Table of Contents | Words: Alphabetical - Frequency - Inverse - Length - Statistics | Help | IntraText Library
Alphabetical    [«  »]
hield 5
hier 2
hierover 1
hij 139
hinderde 1
hinderden 1
hing 2
Frequency    [«  »]
-----
-----
190 de
139 hij
132 en
116 het
97 een
Guy de Maupassant
Vader en zoon Hautot

IntraText - Concordances

hij

    Part
1 I | Hautot, trots op alles wat hij bezat, sneed op voorhand 2 I | gronden zouden aantreffen. Hij was een grote Normandi'r, 3 I | van invloed en gezag, had hij zijn zoon, Cesar Hautot, 4 I | hem iets te leren, en had hij daar een streep onder die 5 I | stond op. Allen deden als hij, pakten hun geweren uit 6 I | deugniet,' riep Bermont, 'hij heeft er vast een haas opgejaagd.'~ 7 I | op zoek naar gaten waar hij zijn voet kon zetten, met 8 I | omzichtigheid van een vos. Toen riep hij meteen: 'O, kom gauw! Kom 9 I | op het gras liepen. Toen hij zijn geweer had losgelaten 10 I | pakken, die voor hem lag, had hij het wapen laten vallen, 11 I | darmen had stukgeschoten. Hij werd uit de geul getrokken, 12 I | dokter binnenkwam, schudde hij ernstig met zijn hoofd en 13 I | huilen. 'Arme jongen,' zei hij, 'het ziet er niet zo best 14 I | begrijpen, en daarop mompelde hij: 'Godverdikkeme, ik ga d' 15 I | vertrokken gezicht vervolgde hij: 'God, wat doet dat zeer! 16 I | nog altijd volgzaam, deed hij de deur open, en de priester 17 I | een teken aan te geven dat hij nog bij zinnen was. ~Hij 18 I | hij nog bij zinnen was. ~Hij had genoeg gesproken, die 19 I | genoeg gesproken, die man, hij kon niet meer. Bovendien 20 I | niet meer. Bovendien had hij momenteel vrede in zijn 21 I | momenteel vrede in zijn hart, hij wilde ook in vrede sterven. 22 I | vrede sterven. Waarom zou hij moeten biechten bij de afgevaardigde 23 I | afgevaardigde van God, omdat hij al had gebiecht bij zijn 24 I | bovendien familie was? ~Hij werd bediend, gezuiverd, 25 I | zijn gezicht verried dat hij nog leefde. ~Hij stierf 26 I | verried dat hij nog leefde. ~Hij stierf tegen middernacht, 27 II | II~Dinsdag werd hij begraven, de jacht was zondag 28 II | dag. De nacht daarop sliep hij amper en hij voelde zich 29 II | daarop sliep hij amper en hij voelde zich zo verdrietig 30 II | zich zo verdrietig toen hij wakker werd dat hij zich 31 II | toen hij wakker werd dat hij zich afvroeg hoe hij het 32 II | dat hij zich afvroeg hoe hij het leven verder door moest 33 II | aan de avond echter liep hij erover na te denken dat 34 II | erover na te denken dat hij, om te gehoorzamen aan de 35 II | verdieping, tweede deur. Hij had die naam en dat adres 36 II | en ten slotte stamelde hij ze alsmaar, zonder te kunnen 37 II | dag, tegen acht uur, gaf hij opdracht Graindorge voor 38 II | tilbury te spannen en vertrok hij op de draf van zijn zware 39 II | van Ainville naar Rouaan. Hij droeg zijn zwarte overjas, 40 II | gezien de omstandigheden had hij over dat goede pak niet 41 II | wagen bent gesprongen. ~Hij reed Rouaan binnen toen 42 II | het trieste nieuws, waarna hij verslag moest doen van het 43 II | dringen omdat ze wisten dat hij rijk was, en weigerde zelfs 44 II | wat ze ergerde. ~Nadat hij zijn hoed had afgestoft, 45 II | schoenen opgewreven, ging hij op zoek naar de Rue de l' 46 II | vermoedens te wekken. ~Maar omdat hij het niet vond vroeg hij 47 II | hij het niet vond vroeg hij het ten slotte een priester 48 II | slotte een priester die hij zag, vertrouwend op het 49 II | beroepsgeheim van geestelijken.