1878-paard | paars-zwier
bold = Main text
Part grey = Comment text
1 II(1)| Wereldtentoonstelling van 1878.~
2 III | een pijp van zijn vader aanbood, die in de kast lag. Hij
3 III | treffende zorgen alsof ze hem in aandacht en in toewijding de gunsten
4 I | vorige week nog in Rouaan aangeschaft. ~'Wel, ginder, bij de lage
5 II | ook Cesar te huilen, en aangezien tranen altijd de vezels
6 III | van een familiale en diepe aanhankelijkheid. ~En nu was Cesar alleen.
7 II | hem met stomverbaasde ogen aankeek. ~Hij wist niet wat hij
8 II | bijna een halve minuut staan aankijken. Ten slotte vroeg zij: '
9 II | meteen uittrekt zodra je aankomt, zodra je van de wagen bent
10 II | niet vandaag... Als ik het aanneem, luistert u goed... dan
11 III | hij naar eigen inzicht kon aannemen of niet, maar dat hem aan
12 II | ogen. Daarop, vanwege de aanstekelijkheid ervan, begon ook Cesar te
13 II | dat adres een ontelbaar aantal keren zachtjes herhaald,
14 II | blauwe boezeroen willen aantrekken die in de wind opbolt, die
15 I | maar een vrouwtje dat heel aardig voor mij is geweest, liefhebbend,
16 II | tweede straat rechts. ~Daarop aarzelde hij. Tot op dat moment had
17 II | die nog in ons sluimert, achter in onze gevoelens weggestopt
18 II | moeder kwam weer wat op adem en mompelde: 'Arm kind,
19 I | kleine netwerken van paarse aderen zichtbaar waren, zoals zijriviertjes
20 II | Hij had die naam en dat adres een ontelbaar aantal keren
21 I | schot door de schok was afgegaan en zijn darmen had stukgeschoten.
22 II | volgde. ~Toen het verhaal afgelopen was herhaalde zoon Hautot: '
23 III | ik niet af.'~'Dat is dan afgesproken, meneer Cesar, volgende
24 II | Nadat hij zijn hoed had afgestoft, zijn overjas geborsteld
25 I | hij moeten biechten bij de afgevaardigde van God, omdat hij al had
26 II | leven, de instinctmatige afkeer van hen, die iedere man
27 III | rijden terwijl zij de tafel afruimde en de vuile vaat onder in
28 I | wildreservaat. ~De jagers gingen op afstand van elkaar lopen, vader
29 II | wakker werd dat hij zich afvroeg hoe hij het leven verder
30 II | diensten van die mensen deed afwijzen, die ze hem probeerden op
31 III | schaduw, hem gevolgd naar de akkers, naar de velden, de uitvoering
32 II | en stamelde, alsof ze hem allang kende: 'Meneer Cesar?'~'
33 I | ik jou tegen het eind dit allemaal zou vertellen en je dan
34 II | ten slotte stamelde hij ze alsmaar, zonder te kunnen ophouden
35 I | hapje en dronken een glas alvorens op jacht te gaan, want het
36 II | De nacht daarop sliep hij amper en hij voelde zich zo verdrietig
37 I | kinderen. In de grote eetzaal annex keuken aten vader Hautot,
38 I | open te doen, weigerde te antwoorden, weigerde om ook maar door
39 III | was geweest. ~Toen hij het appartement van juffrouw Donet betrad,
40 I | honden, vastgebonden aan de appelaars op de hof, bij het zien
41 I | warmbloedige, donkere man, die appelkarren op hun schouders nemen.
42 II | zitten, tegenover haar, at een schotel pens die hing
43 II | dat moment had hij als een automaat aan de wil van de overledene
44 III | eten altijd weer terug. De avonden brachten zij gezamenlijk
45 II | omhelsde plichtmatig de baas, de bazin en hun vijf zonen,
46 I | uit de hoeken, bekeken de bascule, stampvoetend om hun schoeisel
47 II | plichtmatig de baas, de bazin en hun vijf zonen, want
48 I | bij mevrouw Moreau, Rue Beauvoisine. Ga er donderdag heen. Die
49 II | slaapkamer in Ainville boven het bed hing. ~De jonge vrouw herhaalde: '
