Part
1 I | Hautot, trots op alles wat hij bezat, sneed op voorhand
2 I | gronden zouden aantreffen. Hij was een grote Normandi'r,
3 I | van invloed en gezag, had hij zijn zoon, Cesar Hautot,
4 I | hem iets te leren, en had hij daar een streep onder die
5 I | stond op. Allen deden als hij, pakten hun geweren uit
6 I | deugniet,' riep Bermont, 'hij heeft er vast een haas opgejaagd.'~
7 I | op zoek naar gaten waar hij zijn voet kon zetten, met
8 I | omzichtigheid van een vos. Toen riep hij meteen: 'O, kom gauw! Kom
9 I | op het gras liepen. Toen hij zijn geweer had losgelaten
10 I | pakken, die voor hem lag, had hij het wapen laten vallen,
11 I | darmen had stukgeschoten. Hij werd uit de geul getrokken,
12 I | dokter binnenkwam, schudde hij ernstig met zijn hoofd en
13 I | huilen. 'Arme jongen,' zei hij, 'het ziet er niet zo best
14 I | begrijpen, en daarop mompelde hij: 'Godverdikkeme, ik ga d'
15 I | vertrokken gezicht vervolgde hij: 'God, wat doet dat zeer!
16 I | nog altijd volgzaam, deed hij de deur open, en de priester
17 I | een teken aan te geven dat hij nog bij zinnen was. ~Hij
18 I | hij nog bij zinnen was. ~Hij had genoeg gesproken, die
19 I | genoeg gesproken, die man, hij kon niet meer. Bovendien
20 I | niet meer. Bovendien had hij momenteel vrede in zijn
21 I | momenteel vrede in zijn hart, hij wilde ook in vrede sterven.
22 I | vrede sterven. Waarom zou hij moeten biechten bij de afgevaardigde
23 I | afgevaardigde van God, omdat hij al had gebiecht bij zijn
24 I | bovendien familie was? ~Hij werd bediend, gezuiverd,
25 I | zijn gezicht verried dat hij nog leefde. ~Hij stierf
26 I | verried dat hij nog leefde. ~Hij stierf tegen middernacht,
27 II | II~Dinsdag werd hij begraven, de jacht was zondag
28 II | dag. De nacht daarop sliep hij amper en hij voelde zich
29 II | daarop sliep hij amper en hij voelde zich zo verdrietig
30 II | zich zo verdrietig toen hij wakker werd dat hij zich
31 II | toen hij wakker werd dat hij zich afvroeg hoe hij het
32 II | dat hij zich afvroeg hoe hij het leven verder door moest
33 II | aan de avond echter liep hij erover na te denken dat
34 II | erover na te denken dat hij, om te gehoorzamen aan de
35 II | verdieping, tweede deur. Hij had die naam en dat adres
36 II | en ten slotte stamelde hij ze alsmaar, zonder te kunnen
37 II | dag, tegen acht uur, gaf hij opdracht Graindorge voor
38 II | tilbury te spannen en vertrok hij op de draf van zijn zware
39 II | van Ainville naar Rouaan. Hij droeg zijn zwarte overjas,
40 II | gezien de omstandigheden had hij over dat goede pak niet
41 II | wagen bent gesprongen. ~Hij reed Rouaan binnen toen
42 II | het trieste nieuws, waarna hij verslag moest doen van het
43 II | dringen omdat ze wisten dat hij rijk was, en weigerde zelfs
44 II | wat ze ergerde. ~Nadat hij zijn hoed had afgestoft,
45 II | schoenen opgewreven, ging hij op zoek naar de Rue de l'
46 II | vermoedens te wekken. ~Maar omdat hij het niet vond vroeg hij
47 II | hij het niet vond vroeg hij het ten slotte een priester
48 II | slotte een priester die hij zag, vertrouwend op het
49 II | beroepsgeheim van geestelijken.~Hij hoefde geen honderd stappen
50 II | rechts. ~Daarop aarzelde hij. Tot op dat moment had hij
51 II | hij. Tot op dat moment had hij als een automaat aan de
52 II | overledene gehoorzaamd. Nu voelde hij zich diep getroffen, verward,
53 II | vernederd bij het denkbeeld dat hij als zoon tegenover die vrouw
54 II | op generatie, alles wat hij had geleerd vanaf catechismus
55 II | draagt, zelfs al trouwt hij er met een, zijn hele beperkte
56 II | schamen en blozen. ~Maar hij dacht: Ik heb het vader
57 II | ik nakomen. Daarop duwde hij de op een kier staande deur
58 II | lopen. De deur ging open en hij stond tegenover een heel
59 II | stomverbaasde ogen aankeek. ~Hij wist niet wat hij haar moest
60 II | aankeek. ~Hij wist niet wat hij haar moest zeggen, en zij,
61 II | Wat wenst u, meneer?' ~Hij mompelde: 'Ik ben Hautot
62 II | en ging aan de kant zodat hij binnen kon komen. Hij sloot
63 II | zodat hij binnen kon komen. Hij sloot de deur en volgde
64 II | en volgde haar.~Toen zag hij een jochie van een jaar
65 II | Gaat u zitten,' sprak ze.~Hij ging zitten... Zij vroeg: '
66 II | zitten... Zij vroeg: 'Wel?'~Hij durfde niet meer te praten,
67 II | waarvan ŽŽn voor het kind. Hij zag de stoel met de rug
68 II | met de rug naar het vuur! Hij werd verwacht. Het was zijn
69 II | Het was zijn brood dat hij zag, dat hij daar herkende
70 II | zijn brood dat hij zag, dat hij daar herkende vlak naast
71 II | slechte tanden van Hautot. Hij keek op en zag aan de muur,