~Hij hoefde geen honderd stappen 50 II | rechts. ~Daarop aarzelde hij. Tot op dat moment had hij 51 II | hij. Tot op dat moment had hij als een automaat aan de 52 II | overledene gehoorzaamd. Nu voelde hij zich diep getroffen, verward, 53 II | vernederd bij het denkbeeld dat hij als zoon tegenover die vrouw 54 II | op generatie, alles wat hij had geleerd vanaf catechismus 55 II | draagt, zelfs al trouwt hij er met een, zijn hele beperkte 56 II | schamen en blozen. ~Maar hij dacht: Ik heb het vader 57 II | ik nakomen. Daarop duwde hij de op een kier staande deur 58 II | lopen. De deur ging open en hij stond tegenover een heel 59 II | stomverbaasde ogen aankeek. ~Hij wist niet wat hij haar moest 60 II | aankeek. ~Hij wist niet wat hij haar moest zeggen, en zij, 61 II | Wat wenst u, meneer?' ~Hij mompelde: 'Ik ben Hautot 62 II | en ging aan de kant zodat hij binnen kon komen. Hij sloot 63 II | zodat hij binnen kon komen. Hij sloot de deur en volgde 64 II | en volgde haar.~Toen zag hij een jochie van een jaar 65 II | Gaat u zitten,' sprak ze.~Hij ging zitten... Zij vroeg: ' 66 II | zitten... Zij vroeg: 'Wel?'~Hij durfde niet meer te praten, 67 II | waarvan ŽŽn voor het kind. Hij zag de stoel met de rug 68 II | met de rug naar het vuur! Hij werd verwacht. Het was zijn 69 II | Het was zijn brood dat hij zag, dat hij daar herkende 70 II | zijn brood dat hij zag, dat hij daar herkende vlak naast 71 II | slechte tanden van Hautot. Hij keek op en zag aan de muur, 72 II | herhaalde: 'Wel, meneer Cesar?'~Hij keek haar aan. Bezorgdheid 73 II | trillend van angst.~Toen vatte hij moed.~'Wel, mamzel, papa 74 II | brullen. Vervolgens begreep hij dat het plotseling verdriet 75 II | en met het andere sloeg hij hem uit alle macht tegen 76 II | zijn moeder verdedigde. Hij voelde zich overstelpt door 77 II | een figuur te geven, begon hij te praten. ~'Ja,' zei hij, ' 78 II | hij te praten. ~'Ja,' zei hij, 'het ongeluk is zondagochtend 79 II | tegen een uur of acht...' En hij vertelde, alsof zij luisterde, 80 II | schenen te schoppen. ~Toen hij bij het ogenblik kwam waarop 81 II | opnieuw te vertellen?' ~Hij begon in dezelfde bewoordingen: ' 82 II | tegen een uur of acht...'~Hij vertelde alles, uitgebreid, 83 II | gebeurtenissen in zich op die hij verhaalde, schrok soms op 84 II | zijn moeder te pakken, en hij luisterde ook, alsof hij 85 II | hij luisterde ook, alsof hij het volgde. ~Toen het verhaal 86 II | Luister, ik heb genoeg geld, hij heeft mij nagelaten. Ik 87 II | U moet me vertellen wat hij daar de hele week deed.' ~ 88 II | ging zitten, gewend als hij was om te gehoorzamen.~Zij 89 II | waaraan je kon zien, waaraan hij zonder te hoeven nadenken 90 II | niet echt talrijk, kwam hij weer terug bij het ongeluk, 91 II | terug bij het ongeluk, dat hij met al diezelfde details 92 II | maar eens vertelde. ~Toen hij zei: 'Hij had een gat in 93 II | vertelde. ~Toen hij zei: 'Hij had een gat in zijn buik, 94 II | het hart verzachten, boog hij zich voorover naar Emile, 95 II | mompelde: 'Arm kind, nu is hij wees.'