50 I | zijriviertjes en slingerende beddingen van rivieren op landkaarten,
51 II | hief zij haar handen op en bedekte haar gezicht terwijl ze
52 I | bovendien familie was? ~Hij werd bediend, gezuiverd, geabsolveerd,
53 II(1)| Bedoeld wordt de Wereldtentoonstelling
54 III | Emile schrijlings op zijn been en liet hem paardje rijden
55 I | de Puysatier.'~'En waar beginnen we?' vroeg de notaris, een
56 II | II~Dinsdag werd hij begraven, de jacht was zondag geopend.
57 II | begon te brullen. Vervolgens begreep hij dat het plotseling verdriet
58 III | tegenover hem, alsof ze had begrepen wat ze de vorige week nog
59 III | van het ongeluk, en zij behandelde hem nu met overdreven omzichtigheid,
60 I | hun geweren uit de hoeken, bekeken de bascule, stampvoetend
61 II | stond, zag een donkere trap, beklom drie verdiepingen, ontdekte
62 II | Het geklingel dat uit het belendende vertrek opklonk deed hem
63 I | begrijp je?' ~'Ja vader.'~'Je belooft het?'~'Ja vader.'~'Je zweert
64 II | dat kan ik helaas niet beloven.'~'Ik wil maar zeggen, je
65 II | zijden op het hoofd, aan zijn benen zijn broek met voetbanden
66 II | hij er met een, zijn hele beperkte eerlijkheid van boer, dat
67 II | wiens voorhoofd in het bereik van zijn mond was, en kuste
68 II | zag, vertrouwend op het beroepsgeheim van geestelijken.~Hij hoefde
69 II | wind opbolt, die het goed beschermt tegen het stof van de weg
70 I | en met haar was getrouwd, beslist... luister... luister...
71 I | hij, 'het ziet er niet zo best uit.' ~Maar toen het verband
72 I | naar de lage gronden. Die bestonden uit een valleitje, of liever
73 I | de haverklap de trekker betast. ~Plotseling klonk het,
74 II | wil maar zeggen, je praat beter als je eet. Dan hebt u ook
75 III | appartement van juffrouw Donet betrad, zag hij de tafel gedekt
76 II | donderdag vrij.' ~'Wat mij betreft dan, volgende donderdag.'~'
77 I | hinderden en verdween op zijn beurt in de geul, op zoek naar
78 III | juffrouw Donet. Ze was hem bevallen. Hij had haar netjes gevonden,
79 II | kleine af, die zijn kin bevuild had met saus.~En toen hij
80 II | die vrouw die zijn vader beweende en dat kind dat zijn moeder
81 I | personeel, zonder dat een enkele beweging van zijn gezicht verried
82 I | zoon, overal blij mee, vol bewondering, eerbied en ontzag voor
83 I | het verband was gelegd, bewoog de gewonde zijn vingers,
84 II | Hij begon in dezelfde bewoordingen: 'Het ongeluk is zondagochtend
85 I | zijn zij gevallen en buiten bewustzijn, met beide handen op zijn
86 I | trots op alles wat hij bezat, sneed op voorhand op over
87 II | zijn tong en zijn geest bezeten door die paar woorden. ~
88 III | hem een beetje, maar het bezielde hem tegelijkertijd. Het
89 III | Toen hij vervolgens geen bezigheden en geen gedachten meer had,
90 II | Cesar?'~Hij keek haar aan. Bezorgdheid had haar doen verbleken,
91 III | tweeduizend frank rente te bezorgen, waarbij het kapitaal dan
92 I | sterven. Waarom zou hij moeten biechten bij de afgevaardigde van
93 I | priester. ~Toen de dokter binnenkwam, schudde hij ernstig met
94 I | tegenwoordig herenboeren wonen, blaften en jankten de honden, vastgebonden
95 II | over dat goede pak niet de blauwe boezeroen willen aantrekken
96 II | junior.'~Ze schrok, werd bleek, en stamelde, alsof ze hem
97 I | levensgenieter van een mollige en bleke notaris, ook met een buikje,
98 III | een beetje vermagerd, wat bleker. Ze had vast vreselijk zitten
99 I | met troebele, verwilderde blik om zich heen, leek toen
