Part
1 I | vlakte, en daar sporen we ze dan wel op.'~Vader Hautot
2 I | en jankten hevig terwijl ze met de voorpoten door de
3 I | door de lucht maaiden. ~Ze gingen op weg naar de lage
4 I | zijn darmen kwamen. Toen ze hem zo goed en zo kwaad
5 I | hadden verbonden, droegen ze hem naar huis en wachtten
6 I | wachtten op de dokter die ze hadden laten halen, samen
7 I | alleen met de vader.~Zodra ze alleen waren: 'Luister zoon,
8 I | zoden aan de dijk zet, zodat ze haar schaapjes op het droge
9 I | Luister... Door de week is ze niet thuis. Ze werkt bij
10 I | de week is ze niet thuis. Ze werkt bij mevrouw Moreau,
11 I | donderdag heen. Die dag verwacht ze me. Dat is mijn dag, al
12 I | jaar. Arm kleintje, wat zal ze huilen!... Ik zeg je dat
13 I | dat weet ik zeker. Zeg ze maar dat ze binnen kunnen
14 I | ik zeker. Zeg ze maar dat ze binnen kunnen komen.' ~Zoon
15 I | ogen gesloten, en weigerde ze weer open te doen, weigerde
16 II | je een gebed mompelt, om ze niet te vergeten, en ten
17 II | ten slotte stamelde hij ze alsmaar, zonder te kunnen
18 II | mensen deed afwijzen, die ze hem probeerden op te dringen
19 II | probeerden op te dringen omdat ze wisten dat hij rijk was,
20 II | weigerde zelfs hun eten, wat ze ergerde. ~Nadat hij zijn
21 II | binnen te komen. Zo bleven ze elkaar bijna een halve minuut
22 II | Ik ben Hautot junior.'~Ze schrok, werd bleek, en stamelde,
23 II | bleek, en stamelde, alsof ze hem allang kende: 'Meneer
24 II | spreken over mijn vader.'~Ze zei: 'O mijn God!' en ging
25 II | Gaat u zitten,' sprak ze.~Hij ging zitten... Zij
26 II | de opening van de jacht.'~Ze was zo getroffen dat ze
27 II | Ze was zo getroffen dat ze roerloos bleef zitten. Na
28 II | ogenblikken van stilte mompelde ze met vrijwel onhoorbare stem: '
29 II | bedekte haar gezicht terwijl ze begon te snikken. ~Toen
30 II | Na een lange stilte, want ze begon weer te huilen, vervolgde
31 II | wij het hierover hebben?' ~Ze riep uit: 'O nee, gaat u
32 II | Ik ook,' zei Cesar.~En ze spraken niet verder.~Maar
33 III| hij aan juffrouw Donet. Ze was hem bevallen. Hij had
34 III| beetje vermagerd, wat bleker. Ze had vast vreselijk zitten
35 III| vreselijk zitten huilen. Nu deed ze gegeneerd tegenover hem,
36 III| gegeneerd tegenover hem, alsof ze had begrepen wat ze de vorige
37 III| alsof ze had begrepen wat ze de vorige week nog niet
38 III| met treffende zorgen alsof ze hem in aandacht en in toewijding
39 III| was te veel, veel te veel. Ze verdiende genoeg om te leven,
40 III| verdiende genoeg om te leven, ze wilde alleen dat Emile wat
41 III| koffie had genomen vroeg ze: 'Rookt u?'~'Ja... ik heb
42 III| net verontschuldigen toen ze hem een pijp van zijn vader
43 III| heb kunnen aantreffen.'~Ze bleef voor hem staan, blozend,
44 III| blozend, zeer getroffen, en ze bekeek hem terwijl ze aan
45 III| en ze bekeek hem terwijl ze aan die ander dacht.~'Zien
46 III| niet meer terug?' vroeg ze.~Hij antwoordde eenvoudigweg: '
|