Part
1 I | warmbloedige, donkere man, die appelkarren op hun schouders
2 I | hij daar een streep onder die studies gezet, uit angst
3 I | weg naar de lage gronden. Die bestonden uit een valleitje,
4 I | grond van slechte kwaliteit, die om die reden ook onbebouwd
5 I | slechte kwaliteit, die om die reden ook onbebouwd was
6 I | losmakend uit een troep die snel wegvloog, en in een
7 I | bleef hangen aan bramen die hem hinderden en verdween
8 I | een tweede schot.~'Ha ha, die deugniet,' riep Bermont, '
9 I | wachten, de blikken gericht op die hoop takken waardoorheen
10 I | dode patrijs te pakken, die voor hem lag, had hij het
11 I | en wachtten op de dokter die ze hadden laten halen, samen
12 I | wendde zich tot zoon Hautot die op een stoel zat te huilen. '
13 I | Beauvoisine. Ga er donderdag heen. Die dag verwacht ze me. Dat
14 I | jou goed ken, mijn zoon. Die dingen vertel je niet in
15 I | vreemden in het geheim, niemand die geen familie is, want familie,
16 I | Hij had genoeg gesproken, die man, hij kon niet meer.
17 I | gebiecht bij zijn zoon, die bovendien familie was? ~
18 I | middernacht, na vier uur schokken die op vreselijk lijden duidden.~
19 II | Donet te gaan opzoeken, die in de Rue de l'Eperlan 18
20 II | verdieping, tweede deur. Hij had die naam en dat adres een ontelbaar
21 II | zijn geest bezeten door die paar woorden. ~Dus de volgende
22 II | boezeroen willen aantrekken die in de wind opbolt, die het
23 II | aantrekken die in de wind opbolt, die het goed beschermt tegen
24 II | de weg en de vlekken, en die je meteen uittrekt zodra
25 II | bracht en alle diensten van die mensen deed afwijzen, die
26 II | die mensen deed afwijzen, die ze hem probeerden op te
27 II | ten slotte een priester die hij zag, vertrouwend op
28 II | dat hij als zoon tegenover die vrouw zou komen staan, die
29 II | die vrouw zou komen staan, die de maîtresse van zijn vader
30 II | was geweest. Alle moraal die nog in ons sluimert, achter
31 II | instinctmatige afkeer van hen, die iedere man in zich draagt,
32 II | brunette met een frisse teint, die hem met stomverbaasde ogen
33 II | gekluisterd aan de tafel die midden in de kamer gedekt
34 II | zijn portret, de grote foto die in Parijs was gemaakt in
35 II | Wereldtentoonstelling1, dezelfde die in de slaapkamer in Ainville
36 II | verdriet te maken had met die onbekende, en wierp zich
37 II | vertederd zitten tussen die vrouw die zijn vader beweende
38 II | zitten tussen die vrouw die zijn vader beweende en dat
39 II | gebeurtenissen in zich op die hij verhaalde, schrok soms
40 II | O mijn God!' De kleine, die meende dat zij was gekalmeerd,
41 II | daarop en stamelde: 'Dus... die is van hem... die kleine?'~'
42 II | Dus... die is van hem... die kleine?'~'Ja natuurlijk,'
43 II | haar, at een schotel pens die hing te spetteren in de
44 II | de mond van de kleine af, die zijn kin bevuild had met
45 III| schapen, en de handdruk die zij elkaar 's morgens gaven,
46 III| vertelde het ongeluk aan allen die het nog niet hadden gehoord,
47 III| hinderde hem het denkbeeld aan die broer, dat mannetje van
48 III| dat mannetje van vijf, die de zoon van zijn vader was,
49 III| gezin dat hij daar had, in die onwettige dreumes die zich
50 III| in die onwettige dreumes die zich nooit Hautot zou noemen,
51 III| hij de tafel gedekt zoals die donderdag daarvoor, met
52 III| in toewijding de gunsten die hij voor haar in petto had
53 III| van zijn vader aanbood, die in de kast lag. Hij pakte
54 III| in het buffet wegborg om die te wassen als hij weg zou
55 III| bekeek hem terwijl ze aan die ander dacht.~'Zien we elkaar
|