Part
1 I | bijna een heerlijkheid, en waarin tegenwoordig herenboeren
2 I | herenboeren wonen, blaften en jankten de honden, vastgebonden
3 I | gedragen door de jachtopziener en door kinderen. In de grote
4 I | belastingontvanger Bermont en notaris Mondaru een hapje
5 I | notaris Mondaru een hapje en dronken een glas alvorens
6 I | ge'erbiedigd, van invloed en gezag, had hij zijn zoon,
7 I | schoolgaan, om hem iets te leren, en had hij daar een streep
8 I | vol bewondering, eerbied en ontzag voor de wil en de
9 I | eerbied en ontzag voor de wil en de mening van vader Hautot. ~
10 I | waren, zoals zijriviertjes en slingerende beddingen van
11 I | op landkaarten, vroeg: 'En haas... is er ook haas?...' ~
12 I | gronden van de Puysatier.'~'En waar beginnen we?' vroeg
13 I | levensgenieter van een mollige en bleke notaris, ook met een
14 I | notaris, ook met een buikje, en gehesen in een spiksplinternieuw
15 I | patrijs naar de vlakte, en daar sporen we ze dan wel
16 I | de warmte van het bloed, en daarop vertrokken zij. De
17 I | het eind van hun lijnen en jankten hevig terwijl ze
18 I | Hautot aan de linkerkant, en de beide genodigden in het
19 I | midden. De jachtopziener en de dragers van de weizakken
20 I | geschoten. Allen bleven staan en zagen een patrijs opvliegen,
21 I | troep die snel wegvloog, en in een geul vallen, onder
22 I | bramen die hem hinderden en verdween op zijn beurt in
23 I | zijn handen aan zijn mond en riep: 'Heb je d'r?' Vader
24 I | zich tot de jachtopziener en zei: 'Ga hem eens helpen,
25 I | houden, we wachten wel.' ~En Jozef, een oude, magere,
26 I | vertrok met rustige pas en daalde af in de geul, op
27 I | Allen renden naderbij en doken tussen de bramen.
28 I | was op zijn zij gevallen en buiten bewustzijn, met beide
29 I | door de schok was afgegaan en zijn darmen had stukgeschoten.
30 I | geul getrokken, ontkleed, en zij zagen een vieze wond
31 I | kwamen. Toen ze hem zo goed en zo kwaad als het ging hadden
32 I | droegen ze hem naar huis en wachtten op de dokter die
33 I | hij ernstig met zijn hoofd en wendde zich tot zoon Hautot
34 I | herinneren, te begrijpen, en daarop mompelde hij: 'Godverdikkeme,
35 I | haaien! Ik voel het wel.'~En plotseling: 'Ik wil met
36 I | in weerwil van zichzelf en herhaalde als een klein
37 I | dan heb ik tenminste rust. En jullie daar, ŽŽn moment
38 I | Allen gingen het vertrek uit en lieten de zoon alleen met
39 I | geleden is gestorven nietwaar, en dat ik niet ouder ben dan
40 I | dus al zeven jaar dood, en ik ben weduwnaar gebleven.
41 I | te rochelen. Doodsbleek en met een vertrokken gezicht
42 I | is, maar echt een brave, en dat ik haar, als jij er
43 I | jij er niet was geweest, en als de nagedachtenis van
44 I | moeder er niet was geweest, en als we niet in dit huis
45 I | hier naartoe had genomen, en met haar was getrouwd, beslist...
46 I | de wettige erfgenamen... en verder stuurt het alles
47 I | dat wilde ik niet... en verder ken ik je, jij hebt
48 I | dit allemaal zou vertellen en je dan zou vragen om dat
49 I | tweede deur, niet vergeten... en luister. Ga er meteen heen
50 I | als ik er niet meer ben - en zorg er dan voor dat zij
51 I | tegen een notaris niet en tegen de pastoor evenmin.
52 I | alles zorgt.'~'Ja vader.'~'En verder zul je wel zien....
53 I | deed hij de deur open, en de priester verscheen, in
54 I | stervende had de ogen gesloten, en weigerde ze weer open te
55 I | temidden van zijn vrienden en zijn knielende personeel,
56 II | nacht daarop sliep hij amper en hij voelde zich zo verdrietig
57 II | tweede deur. Hij had die naam en dat adres een ontelbaar
58 II | om ze niet te vergeten, en ten slotte stamelde hij
59 II | zozeer werden zijn tong en zijn geest bezeten door
60 II | voor de tilbury te spannen en vertrok hij op de draf van
61 II | zijn broek met voetbanden en gezien de omstandigheden
62 II | tegen het stof van de weg en de vlekken, en die je meteen
63 II | van de weg en de vlekken, en die je meteen uittrekt zodra
64 II | plichtmatig de baas, de bazin en hun vijf zonen, want zij
65 II | weer aan het huilen bracht en alle diensten van die mensen
66 II | wisten dat hij rijk was, en weigerde zelfs hun eten,
67 II | zijn overjas geborsteld en zijn schoenen opgewreven,