100 II | deed hem zich schamen en blozen. ~Maar hij dacht: Ik heb
101 III | Ze bleef voor hem staan, blozend, zeer getroffen, en ze bekeek
102 I | deur van het huis, half boerderij, half buitenplaats, zo'n
103 II | slaan, onder vermelding, met boerenprecisie, van alle kleinigheden.
104 II | goede pak niet de blauwe boezeroen willen aantrekken die in
105 II | halt bij het H(tm)tel des Bons-Enfants in de Rue des Trois-Mares,
106 II | van het hart verzachten, boog hij zich voorover naar Emile,
107 I | een oude, magere, knokige boom van een vent, bij wie alle
108 II | het vuur toe staan, het bord, het servet, de glazen,
109 II | de slaapkamer in Ainville boven het bed hing. ~De jonge
110 II | hem weer aan het huilen bracht en alle diensten van die
111 III | altijd weer terug. De avonden brachten zij gezamenlijk door, pijp
112 II | moeder huilen, en begon te brullen. Vervolgens begreep hij
113 II | tegenover een heel goed geklede brunette met een frisse teint, die
114 III | vuile vaat onder in het buffet wegborg om die te wassen
115 I | bleke notaris, ook met een buikje, en gehesen in een spiksplinternieuw
116 I | op zijn zij gevallen en buiten bewustzijn, met beide handen
117 I | huis, half boerderij, half buitenplaats, zo'n gemengde plattelandsbouw,
118 III | te doden ging hij naar de buren, vertelde het ongeluk aan
119 III | stuk, en voegde zelfs een cadeau van duizend frank voor haar
120 II | wat hij had geleerd vanaf catechismus over de schepsels van het
121 II | kamer gedekt stond, met drie couverts, waarvan ŽŽn voor het kind.
122 I | vertrok met rustige pas en daalde af in de geul, op zoek naar
123 III | gedekt zoals die donderdag daarvoor, met het enige verschil
124 I | welnee, gewoon een paar dagen rust, 't is niks.'~Hautot
125 II | hebben. U eet wel wat mee.'~'Dank u,' zei hij, 'ik heb geen
126 I | Vader Hautot stond op. Allen deden als hij, pakten hun geweren
127 II | zij luisterde, zonder een detail over te slaan, onder vermelding,
128 II | dat hij met al diezelfde details nog maar eens vertelde. ~
129 I | tweede schot.~'Ha ha, die deugniet,' riep Bermont, 'hij heeft
130 I | in een geul vallen, onder dicht struikgewas. De opgewonden
131 III | zijn vader geleefd, als diens schaduw, hem gevolgd naar
132 II | het huilen bracht en alle diensten van die mensen deed afwijzen,
133 II | gehoorzaamd. Nu voelde hij zich diep getroffen, verward, vernederd
134 III | uitwisseling van een familiale en diepe aanhankelijkheid. ~En nu
135 II | ongeluk, dat hij met al diezelfde details nog maar eens vertelde. ~
136 II | uit alle macht tegen zijn dij. En Cesar bleef ontsteld
137 I | maar iets wat zoden aan de dijk zet, zodat ze haar schaapjes
138 I | belastingontvanger, een dikkertje op wiens ronde wangen kleine
139 II | II~Dinsdag werd hij begraven, de jacht
140 I | geweer had losgelaten om de dode patrijs te pakken, die voor
141 III | zullen zien. Om de tijd te doden ging hij naar de buren,
142 I | ik hoef er bij jou geen doekjes meer om te winden. Bovendien
143 I | Allen renden naderbij en doken tussen de bramen. Vader
144 III | vader deed denken. ~Toen hij donderdagochtend dan ook op weg naar Rouaan
145 I | moeder is dus al zeven jaar dood, en ik ben weduwnaar gebleven.
146 I | vader begon te rochelen. Doodsbleek en met een vertrokken gezicht
147 I | onbebouwd was gebleven, doorkruist met geulen vol varens, een
148 II | ellende moeten wij gewoon doorleven, u mag mij dit niet weigeren.
149 II | die iedere man in zich draagt, zelfs al trouwt hij er
