel een kleine beweging in deze boot."
Ik
spitste mijn oren, en meteen hoorde ik een licht, vreemd aanhoudend geluid. Wat
was dat? Ik stond op om door de spleet te kijken, en ik slaakte een hevige
kreet. De zee had ons bereikt, en zij ging ons omsluiten!
We
stonden meteen op het dek. Maar het was al te laat. Het water omgaf ons en stroomde
met wonderlijke snelheid naar de kust. Nee, het stroomde niet, het gleed, het
kroop, het spreidde zich uit als een monsterlijke vlek. Amper enkele
centimeters waters bedekten het zand, maar je zag al niet meer de wegtrekkende
vloedlijn van het onmerkbare water.
De
Engelsman wilde zich erin werpen maar ik hield
hem tegen, die vlucht was onmogelijk vanwege de diepe poelen die we op de
heenweg hadden moeten omzeilen, en waarin wij op de terugweg zouden wegzinken.
Dat
was in ons hart een minuut van verschrikkelijke beklemming. Toen zei de kleine
Engelse glimlachend: "Nu zijn wij de schipbreukelingen!"
Ik
wilde lachen, maar vrees snoerde me de keel, een laffe, vreselijke, smerige
vrees, verraderlijk als dat water. Alle gevaren die wij liepen kwamen mij
tegelijk voor de geest. Ik had zin "help!" te gaan roepen. Maar naar
wie?
De
beide kleine Engelsen waren tegen hun vader aan gekropen en die bezag met
bezorgde blik de onmetelijke zee om ons heen.
De
nacht viel, even snel als de oceaan kwam opzetten, een bedrukkende, vochtige,
ijskoude nacht.
Ik
zei: "Er zit niets anders te doen dan op het schip te blijven."
De
Engelsman antwoordde: "O yes!"
En
we bleven zo een kwartier of een halfuur, ik weet eigenlijk niet meer hoelang,
om ons heen staan kijken, naar dat gele water dat almaar modderiger werd,
draaide, leek te koken, leek te spelen met dat enorme heroverde wad.
Een
van de meisjes kreeg het koud, en we vatten het idee op om naar beneden te
gaan, om te schuilen tegen de bries, tegen de lichte maar ijskoude bries die
ons beroerde en in de huid stak.
Ik
boog mij over het luik. Het schip stond vol water. Wij moesten wegkruipen tegen
de romp aan de achterplecht, die ons een beetje beschutting bood.
Het
duister omgaf ons nu helemaal, en we bleven tegen elkaar aan gedrukt zitten, omgeven
door duisternis en water. Ik voelde tegen mijn schouder de schouder van het
Engelse meisje beven, wier tanden af en toe klapperden, maar ik voelde ook de
zachte warmte van haar lichaam door de stof heen, en die warmte was mij even
verrukkelijk als een omhelzing. We spraken niet, we bleven roerloos zwijgend
zitten, weggedoken als dieren in een greppel, als het stormt. En toch, ondanks
alles, ondanks de nacht, ondanks het vreselijke en groeiende gevaar, begon ik
mij blij te voelen dat ik daar was, blij met de koude en met het gevaar, blij
met die lange uren duisternis en benauwdheid die ik door moest brengen op dat
stuk hout, zo dicht bij dat mooie en schattige meisje.
Ik
vroeg mij af waarom dat vreemde gevoel van welzijn en vreugde mij doortrok.
Waarom?
Kun je dat weten? Omdat zij er was? Wie, zij? Een onbekend Engels meisje? Ik
beminde haar niet, ik kende haar niet, en ik voelde me vertederd, veroverd! Ik had
haar willen redden, ik had mij voor haar willen opofferen, ik had duizend
doldrieste dingen willen uithalen. Wat gek! Hoe komt het toch dat de
aanwezigheid van een vrouw ons zo op ons kop zet! Is dat macht van haar
bevalligheid, die ons boeit? De verleiding van de schoonheid en de jeugd die
ons bedwelmt, zoals wijn dat zou doen?