~'Ik ook,' zei Cesar.~ 96 II | wat mee.'~'Dank u,' zei hij, 'ik heb geen honger, ik 97 II | niet wat ik moet doen.' ~Hij zwichtte, na nog wat weerstand, 98 II | een glas rode wijn. Maar hij vond het niet goed dat de 99 II | opengetrokken. ~Een paar keer veegde hij de mond van de kleine af, 100 II | bevuild had met saus.~En toen hij opstond om te vertrekken 101 II | opstond om te vertrekken vroeg hij: 'Wanneer wilt u dat ik 102 II | Om twaalf uur dan.'~En hij vertrok, nadat hij nog eens 103 II | En hij vertrok, nadat hij nog eens de kleine Emile 104 III| Hautot lang. Nog nooit was hij alleen geweest en het isolement 105 III| onverdraaglijk. Tot dan toe had hij naast zijn vader geleefd, 106 III| opdrachten overzien, en als hij hem enige tijd had verlaten, 107 III| tijd had verlaten, kwam hij bij het eten altijd weer 108 III| En nu was Cesar alleen. Hij zwierf rond onder de werkzaamheden 109 III| Om de tijd te doden ging hij naar de buren, vertelde 110 III| tegenover de rest. Toen hij vervolgens geen bezigheden 111 III| gedachten meer had, ging hij langs een weg zitten en 112 III| zou voortgaan. ~Vaak dacht hij aan juffrouw Donet. Ze was 113 III| Donet. Ze was hem bevallen. Hij had haar netjes gevonden, 114 III| dat zeker een brave meid. Hij was vastbesloten de zaken 115 III| worden op naam van het kind. Hij voelde zelfs een zeker genoegen 116 III| genoegen bij de gedachte dat hij haar de volgende donderdag 117 III| was een soort gezin dat hij daar had, in die onwettige 118 III| zou noemen, een gezin dat hij naar eigen inzicht kon aannemen 119 III| vader deed denken. ~Toen hij donderdagochtend dan ook 120 III| draf van Graindorge, voelde hij zich een stuk lichter van 121 III| van hart, uitgeruster dan hij sinds het ongeluk nog was 122 III| ongeluk nog was geweest. ~Toen hij het appartement van juffrouw 123 III| juffrouw Donet betrad, zag hij de tafel gedekt zoals die 124 III| brood niet was afgesneden. ~Hij gaf de jonge vrouw een hand, 125 III| en ging een beetje alsof hij thuis was, maar toch wel 126 III| toewijding de gunsten die hij voor haar in petto had wilde 127 III| spraken over de zaak waarvoor hij kwam. Zoveel geld wilde 128 III| wat geld zou hebben als hij groot zou worden. Cesar 129 III| toe, voor haar rouw. ~Toen hij zijn koffie had genomen 130 III| ik heb mijn pijp bij me.'~Hij tastte in zijn zak. Verdorie, 131 III| tastte in zijn zak. Verdorie, hij had haar vergeten! Hij wilde 132 III| hij had haar vergeten! Hij wilde zich net verontschuldigen 133 III| aanbood, die in de kast lag. Hij pakte haar aan, herkende 134 III| stak haar aan. Toen zette hij Emile schrijlings op zijn 135 III| wegborg om die te wassen als hij weg zou zijn. ~Tegen drie 136 III| zijn. ~Tegen drie uur stond hij met tegenzin op, want hij 137 III| hij met tegenzin op, want hij voelde helemaal geen lust 138 III| Wel! Mamzel Donet,' zei hij, 'ik wens u nog een prettige 139 III| niet meer terug?' vroeg ze.~Hij antwoordde eenvoudigweg: '


Best viewed with any browser at 800x600 or 768x1024 on Tablet PC
IntraText® (V89) - Some rights reserved by EuloTech SRL - 1996-2007. Content in this page is licensed under a Creative Commons License