72 II | herhaalde: 'Wel, meneer Cesar?'~Hij keek haar aan. Bezorgdheid
73 II | trillend van angst.~Toen vatte hij moed.~'Wel, mamzel, papa
74 II | brullen. Vervolgens begreep hij dat het plotseling verdriet
75 II | en met het andere sloeg hij hem uit alle macht tegen
76 II | zijn moeder verdedigde. Hij voelde zich overstelpt door
77 II | een figuur te geven, begon hij te praten. ~'Ja,' zei hij, '
78 II | hij te praten. ~'Ja,' zei hij, 'het ongeluk is zondagochtend
79 II | tegen een uur of acht...' En hij vertelde, alsof zij luisterde,
80 II | schenen te schoppen. ~Toen hij bij het ogenblik kwam waarop
81 II | opnieuw te vertellen?' ~Hij begon in dezelfde bewoordingen: '
82 II | tegen een uur of acht...'~Hij vertelde alles, uitgebreid,
83 II | gebeurtenissen in zich op die hij verhaalde, schrok soms op
84 II | zijn moeder te pakken, en hij luisterde ook, alsof hij
85 II | hij luisterde ook, alsof hij het volgde. ~Toen het verhaal
86 II | Luister, ik heb genoeg geld, hij heeft mij nagelaten. Ik
87 II | U moet me vertellen wat hij daar de hele week deed.' ~
88 II | ging zitten, gewend als hij was om te gehoorzamen.~Zij
89 II | waaraan je kon zien, waaraan hij zonder te hoeven nadenken
90 II | niet echt talrijk, kwam hij weer terug bij het ongeluk,
91 II | terug bij het ongeluk, dat hij met al diezelfde details
92 II | maar eens vertelde. ~Toen hij zei: 'Hij had een gat in
93 II | vertelde. ~Toen hij zei: 'Hij had een gat in zijn buik,
94 II | het hart verzachten, boog hij zich voorover naar Emile,
95 II | mompelde: 'Arm kind, nu is hij wees.'~'Ik ook,' zei Cesar.~
96 II | wat mee.'~'Dank u,' zei hij, 'ik heb geen honger, ik
97 II | niet wat ik moet doen.' ~Hij zwichtte, na nog wat weerstand,
98 II | een glas rode wijn. Maar hij vond het niet goed dat de
99 II | opengetrokken. ~Een paar keer veegde hij de mond van de kleine af,
100 II | bevuild had met saus.~En toen hij opstond om te vertrekken
101 II | opstond om te vertrekken vroeg hij: 'Wanneer wilt u dat ik
102 II | Om twaalf uur dan.'~En hij vertrok, nadat hij nog eens
103 II | En hij vertrok, nadat hij nog eens de kleine Emile
104 III| Hautot lang. Nog nooit was hij alleen geweest en het isolement
105 III| onverdraaglijk. Tot dan toe had hij naast zijn vader geleefd,
106 III| opdrachten overzien, en als hij hem enige tijd had verlaten,
107 III| tijd had verlaten, kwam hij bij het eten altijd weer
108 III| En nu was Cesar alleen. Hij zwierf rond onder de werkzaamheden
109 III| Om de tijd te doden ging hij naar de buren, vertelde
110 III| tegenover de rest. Toen hij vervolgens geen bezigheden
111 III| gedachten meer had, ging hij langs een weg zitten en
112 III| zou voortgaan. ~Vaak dacht hij aan juffrouw Donet. Ze was
113 III| Donet. Ze was hem bevallen. Hij had haar netjes gevonden,
114 III| dat zeker een brave meid. Hij was vastbesloten de zaken
115 III| worden op naam van het kind. Hij voelde zelfs een zeker genoegen
116 III| genoegen bij de gedachte dat hij haar de volgende donderdag
117 III| was een soort gezin dat hij daar had, in die onwettige
118 III| zou noemen, een gezin dat hij naar eigen inzicht kon aannemen
119 III| vader deed denken. ~Toen hij donderdagochtend dan ook
120 III| draf van Graindorge, voelde hij zich een stuk lichter van
121 III| van hart, uitgeruster dan hij sinds het ongeluk nog was
122 III| ongeluk nog was geweest. ~Toen hij het appartement van juffrouw
123 III| juffrouw Donet betrad, zag hij de tafel gedekt zoals die
124 III| brood niet was afgesneden. ~Hij gaf de jonge vrouw een hand,
125 III| en ging een beetje alsof hij thuis was, maar toch wel
126 III| toewijding de gunsten die hij voor haar in petto had wilde
127 III| spraken over de zaak waarvoor hij kwam. Zoveel geld wilde
128 III| wat geld zou hebben als hij groot zou worden. Cesar
129 III| toe, voor haar rouw. ~Toen hij zijn koffie had genomen
130 III| ik heb mijn pijp bij me.'~Hij tastte in zijn zak. Verdorie,
131 III| tastte in zijn zak. Verdorie, hij had haar vergeten! Hij wilde
132 III| hij had haar vergeten! Hij wilde zich net verontschuldigen
133 III| aanbood, die in de kast lag. Hij pakte haar aan, herkende
134 III| stak haar aan. Toen zette hij Emile schrijlings op zijn
135 III| wegborg om die te wassen als hij weg zou zijn. ~Tegen drie
136 III| zijn. ~Tegen drie uur stond hij met tegenzin op, want hij
137 III| hij met tegenzin op, want hij voelde helemaal geen lust
138 III| Wel! Mamzel Donet,' zei hij, 'ik wens u nog een prettige
139 III| niet meer terug?' vroeg ze.~Hij antwoordde eenvoudigweg: '
|