Part
1 I | de honden, vastgebonden aan de appelaars op de hof,
2 I | stampvoetend om hun schoeisel goed aan te krijgen dat nogal hard
3 I | De honden kwamen overeind aan het eind van hun lijnen
4 I | elkaar lopen, vader Hautot aan de rechterkant, zoon Hautot
5 I | rechterkant, zoon Hautot aan de linkerkant, en de beide
6 I | rennen, sprong, bleef hangen aan bramen die hem hinderden
7 I | notaris zette zijn handen aan zijn mond en riep: 'Heb
8 I | Godverdikkeme, ik ga d'r aan!' ~De dokter hield zijn
9 I | Hautot antwoordde: 'Ik ga d'r aan! Mijn buik is naar de haaien!
10 I | schuldig, maar iets wat zoden aan de dijk zet, zodat ze haar
11 I | Vaarwel. Ik ga de pijp aan Maarten geven, dat weet
12 I | ook maar door een teken aan te geven dat hij nog bij
13 II | verder door moest komen. ~Tot aan de avond echter liep hij
14 II | dat hij, om te gehoorzamen aan de laatste wil van zijn
15 II | zonder te kunnen ophouden of aan wat dan ook te denken, zozeer
16 II | hoge zijden op het hoofd, aan zijn benen zijn broek met
17 II | het ongeluk, wat hem weer aan het huilen bracht en alle
18 II | had hij als een automaat aan de wil van de overledene
19 II | zei: 'O mijn God!' en ging aan de kant zodat hij binnen
20 II | zijn blikken gekluisterd aan de tafel die midden in de
21 II | Hautot. Hij keek op en zag aan de muur, zijn portret, de
22 II | meneer Cesar?'~Hij keek haar aan. Bezorgdheid had haar doen
23 II | vandaag. Mijn hart ligt aan duigen... Een andere keer,
24 III| herfst, verwachtte nog steeds aan de rand van een vlakte de
25 III| buren, vertelde het ongeluk aan allen die het nog niet hadden
26 III| voortgaan. ~Vaak dacht hij aan juffrouw Donet. Ze was hem
27 III| vastbesloten de zaken ruimharig aan te pakken en haar tweeduizend
28 III| hinderde hem het denkbeeld aan die broer, dat mannetje
29 III| aannemen of niet, maar dat hem aan zijn vader deed denken. ~
30 III| kast lag. Hij pakte haar aan, herkende haar, rook eraan,
31 III| haar met tabak en stak haar aan. Toen zette hij Emile schrijlings
32 III| ze bekeek hem terwijl ze aan die ander dacht.~'Zien we
|