Part
1 I | dat nogal hard was, nog niet versoepeld door de warmte
2 I | Vader Hautot antwoordde niet. Toen wendde Cesar zich
3 I | zei hij, 'het ziet er niet zo best uit.' ~Maar toen
4 I | op met janken, het is nu niet het moment. Ik moet je spreken.
5 I | winden. Bovendien is dit niet raadselachtiger dan wij
6 I | gestorven nietwaar, en dat ik niet ouder ben dan vijfenveertig,
7 I | het begrijpen. Een man is niet geschapen om alleen te leven,
8 I | zeg je dat nu, vergeet het niet - maar een vrouwtje dat
9 I | dat ik haar, als jij er niet was geweest, en als de nagedachtenis
10 I | nagedachtenis van je moeder er niet was geweest, en als we niet
11 I | niet was geweest, en als we niet in dit huis hadden gezeten,
12 I | kunnen maken... dat heb ik niet gedaan! Dat heb ik niet
13 I | niet gedaan! Dat heb ik niet gewild... want je moet de
14 I | want je moet de dingen niet vastleggen... dat soort
15 I | vastleggen... dat soort dingen niet... dat is veel te lastig
16 I | verzegeld papier, laat je er niet toe verleiden, maak er nooit
17 I | omdat ik het van mijn leven niet gebruikt heb. Begrijp je
18 I | gemaakt... dat wilde ik niet... en verder ken ik je,
19 I | hebt een goed hart, je bent niet hebzuchtig, niet vrekkig,
20 I | je bent niet hebzuchtig, niet vrekkig, kortom. Ik dacht
21 I | zou vragen om dat vrouwtje niet te vergeten: Caroline Donet,
22 I | verdieping, de tweede deur, niet vergeten... en luister.
23 I | er meteen heen als ik er niet meer ben - en zorg er dan
24 I | over mijn nagedachtenis niet hoeft te beklagen - jij
25 I | Luister... Door de week is ze niet thuis. Ze werkt bij mevrouw
26 I | zoon. Die dingen vertel je niet in het openbaar, tegen een
27 I | openbaar, tegen een notaris niet en tegen de pastoor evenmin.
28 I | iedereen, maar je praat er niet over, behalve als het noodzakelijk
29 I | smeek je, zoon, vergeet het niet. Ik sta erop.'~'Nee vader.'~'
30 I | zal uitleggen. Ik kan je niet meer vertellen. Is dat gezworen?'~'
31 I | gesproken, die man, hij kon niet meer. Bovendien had hij
32 II | een gebed mompelt, om ze niet te vergeten, en ten slotte
33 II | had hij over dat goede pak niet de blauwe boezeroen willen
34 II | wekken. ~Maar omdat hij het niet vond vroeg hij het ten slotte
35 II | ogen aankeek. ~Hij wist niet wat hij haar moest zeggen,
36 II | een ander, en vroeg hem niet binnen te komen. Zo bleven
37 II | vroeg: 'Wel?'~Hij durfde niet meer te praten, hield zijn
38 II | stem: 'O nee, dat kan toch niet!' ~En toen, plotseling,
39 II | keek op en vroeg: 'Neem me niet kwalijk, ik volgde u niet,
40 II | niet kwalijk, ik volgde u niet, maar ik zou graag willen
41 II | willen weten... als u het niet erg vindt het opnieuw te
42 II | heeft mij nagelaten. Ik wil niet dat u zich te beklagen zult
43 II | meneer Cesar, meneer Cesar, niet vandaag. Mijn hart ligt
44 II | een andere dag... Nee, niet vandaag... Als ik het aanneem,
45 II | luistert u goed... dan is dat niet voor mij... nee, nee, nee,
46 II | riep uit: 'O nee, gaat u niet weg, gaat u niet weg, laat
47 II | gaat u niet weg, gaat u niet weg, laat me nu niet alleen
48 II | gaat u niet weg, laat me nu niet alleen met Emile! Ik zou
49 II | gang van zijn gedachten, niet echt talrijk, kwam hij weer
50 II | zei Cesar.~En ze spraken niet verder.~Maar plotseling
51 II | misschien de hele ochtend nog niet gegeten, meneer Cesar?'~'
52 II | doorleven, u mag mij dit niet weigeren. En bovendien zult
53 II | Als u weg bent, weet ik niet wat ik moet doen.' ~Hij
54 II | wijn. Maar hij vond het niet goed dat de witte werd opengetrokken. ~
55 II | mamzel Donet?' ~'Als u het niet uitmaakt graag volgende
56 II | Ach, dat kan ik helaas niet beloven.'~'Ik wil maar zeggen,
57 III| ongeluk aan allen die het nog niet hadden gehoord, en herhaalde
58 III| inzicht kon aannemen of niet, maar dat hem aan zijn vader
59 III| dat de korst van het brood niet was afgesneden. ~Hij gaf
60 III| wat ze de vorige week nog niet had gevoeld onder de eerste
61 III| kwam. Zoveel geld wilde zij niet. Dat was te veel, veel te
62 III| dacht.~'Zien we elkaar nu niet meer terug?' vroeg ze.~Hij
63 III| als u dat wilt, dat sla ik niet af.'~'Dat is dan afgesproken,
|