150 II | begon te snikken. ~Toen draaide het jochie zijn hoofd om,
151 I | De jachtopziener en de dragers van de weizakken volgden.
152 III | daar had, in die onwettige dreumes die zich nooit Hautot zou
153 II | ze hem probeerden op te dringen omdat ze wisten dat hij
154 I | Ja vader.'~'Ik verzoek je dringend, ik smeek je, zoon, vergeet
155 II | Ainville naar Rouaan. Hij droeg zijn zwarte overjas, had
156 I | het ging hadden verbonden, droegen ze hem naar huis en wachtten
157 I | ze haar schaapjes op het droge heeft. Je begrijpt het?' ~'
158 II | spetteren in de oven en dronk een glas rode wijn. Maar
159 I | notaris Mondaru een hapje en dronken een glas alvorens op jacht
160 I | die op vreselijk lijden duidden.~
161 II | vandaag. Mijn hart ligt aan duigen... Een andere keer, een
162 II | Zij vroeg: 'Wel?'~Hij durfde niet meer te praten, hield
163 II | bij wie dan ook navraag te durven doen, uit angst te worden
164 II | moet ik nakomen. Daarop duwde hij de op een kier staande
165 I | liefhebbend, toegewijd, een echte vrouw, kortom. Kun je het
166 II | komen. ~Tot aan de avond echter liep hij erover na te denken
167 II | gebracht, huilde Cesar Hautot, eenmaal thuisgekomen, de rest van
168 III | vroeg ze.~Hij antwoordde eenvoudigweg: 'Maar natuurlijk wel, mamzel,
169 I | blij mee, vol bewondering, eerbied en ontzag voor de wil en
170 II | een, zijn hele beperkte eerlijkheid van boer, dat alles roerde
171 I | door kinderen. In de grote eetzaal annex keuken aten vader
172 II | gevoelens weggestopt door eeuwen onderwijs van generatie
173 III | een gezin dat hij naar eigen inzicht kon aannemen of
174 II | voelde zich overstelpt door emotie, tranen van verdriet welden
175 I | genomen, in de Rue de l'Éperlan, nummer 18, op de derde
176 I | boer, half heer, rijk, ge'erbiedigd, van invloed en gezag, had
177 I | te lastig voor de wettige erfgenamen... en verder stuurt het
178 II | weten... als u het niet erg vindt het opnieuw te vertellen?' ~
179 II | weigerde zelfs hun eten, wat ze ergerde. ~Nadat hij zijn hoed had
180 I | binnenkwam, schudde hij ernstig met zijn hoofd en wendde
181 I | vergeet het niet. Ik sta erop.'~'Nee vader.'~'Je gaat
182 II | de avond echter liep hij erover na te denken dat hij, om
183 II | vanwege de aanstekelijkheid ervan, begon ook Cesar te huilen,
184 I | niet en tegen de pastoor evenmin. Het gebeurt, dat weet iedereen,
185 III | de uitwisseling van een familiale en diepe aanhankelijkheid. ~
186 II | welden op, en om zich een figuur te geven, begon hij te praten. ~'
187 II | nam met haar vrouwelijke fijngevoeligheid alle gebeurtenissen in zich
188 II | zijn portret, de grote foto die in Parijs was gemaakt
189 II | geklede brunette met een frisse teint, die hem met stomverbaasde
190 II | En door de natuurlijke gang van zijn gedachten, niet
191 II | Toen hij zei: 'Hij had een gat in zijn buik, je kon er
192 I | in de geul, op zoek naar gaten waar hij zijn voet kon zetten,
193 III | die zij elkaar 's morgens gaven, leek de uitwisseling van
194 I | Half boer, half heer, rijk, ge'erbiedigd, van invloed en
195 I | werd bediend, gezuiverd, geabsolveerd, temidden van zijn vrienden
196 III | van een vlakte de hoge, gebarende gestalte van zijn vader
197 II | zachtjes herhaald, zoals je een gebed mompelt, om ze niet te vergeten,
198 I | de pastoor evenmin. Het gebeurt, dat weet iedereen, maar
199 II | vrouwelijke fijngevoeligheid alle gebeurtenissen in zich op die hij verhaalde,
