Part
1 I | I~Voor de deur van het huis, half boerderij, half
2 I | appelaars op de hof, bij het zien van de weitassen, gedragen
3 I | alvorens op jacht te gaan, want het was de dag van de opening. ~
4 I | sneed op voorhand op over het wild dat zijn genodigden
5 I | versoepeld door de warmte van het bloed, en daarop vertrokken
6 I | honden kwamen overeind aan het eind van hun lijnen en jankten
7 I | liever een grote glooiing in het terrein, met grond van slechte
8 I | en de beide genodigden in het midden. De jachtopziener
9 I | van de weizakken volgden. Het was dat plechtige ogenblik
10 I | plechtige ogenblik waarop je het eerste schot verwacht, waarop
11 I | eerste schot verwacht, waarop het hart wat sneller slaat,
12 I | betast. ~Plotseling klonk het, dat schot! Vader Hautot
13 I | lange stroompjes bloed op het gras liepen. Toen hij zijn
14 I | die voor hem lag, had hij het wapen laten vallen, waarvan
15 I | wapen laten vallen, waarvan het tweede schot door de schok
16 I | zo goed en zo kwaad als het ging hadden verbonden, droegen
17 I | Arme jongen,' zei hij, 'het ziet er niet zo best uit.' ~
18 I | zo best uit.' ~Maar toen het verband was gelegd, bewoog
19 I | naar de haaien! Ik voel het wel.'~En plotseling: 'Ik
20 I | stem: 'Hou op met janken, het is nu niet het moment. Ik
21 I | met janken, het is nu niet het moment. Ik moet je spreken.
22 I | Ga daar zitten, vlakbij, het is zo gebeurd, dan heb ik
23 I | moment graag.' ~Allen gingen het vertrek uit en lieten de
24 I | raadselachtiger dan wij het zelf willen maken. Jij weet
25 I | doet dat zeer! Wel, je moet het begrijpen. Een man is niet
26 I | beloofd. Dus... je begrijpt het?' ~'Ja vader.'~'Dus, heb
27 I | ik zeg je dat nu, vergeet het niet - maar een vrouwtje
28 I | echte vrouw, kortom. Kun je het volgen, beste jongen?' ~'
29 I | zodat ze haar schaapjes op het droge heeft. Je begrijpt
30 I | droge heeft. Je begrijpt het?' ~'Ja vader.'~'Ik zeg je
31 I | Ja vader.'~'Ik zeg je dat het een brave meid is, maar
32 I | erfgenamen... en verder stuurt het alles in het honderd...
33 I | verder stuurt het alles in het honderd... dat richt iedereen
34 I | ben, dan is dat omdat ik het van mijn leven niet gebruikt
35 I | gebruikt heb. Begrijp je het, mijn zoon?' ~'Ja vader.'~'
36 I | mezelf dat ik jou tegen het eind dit allemaal zou vertellen
37 I | hebt de middelen - je kunt het... ik laat je genoeg na...
38 I | dingen vertel je niet in het openbaar, tegen een notaris
39 I | tegen de pastoor evenmin. Het gebeurt, dat weet iedereen,
40 I | er niet over, behalve als het noodzakelijk is. Dus, geen
41 I | is. Dus, geen vreemden in het geheim, niemand die geen
42 I | Ja vader.'~'Je belooft het?'~'Ja vader.'~'Je zweert
43 I | Ja vader.'~'Je zweert het?'~'Ja vader.'~'Ik verzoek
44 I | smeek je, zoon, vergeet het niet. Ik sta erop.'~'Nee
45 I | een witte superplie, met het laatste oliesel. ~Maar de
46 II | geopend. Na zijn vader naar het kerkhof te hebben gebracht,
47 II | hij zich afvroeg hoe hij het leven verder door moest
48 II | had zijn hoge zijden op het hoofd, aan zijn benen zijn
49 II | die in de wind opbolt, die het goed beschermt tegen het
50 II | het goed beschermt tegen het stof van de weg en de vlekken,
51 II | reed Rouaan binnen toen het tien uur sloeg, hield als
52 II | hield als altijd halt bij het H(tm)tel des Bons-Enfants
53 II | zij waren op de hoogte van het trieste nieuws, waarna hij
54 II | hij verslag moest doen van het ongeluk, wat hem weer aan
55 II | ongeluk, wat hem weer aan het huilen bracht en alle diensten
56 II | wekken. ~Maar omdat hij het niet vond vroeg hij het
57 II | het niet vond vroeg hij het ten slotte een priester
58 II | hij zag, vertrouwend op het beroepsgeheim van geestelijken.~
59 II | honderd stappen meer te doen, het was toevallig de tweede
