Part
1 I | de appelaars op de hof, bij het zien van de weitassen,
2 I | aangeschaft. ~'Wel, ginder, bij de lage gronden. Dan jagen
3 I | knokige boom van een vent, bij wie alle gewrichten uitstaken,
4 I | vierentwintig, ik hoef er bij jou geen doekjes meer om
5 I | vrekkig, kortom. Ik dacht bij mezelf dat ik jou tegen
6 I | ze niet thuis. Ze werkt bij mevrouw Moreau, Rue Beauvoisine.
7 I | aan te geven dat hij nog bij zinnen was. ~Hij had genoeg
8 I | zou hij moeten biechten bij de afgevaardigde van God,
9 I | omdat hij al had gebiecht bij zijn zoon, die bovendien
10 II | sloeg, hield als altijd halt bij het H(tm)tel des Bons-Enfants
11 II | Rue de l'Eperlan, zonder bij wie dan ook navraag te durven
12 II | getroffen, verward, vernederd bij het denkbeeld dat hij als
13 II | papa is zondag gestorven, bij de opening van de jacht.'~
14 II | schenen te schoppen. ~Toen hij bij het ogenblik kwam waarop
15 II | alles, uitgebreid, bleef bij zaken stilstaan, laste pauzes
16 II | zichzelf een andere stoel bij de zijne, voor het fornuis
17 II | talrijk, kwam hij weer terug bij het ongeluk, dat hij met
18 II | gewend voor alles te zorgen, bij de jonge vrouw.~'U hebt
19 III| tijd had verlaten, kwam hij bij het eten altijd weer terug.
20 III| zelfs een zeker genoegen bij de gedachte dat hij haar
21 III| worden. Cesar hield voet bij stuk, en voegde zelfs een
22 III| Ja... ik heb mijn pijp bij me.'~Hij tastte in zijn
|