200 I | van God, omdat hij al had gebiecht bij zijn zoon, die bovendien
201 II | afgestoft, zijn overjas geborsteld en zijn schoenen opgewreven,
202 II | naar het kerkhof te hebben gebracht, huilde Cesar Hautot, eenmaal
203 I | verleiden, maak er nooit gebruik van. Als ik rijk ben, dan
204 I | het van mijn leven niet gebruikt heb. Begrijp je het, mijn
205 I | maken... dat heb ik niet gedaan! Dat heb ik niet gewild...
206 III | een zeker genoegen bij de gedachte dat hij haar de volgende
207 I | het zien van de weitassen, gedragen door de jachtopziener en
208 II | werden zijn tong en zijn geest bezeten door die paar woorden. ~
209 II | op het beroepsgeheim van geestelijken.~Hij hoefde geen honderd
210 II | de hele ochtend nog niet gegeten, meneer Cesar?'~'Nee, mamzel.'~'
211 II | juffrouw Donet een hand gegeven.~
212 I | Dus, geen vreemden in het geheim, niemand die geen familie
213 I | ook met een buikje, en gehesen in een spiksplinternieuw
214 I | heen, leek toen in zijn geheugen te zoeken, zich iets te
215 III | die het nog niet hadden gehoord, en herhaalde het nog een
216 II | de wil van de overledene gehoorzaamd. Nu voelde hij zich diep
217 II | arme vrouwenhart van Hautot gehouden had. ~En door de natuurlijke
218 II | die meende dat zij was gekalmeerd, was opgehouden met Cesar
219 II | tegenover een heel goed geklede brunette met een frisse
220 II | schellekoord en trok eraan. ~Het geklingel dat uit het belendende vertrek
221 II | praten, hield zijn blikken gekluisterd aan de tafel die midden
222 II | honger, ik word te zeer gekweld.'~Zij antwoordde: 'Ondanks
223 I | dat je moeder zeven jaar geleden is gestorven nietwaar, en
224 III | had hij naast zijn vader geleefd, als diens schaduw, hem
225 II | generatie, alles wat hij had geleerd vanaf catechismus over de
226 I | Maar toen het verband was gelegd, bewoog de gewonde zijn
227 I | half buitenplaats, zo'n gemengde plattelandsbouw, bijna een
228 II | begraven, de jacht was zondag geopend. Na zijn vader naar het
229 I | bleven wachten, de blikken gericht op die hoop takken waardoorheen
230 I | begrijpen. Een man is niet geschapen om alleen te leven, maar
231 I | schot! Vader Hautot had geschoten. Allen bleven staan en zagen
232 II | zijn naam worden gezet.' ~Geschrokken raadde Cesar het daarop
233 I | de stervende had de ogen gesloten, en weigerde ze weer open
234 II | zodra je van de wagen bent gesprongen. ~Hij reed Rouaan binnen
235 III | vlakte de hoge, gebarende gestalte van zijn vader te zullen
236 I | stukgeschoten. Hij werd uit de geul getrokken, ontkleed, en zij zagen
237 I | gebleven, doorkruist met geulen vol varens, een uitstekend
238 II | een fornuis waarvan een geur van warmgehouden gerechten
239 I | Vader Hautot was op zijn zij gevallen en buiten bewustzijn, met
240 III | vorige week nog niet had gevoeld onder de eerste schok van
241 II | sluimert, achter in onze gevoelens weggestopt door eeuwen onderwijs
242 III | als diens schaduw, hem gevolgd naar de akkers, naar de
243 III | bevallen. Hij had haar netjes gevonden, een lieve, brave meid,
244 I | gras liepen. Toen hij zijn geweer had losgelaten om de dode
245 I | deden als hij, pakten hun geweren uit de hoeken, bekeken de
246 I | gedaan! Dat heb ik niet gewild... want je moet de dingen
247 I | verband was gelegd, bewoog de gewonde zijn vingers, deed zijn
248 I | we alle drie samen hebben gewoond, dat ik haar dan mee hier
249 I | van een vent, bij wie alle gewrichten uitstaken, vertrok met rustige
250 I | erbiedigd, van invloed en gezag, had hij zijn zoon, Cesar