Is
het niet eerder een soort beroering van de liefde, de raadselachtige liefde die
onophoudelijk alle mensen poogt tot elkaar te brengen, die haar macht uitprobeert
zodra man en vrouw oog in oog komen te staan, die ze overspoelt met ontroering,
met verwarde, heimelijke, diepe ontroering, zoals je grond besproeit om er
bloemen op te laten groeien!
Maar
de stilte van het duister werd angstaanjagend, de stilte van het uitspansel,
want wij hoorden om ons heen vaag een licht, aanhoudend schuren, het gedempte
geluid van de zee die op kwam zetten, en het eentonig kabbelen van de stroming
tegen de boot.
Plotseling
hoorde ik snikken. De kleinste van de meisjes huilde. Toen wilde haar vader
haar troosten, en begonnen zij te spreken in hun taal, die ik niet versta. Ik
begreep dat hij haar geruststelde en dat ze nog altijd bang was.
Ik
vroeg aan mijn buurvrouw: "Hebt u het niet te koud, miss?"
"O
ja. Ik heb het heel
koud."
Ik
wilde haar mijn jas geven, maar die weigerde ze. Ik had haar echter al
uitgetrokken, dus ik gooide haar toch over haar heen. In de korte strijd trof
ik haar hand, die mij een betoverende rilling over het hele lijf zond.
Sinds
enkele minuten werd de lucht koeler, het kabbelen van het water tegen de romp
van het schip duidelijker. Ik kwam overeind, een windvlaag streek over mijn
gezicht. De wind was opgestoken!
De
Engelsman merkte het tegelijk met mij, en hij zei alleen maar: "Dat is not
good voor ons, die..."
Dat
was zeker niet goed, het betekende een wisse dood als golven, zelfs zwakke, het
wrak te lijf zouden gaan en beet zouden pakken, omdat het toch al zo gekraakt
en ontwricht was dat de eerste enigszins hoge golf het in zou laten storten.
Dus
groeide onze beklemming van seconde tot seconde, bij steeds krachtiger
windstoten. Nu brak de zee een beetje en ik zag in de duisternis witte strepen
verschijnen en verdwijnen, strepen schuim, terwijl elke golf het karkas van de Marie-Joseph
raakte, en het schudde met een korte rilling die ons tot het hart doordrong.
Het
meisje rilde, ik voelde haar trillen tegen mij aan, en ik kreeg een waanzinnige
behoefte haar in mijn armen te sluiten.
Ginder,
voor ons uit, links, rechts, achter ons, brandden vuurtorens op de kust, witte,
gele, rode, draaiende bakens, of enorme ogen, reuzenogen die ons bekeken, ons
zochten, gretig wachtten tot wij verdwenen zouden zijn. Vooral een ervan
ergerde mij. Hij doofde elke dertig seconden om meteen weer aan te gaan, hij
was echt een oog, met een ooglid dat onophoudelijk gesloten werd over zijn
vurige blik.
Af
en toe stak de Engelsman een lucifer aan om te kijken hoe laat het was. Dan
stopte hij zijn horloge weer in zijn zak. Plotseling sprak hij over de hoofden
van zijn dochters heen in volslagen ernst tot mij: "Meneer, ik wens jou
een gelukkig nieuwjaar."
Het
was middernacht. Ik stak hem mijn hand toe, die hij schudde, daarop sprak hij
een zin in het Engels, en plotseling begonnen zijn dochters en hij het "God
Save the Queen" te zingen, dat opsteeg in de donkere, zwijgende nacht en
vervloog in de ruimte.
Eerst
kreeg ik zin om te lachen, toen werd ik door een krachtige en vreemde
ontroering getroffen.
Het
was iets onheilspellends en prachtigs, dat lied van drenkelingen, van
veroordeelden, iets als een gebed, en ook iets hogers, iets te vergelijken met
het fantastische Ave Caesar, morituri te salutant uit de Oudheid3.
