Part
1 I | I~Voor de deur van het huis, half
2 I | bewondering, eerbied en ontzag voor de wil en de mening van
3 I | dode patrijs te pakken, die voor hem lag, had hij het wapen
4 I | vrouwtje dat heel aardig voor mij is geweest, liefhebbend,
5 I | dat is veel te lastig voor de wettige erfgenamen...
6 I | meer ben - en zorg er dan voor dat zij zich over mijn nagedachtenis
7 I | want familie, dat is allen voor ŽŽn. Dat begrijp je?' ~'
8 I | zelf heen. Ik wil dat je voor alles zorgt.'~'Ja vader.'~'
9 II | hij opdracht Graindorge voor de tilbury te spannen en
10 II | zitten spelen, op de grond voor een fornuis waarvan een
11 II | drie couverts, waarvan ŽŽn voor het kind. Hij zag de stoel
12 II | goed... dan is dat niet voor mij... nee, nee, nee, ik
13 II | zweer het u. Dan is het voor de kleine. Dat goed moet
14 II | te gehoorzamen.~Zij trok voor zichzelf een andere stoel
15 II | andere stoel bij de zijne, voor het fornuis waarop nog steeds
16 II | instinct van huisvrouw, gewend voor alles te zorgen, bij de
17 III| toewijding de gunsten die hij voor haar in petto had wilde
18 III| cadeau van duizend frank voor haar toe, voor haar rouw. ~
19 III| duizend frank voor haar toe, voor haar rouw. ~Toen hij zijn
20 III| verkondigde met ontroerde stem wat voor kwaliteit het was, vulde
21 III| kunnen aantreffen.'~Ze bleef voor hem staan, blozend, zeer
|