68 II | angst te worden herkend en vermoedens te wekken. ~Maar
69 II | tegen, deed hem zich schamen en blozen. ~Maar hij dacht:
70 II | tweede, vond het schellekoord en trok eraan. ~Het geklingel
71 II | lopen. De deur ging open en hij stond tegenover een
72 II | wat hij haar moest zeggen, en zij, niets vermoedend, verwachtte
73 II | vermoedend, verwachtte een ander, en vroeg hem niet binnen te
74 II | Ze schrok, werd bleek, en stamelde, alsof ze hem allang
75 II | Meneer Cesar?'~'Ja...'~'En wat wilt u ?...'~'Ik moet
76 II | Ze zei: 'O mijn God!' en ging aan de kant zodat hij
77 II | komen. Hij sloot de deur en volgde haar.~Toen zag hij
78 II | fles rode wijn ontkurkt en de fles witte wijn nog onaangebroken.
79 II | van Hautot. Hij keek op en zag aan de muur, zijn portret,
80 II | had haar doen verbleken, en zij wachtte, haar handen
81 II | nee, dat kan toch niet!' ~En toen, plotseling, verschenen
82 II | hief zij haar handen op en bedekte haar gezicht terwijl
83 II | zag zijn moeder huilen, en begon te brullen. Vervolgens
84 II | maken had met die onbekende, en wierp zich op Cesar, greep
85 II | met een handje zijn broek en met het andere sloeg hij
86 II | alle macht tegen zijn dij. En Cesar bleef ontsteld en
87 II | En Cesar bleef ontsteld en vertederd zitten tussen
88 II | die zijn vader beweende en dat kind dat zijn moeder
89 II | van verdriet welden op, en om zich een figuur te geven,
90 II | tegen een uur of acht...' En hij vertelde, alsof zij
91 II | van alle kleinigheden. En de kleine bleef maar slaan,
92 II | hoorde zij haar naam, keek op en vroeg: 'Neem me niet kwalijk,
93 II | laste pauzes in, gaf af en toe overwegingen van zichzelf.
94 II | schrok soms op van gruwel en zei dan: 'O mijn God!' De
95 II | van zijn moeder te pakken, en hij luisterde ook, alsof
96 II | raadde Cesar het daarop en stamelde: 'Dus... die is
97 II | Ja natuurlijk,' zei zij.~En zoon Hautot bekeek zijn
98 II | broer in verwarde, sterke en pijnlijke ontroering.~Na
99 II | daar de hele week deed.' ~En Cesar ging zitten, gewend
100 II | nam Emile op haar knie'n, en vroeg Cesar duizend dingen
101 II | van Hautot gehouden had. ~En door de natuurlijke gang
102 II | slaakte zij een soort kreet, en de tranen sprongen weer
103 II | begon ook Cesar te huilen, en aangezien tranen altijd
104 II | bereik van zijn mond was, en kuste hem. ~De moeder kwam
105 II | moeder kwam weer wat op adem en mompelde: 'Arm kind, nu
106 II | wees.'~'Ik ook,' zei Cesar.~En ze spraken niet verder.~
107 II | mag mij dit niet weigeren. En bovendien zult u dan nog
108 II | te spetteren in de oven en dronk een glas rode wijn.
109 II | kin bevuild had met saus.~En toen hij opstond om te vertrekken
110 II | vooruit. Om twaalf uur dan.'~En hij vertrok, nadat hij nog
111 II | kleine Emile had omhelsd, en juffrouw Donet een hand
112 III| nooit was hij alleen geweest en het isolement leek hem bijna
113 III| zijn opdrachten overzien, en als hij hem enige tijd had
114 III| paarden, koeien of schapen, en de handdruk die zij elkaar '
115 III| uitwisseling van een familiale en diepe aanhankelijkheid. ~
116 III| diepe aanhankelijkheid. ~En nu was Cesar alleen. Hij
117 III| nog niet hadden gehoord, en herhaalde het nog een paar
118 III| vervolgens geen bezigheden en geen gedachten meer had,
119 III| hij langs een weg zitten en vroeg zich af of dat leven
120 III| ruimharig aan te pakken en haar tweeduizend frank rente
121 III| alles met haar te regelen. En verder hinderde hem het
122 III| kuste Emile op de wangen en ging een beetje alsof hij
123 III| eerste schok van het ongeluk, en zij behandelde hem nu met
124 III| alsof ze hem in aandacht en in toewijding de gunsten
125 III| terugbetalen. Zij aten lang, en spraken over de zaak waarvoor
126 III| Cesar hield voet bij stuk, en voegde zelfs een cadeau
127 III| was, vulde haar met tabak en stak haar aan. Toen zette
128 III| schrijlings op zijn been en liet hem paardje rijden
129 III| terwijl zij de tafel afruimde en de vuile vaat onder in het
130 III| u nog een prettige avond en ik ben blij dat ik u in
131 III| blozend, zeer getroffen, en ze bekeek hem terwijl ze
132 III| dat u genoegen doet.'~'Nou en of, meneer Cesar. Dus, volgende
|