Part
1 I | voorhand op over het wild dat zijn genodigden op zijn
2 I | studies gezet, uit angst dat zijn zoon een heer zou worden
3 I | schoeisel goed aan te krijgen dat nogal hard was, nog niet
4 I | weizakken volgden. Het was dat plechtige ogenblik waarop
5 I | Plotseling klonk het, dat schot! Vader Hautot had
6 I | maken. Jij weet ook wel dat je moeder zeven jaar geleden
7 I | is gestorven nietwaar, en dat ik niet ouder ben dan vijfenveertig,
8 I | negentiende ben getrouwd. Dat klopt toch?' ~De zoon stamelde: '
9 I | De zoon stamelde: 'Ja, dat klopt.'~'Jouw moeder is
10 I | De zoon antwoordde: 'Nee, dat klopt.'~De vader begon te
11 I | vervolgde hij: 'God, wat doet dat zeer! Wel, je moet het begrijpen.
12 I | van je moeder nemen, want dat had ik haar beloofd. Dus...
13 I | tweede deur - ik zeg je dat nu, vergeet het niet - maar
14 I | niet - maar een vrouwtje dat heel aardig voor mij is
15 I | Ja vader.'~'Ik zeg je dat het een brave meid is, maar
16 I | maar echt een brave, en dat ik haar, als jij er niet
17 I | drie samen hebben gewoond, dat ik haar dan mee hier naartoe
18 I | testament kunnen maken... dat heb ik niet gedaan! Dat
19 I | dat heb ik niet gedaan! Dat heb ik niet gewild... want
20 I | dingen niet vastleggen... dat soort dingen niet... dat
21 I | dat soort dingen niet... dat is veel te lastig voor de
22 I | alles in het honderd... dat richt iedereen te gronde!
23 I | Als ik rijk ben, dan is dat omdat ik het van mijn leven
24 I | geen testament gemaakt... dat wilde ik niet... en verder
25 I | kortom. Ik dacht bij mezelf dat ik jou tegen het eind dit
26 I | en je dan zou vragen om dat vrouwtje niet te vergeten:
27 I | ben - en zorg er dan voor dat zij zich over mijn nagedachtenis
28 I | Die dag verwacht ze me. Dat is mijn dag, al zes jaar.
29 I | ze huilen!... Ik zeg je dat alles, omdat ik jou goed
30 I | pastoor evenmin. Het gebeurt, dat weet iedereen, maar je praat
31 I | familie is, want familie, dat is allen voor ŽŽn. Dat begrijp
32 I | dat is allen voor ŽŽn. Dat begrijp je?' ~'Ja vader.'~'
33 I | gaat er zelf heen. Ik wil dat je voor alles zorgt.'~'Ja
34 I | niet meer vertellen. Is dat gezworen?'~'Ja vader.'~'
35 I | gezworen?'~'Ja vader.'~'Dat is goed, mijn zoon. Omhels
36 I | pijp aan Maarten geven, dat weet ik zeker. Zeg ze maar
37 I | weet ik zeker. Zeg ze maar dat ze binnen kunnen komen.' ~
38 I | door een teken aan te geven dat hij nog bij zinnen was. ~
39 I | knielende personeel, zonder dat een enkele beweging van
40 I | van zijn gezicht verried dat hij nog leefde. ~Hij stierf
41 II | verdrietig toen hij wakker werd dat hij zich afvroeg hoe hij
42 II | hij erover na te denken dat hij, om te gehoorzamen aan
43 II | naar Rouaan zou moeten, om dat meisje Caroline Donet te
44 II | deur. Hij had die naam en dat adres een ontelbaar aantal
45 II | omstandigheden had hij over dat goede pak niet de blauwe
46 II | dringen omdat ze wisten dat hij rijk was, en weigerde
47 II | Daarop aarzelde hij. Tot op dat moment had hij als een automaat
48 II | vernederd bij het denkbeeld dat hij als zoon tegenover die
49 II | beperkte eerlijkheid van boer, dat alles roerde zich in hem,
50 II | trok eraan. ~Het geklingel dat uit het belendende vertrek
51 II | wijn nog onaangebroken. Dat was de plek van zijn vader,
52 II | verwacht. Het was zijn brood dat hij zag, dat hij daar herkende
53 II | zijn brood dat hij zag, dat hij daar herkende vlak naast
54 II | jacht.'~Ze was zo getroffen dat ze roerloos bleef zitten.
55 II | onhoorbare stem: 'O nee, dat kan toch niet!' ~En toen,
56 II | Vervolgens begreep hij dat het plotseling verdriet
57 II | die zijn vader beweende en dat kind dat zijn moeder verdedigde.
58 II | vader beweende en dat kind dat zijn moeder verdedigde.
59 II | De kleine, die meende dat zij was gekalmeerd, was
60 II | mij nagelaten. Ik wil niet dat u zich te beklagen zult
61 II | luistert u goed... dan is dat niet voor mij... nee, nee,
62 II | Dan is het voor de kleine. Dat goed moet ook op zijn naam
63 II | maar weer. Wanneer wilt u dat wij het hierover hebben?' ~
64 II | te hoeven nadenken merkte dat zij met haar hele arme vrouwenhart
65 II | weer terug bij het ongeluk, dat hij met al diezelfde details
66 II | Maar hij vond het niet goed dat de witte werd opengetrokken. ~
67 II | vroeg hij: 'Wanneer wilt u dat ik terugkom om het te hebben
68 II | komt weer eten, hè?'~'Ach, dat kan ik helaas niet beloven.'~'
69 III| zitten en vroeg zich af of dat leven nog lang zo zou voortgaan. ~
70 III| een brave meid, dan was dat zeker een brave meid. Hij
71 III| genoegen bij de gedachte dat hij haar de volgende donderdag
72 III| donderdag zou terugzien, om dat alles met haar te regelen.
73 III| denkbeeld aan die broer, dat mannetje van vijf, die de
74 III| Het was een soort gezin dat hij daar had, in die onwettige
75 III| Hautot zou noemen, een gezin dat hij naar eigen inzicht kon
76 III| kon aannemen of niet, maar dat hem aan zijn vader deed
77 III| met het enige verschil dat de korst van het brood niet
78 III| Zoveel geld wilde zij niet. Dat was te veel, veel te veel.
79 III| te leven, ze wilde alleen dat Emile wat geld zou hebben
80 III| prettige avond en ik ben blij dat ik u in goede gezondheid
81 III| natuurlijk wel, mamzel, als dat u genoegen doet.'~'Nou en
82 III| volgende week donderdag, past u dat?'~'Ja, mamzel Donet.'~'U
83 III| weer eten?'~'Maar... als u dat wilt, dat sla ik niet af.'~'
84 III| Maar... als u dat wilt, dat sla ik niet af.'~'Dat is
85 III| wilt, dat sla ik niet af.'~'Dat is dan afgesproken, meneer
|