Part
1 I | landkaarten, vroeg: 'En haas... is er ook haas?...' ~Vader
2 I | kom gauw! Kom gauw! D'r is 'n ongelok gebeurd.' ~Allen
3 I | een paar dagen rust, 't is niks.'~Hautot antwoordde: '
4 I | Ik ga d'r aan! Mijn buik is naar de haaien! Ik voel
5 I | Hou op met janken, het is nu niet het moment. Ik moet
6 I | daar zitten, vlakbij, het is zo gebeurd, dan heb ik tenminste
7 I | om te winden. Bovendien is dit niet raadselachtiger
8 I | moeder zeven jaar geleden is gestorven nietwaar, en dat
9 I | dat klopt.'~'Jouw moeder is dus al zeven jaar dood,
10 I | moet het begrijpen. Een man is niet geschapen om alleen
11 I | dat heel aardig voor mij is geweest, liefhebbend, toegewijd,
12 I | je dat het een brave meid is, maar echt een brave, en
13 I | soort dingen niet... dat is veel te lastig voor de wettige
14 I | van. Als ik rijk ben, dan is dat omdat ik het van mijn
15 I | Luister... Door de week is ze niet thuis. Ze werkt
16 I | dag verwacht ze me. Dat is mijn dag, al zes jaar. Arm
17 I | behalve als het noodzakelijk is. Dus, geen vreemden in het
18 I | niemand die geen familie is, want familie, dat is allen
19 I | familie is, want familie, dat is allen voor ŽŽn. Dat begrijp
20 I | je niet meer vertellen. Is dat gezworen?'~'Ja vader.'~'
21 I | gezworen?'~'Ja vader.'~'Dat is goed, mijn zoon. Omhels
22 II | moed.~'Wel, mamzel, papa is zondag gestorven, bij de
23 II | zei hij, 'het ongeluk is zondagochtend gebeurd, tegen
24 II | bewoordingen: 'Het ongeluk is zondagochtend gebeurd, tegen
25 II | luistert u goed... dan is dat niet voor mij... nee,
26 II | nee, ik zweer het u. Dan is het voor de kleine. Dat
27 II | en stamelde: 'Dus... die is van hem... die kleine?'~'
28 II | mompelde: 'Arm kind, nu is hij wees.'~'Ik ook,' zei
29 III| dat sla ik niet af.'~'Dat is dan afgesproken, meneer
|