Toen
ze klaar waren vroeg ik mijn buurvrouw mij een ballade, een legende, wat ze
maar wilde, voor te zingen, om ons onze beklemming te doen vergeten. Ze stemde erin toe en meteen verhief haar heldere, jonge stem zich
in de nacht. Ze zong ongetwijfeld iets verdrietigs, want de noten sleepten zich
voort, kwamen traag uit haar mond en fladderden als gewonde vogels over de
baren rond.
De
zee zwol aan, sloeg nu tegen het wrak. En ik, ik dacht alleen nog maar aan die
stem. En ik dacht ook aan zeemeerminnen. Als een schip nu vlakbij voorbij zou
varen, wat zouden de matrozen dan denken? Mijn gepijnigde geest verloor zich in
de droom! Een zeemeermin! Was zij inderdaad geen zeemeermin, die dochter van de
zee, die mij had vastgehouden op dit vermolmde schip en die zo meteen met mij
in de golven zou ondergaan?
Maar
plotseling werden wij alle vijf over het dek geslingerd, want de Marie-Joseph
was op de rechterflank gaan liggen. Het meisje was op mij beland, ik had haar
in mijn armen opgevangen, en als een razende, zonder te weten of te begrijpen
wat ik deed, in de overtuiging dat mijn laatste ogenblik was aangebroken,
drukte ik een dikke zoen op haar wang, haar slapen en haar haar. De boot bewoog
niet meer en ook wij bewogen niet meer.
De
vader riep: "Kate!" Die
ik vast had antwoordde yes, en maakte een beweging om los te komen. Echt waar,
dat ogenblik had ik gewild dat het schip was opengespleten en dat ik met haar
in het water was gevallen.
De
Engelsman vervolgde: "Een beetje schommelen, het is niets. Ik heb mij drie
dochters nog veilig."
Doordat
hij de oudste niet had gezien, had hij aanvankelijk gemeend dat ze weg was!
Ik
kwam langzaam overeind en plotseling zag ik een licht boven zee, vlak bij ons.
Ik riep, er werd geantwoord. Het was een boot die ons zocht, doordat de
hotelbaas onze onvoorzichtigheid had voorzien.
Wij
waren gered. Wat speet dat mij! Wij werden van ons vlot gehaald en naar
Saint-Martin gebracht.
De
Engelsman wreef zich nu in de handen en mompelde: "Een goed souper! Een
goed souper!"
En
inderdaad soupeerden wij. Ik was daar niet vrolijk om, ik miste de Marie-Joseph.
De
volgende dag moesten wij afscheid nemen, na veel omhelzingen en beloften om te
schrijven. Zij vertrokken naar Biarritz. Het had niet veel gescheeld of ik was
ze gevolgd.
Ik
was maf, ik had dat meisje ten huwelijk willen vragen. Natuurlijk, zeker, als
wij nog acht dagen samen waren geweest, was ik met haar getrouwd! Wat is de
mens soms zwak en onvoorspelbaar!
Twee
jaar verstreken zonder dat ik iets van hen vernam, en toen kreeg ik een brief
uit New York.
Ze was getrouwd, en daarvan stelde ze mij op de hoogte. En sinds die tijd
schrijven wij elk jaar, met nieuwjaar. Zij vertelt me haar leven, heeft het
over haar kinderen, haar zusjes, maar nooit over haar man! Waarom? Ach
waarom?... Ik, ik heb het slechts over de Marie-Joseph... het is
misschien de enige vrouw die ik ooit heb bemind... nee... die ik zou hebben
bemind... Ach... tja... wie weet?... Gebeurtenissen nemen een loopje met je...
En dan... en dan... alles gaat voorbij. Ze is nu vast oud... ik zou haar niet
terug kennen... Ach, die van vroeger... die van het wrak... wat een schepsel...
goddelijk! Ze schrijft me dat haar haren helemaal grijs zijn... Mijn God!...
dat gaat me toch zo aan het hart... Ach, haar blonde haren!... Nee, de mijne is
er niet meer... Wat is dat triest... dat allemaal...!
|