Part
1 I | keuken aten vader Hautot, zoon Hautot, de belastingontvanger
2 I | invloed en gezag, had hij zijn zoon, Cesar Hautot, tot de derde
3 I | gezet, uit angst dat zijn zoon een heer zou worden zonder
4 I | was een goede, volgzame zoon, overal blij mee, vol bewondering,
5 I | Hautot aan de rechterkant, zoon Hautot aan de linkerkant,
6 I | hoofd en wendde zich tot zoon Hautot die op een stoel
7 I | plotseling: 'Ik wil met mijn zoon praten als ik nog tijd heb.'~
8 I | praten als ik nog tijd heb.'~Zoon Hautot snotterde in weerwil
9 I | vertrek uit en lieten de zoon alleen met de vader.~Zodra
10 I | ze alleen waren: 'Luister zoon, je bent vierentwintig,
11 I | getrouwd. Dat klopt toch?' ~De zoon stamelde: 'Ja, dat klopt.'~'
12 I | weduwnaar blijven, of wel?' ~De zoon antwoordde: 'Nee, dat klopt.'~
13 I | heb. Begrijp je het, mijn zoon?' ~'Ja vader.'~'Luister
14 I | omdat ik jou goed ken, mijn zoon. Die dingen vertel je niet
15 I | je dringend, ik smeek je, zoon, vergeet het niet. Ik sta
16 I | vader.'~'Dat is goed, mijn zoon. Omhels me. Vaarwel. Ik
17 I | ze binnen kunnen komen.' ~Zoon Hautot omhelsde zijn vader
18 I | al had gebiecht bij zijn zoon, die bovendien familie was? ~
19 II | het denkbeeld dat hij als zoon tegenover die vrouw zou
20 II | afgelopen was herhaalde zoon Hautot: 'Wij zullen nu een
21 II | natuurlijk,' zei zij.~En zoon Hautot bekeek zijn broer
22 III| mannetje van vijf, die de zoon van zijn vader was, hem
|