60 II | verward, vernederd bij het denkbeeld dat hij als zoon
61 II | catechismus over de schepsels van het slechte leven, de instinctmatige
62 II | Maar hij dacht: Ik heb het vader beloofd. Dit moet
63 II | kier staande deur open van het huis waarop nummer 18 stond,
64 II | deur, toen een tweede, vond het schellekoord en trok eraan. ~
65 II | schellekoord en trok eraan. ~Het geklingel dat uit het belendende
66 II | Het geklingel dat uit het belendende vertrek opklonk
67 II | couverts, waarvan ŽŽn voor het kind. Hij zag de stoel met
68 II | de stoel met de rug naar het vuur toe staan, het bord,
69 II | naar het vuur toe staan, het bord, het servet, de glazen,
70 II | vuur toe staan, het bord, het servet, de glazen, de fles
71 II | zijn vader, met de rug naar het vuur! Hij werd verwacht.
72 II | vuur! Hij werd verwacht. Het was zijn brood dat hij zag,
73 II | in Parijs was gemaakt in het jaar van de Wereldtentoonstelling1,
74 II | slaapkamer in Ainville boven het bed hing. ~De jonge vrouw
75 II | te snikken. ~Toen draaide het jochie zijn hoofd om, zag
76 II | Vervolgens begreep hij dat het plotseling verdriet te maken
77 II | handje zijn broek en met het andere sloeg hij hem uit
78 II | praten. ~'Ja,' zei hij, 'het ongeluk is zondagochtend
79 II | schoppen. ~Toen hij bij het ogenblik kwam waarop vader
80 II | graag willen weten... als u het niet erg vindt het opnieuw
81 II | als u het niet erg vindt het opnieuw te vertellen?' ~
82 II | dezelfde bewoordingen: 'Het ongeluk is zondagochtend
83 II | luisterde ook, alsof hij het volgde. ~Toen het verhaal
84 II | alsof hij het volgde. ~Toen het verhaal afgelopen was herhaalde
85 II | niet vandaag... Als ik het aanneem, luistert u goed...
86 II | nee, nee, nee, ik zweer het u. Dan is het voor de kleine.
87 II | ik zweer het u. Dan is het voor de kleine. Dat goed
88 II | Geschrokken raadde Cesar het daarop en stamelde: 'Dus...
89 II | Wanneer wilt u dat wij het hierover hebben?' ~Ze riep
90 II | stoel bij de zijne, voor het fornuis waarop nog steeds
91 II | kwam hij weer terug bij het ongeluk, dat hij met al
92 II | tranen altijd de vezels van het hart verzachten, boog hij
93 II | Emile, wiens voorhoofd in het bereik van zijn mond was,
94 II | Maar plotseling ontwaakte het praktisch instinct van huisvrouw,
95 II | ging met zijn rug naar het vuur zitten, tegenover haar,
96 II | rode wijn. Maar hij vond het niet goed dat de witte werd
97 II | wilt u dat ik terugkom om het te hebben over de zakelijke
98 II | mamzel Donet?' ~'Als u het niet uitmaakt graag volgende
99 III| was hij alleen geweest en het isolement leek hem bijna
100 III| had verlaten, kwam hij bij het eten altijd weer terug.
101 III| naar de buren, vertelde het ongeluk aan allen die het
102 III| het ongeluk aan allen die het nog niet hadden gehoord,
103 III| hadden gehoord, en herhaalde het nog een paar keer tegenover
104 III| vader gezegd had. Ja, als je het hebt over een brave meid,
105 III| rente te bezorgen, waarbij het kapitaal dan vastgelegd
106 III| vastgelegd zou worden op naam van het kind. Hij voelde zelfs een
107 III| En verder hinderde hem het denkbeeld aan die broer,
108 III| was, hem een beetje, maar het bezielde hem tegelijkertijd.
109 III| bezielde hem tegelijkertijd. Het was een soort gezin dat
110 III| uitgeruster dan hij sinds het ongeluk nog was geweest. ~
111 III| nog was geweest. ~Toen hij het appartement van juffrouw
112 III| donderdag daarvoor, met het enige verschil dat de korst
113 III| verschil dat de korst van het brood niet was afgesneden. ~
114 III| onder de eerste schok van het ongeluk, en zij behandelde
115 III| stem wat voor kwaliteit het was, vulde haar met tabak
116 III| en de vuile vaat onder in het buffet wegborg om die te
|