251 III | De avonden brachten zij gezamenlijk door, pijp rokend tegenover
252 III | brave meid, zoals zijn vader gezegd had. Ja, als je het hebt
253 I | niet in dit huis hadden gezeten, waarin we alle drie samen
254 II | broek met voetbanden en gezien de omstandigheden had hij
255 III | ben blij dat ik u in goede gezondheid heb kunnen aantreffen.'~
256 I | was? ~Hij werd bediend, gezuiverd, geabsolveerd, temidden
257 I | niet meer vertellen. Is dat gezworen?'~'Ja vader.'~'Dat is goed,
258 I | Rouaan aangeschaft. ~'Wel, ginder, bij de lage gronden. Dan
259 II | het bord, het servet, de glazen, de fles rode wijn ontkurkt
260 I | valleitje, of liever een grote glooiing in het terrein, met grond
261 I | en daarop mompelde hij: 'Godverdikkeme, ik ga d'r aan!' ~De dokter
262 I | stroompjes bloed op het gras liepen. Toen hij zijn geweer
263 II | en wierp zich op Cesar, greep met een handje zijn broek
264 II | zichzelf. Zij luisterde gretig, nam met haar vrouwelijke
265 I | dat richt iedereen te gronde! Zie je, verzegeld papier,
266 III | geld zou hebben als hij groot zou worden. Cesar hield
267 II | verhaalde, schrok soms op van gruwel en zei dan: 'O mijn God!'
268 III | aandacht en in toewijding de gunsten die hij voor haar in petto
269 II | als altijd halt bij het H(tm)tel des Bons-Enfants
270 I | aan! Mijn buik is naar de haaien! Ik voel het wel.'~En plotseling: '
271 I | waaruit, door zijn door de hagel verscheurde linnen jas heen,
272 I | dokter die ze hadden laten halen, samen met een priester. ~
273 II | sloeg, hield als altijd halt bij het H(tm)tel des Bons-Enfants
274 II | bleven ze elkaar bijna een halve minuut staan aankijken.
275 III | koeien of schapen, en de handdruk die zij elkaar 's morgens
276 II | op Cesar, greep met een handje zijn broek en met het andere
277 I | te rennen, sprong, bleef hangen aan bramen die hem hinderden
278 I | Bermont en notaris Mondaru een hapje en dronken een glas alvorens
279 I | aan te krijgen dat nogal hard was, nog niet versoepeld
280 I | vinger zenuwachtig om de haverklap de trekker betast. ~Plotseling
281 II | donderdag.'~'U komt weer eten, hè?'~'Ach, dat kan ik helaas
282 I | goed hart, je bent niet hebzuchtig, niet vrekkig, kortom. Ik
283 I | plattelandsbouw, bijna een heerlijkheid, en waarin tegenwoordig
284 II | eten, hè?'~'Ach, dat kan ik helaas niet beloven.'~'Ik wil maar
285 III | tegenzin op, want hij voelde helemaal geen lust om weg te gaan.~'
286 I | jachtopziener en zei: 'Ga hem eens helpen, Jozef. Wij moeten lijn
287 II | instinctmatige afkeer van hen, die iedere man in zich
288 I | en waarin tegenwoordig herenboeren wonen, blaften en jankten
289 III | de werkzaamheden van de herfst, verwachtte nog steeds aan
290 II | ontelbaar aantal keren zachtjes herhaald, zoals je een gebed mompelt,
291 I | te zoeken, zich iets te herinneren, te begrijpen, en daarop
292 II | doen, uit angst te worden herkend en vermoedens te wekken. ~
293 I | van hun lijnen en jankten hevig terwijl ze met de voorpoten
294 II | er tranen in haar ogen, hief zij haar handen op en bedekte
295 II | Wanneer wilt u dat wij het hierover hebben?' ~Ze riep uit: '
296 III | haar te regelen. En verder hinderde hem het denkbeeld aan die
297 I | hangen aan bramen die hem hinderden en verdween op zijn beurt
298 II | werd dat hij zich afvroeg hoe hij het leven verder door
299 II | ergerde. ~Nadat hij zijn hoed had afgestoft, zijn overjas
300 II | beroepsgeheim van geestelijken.~Hij hoefde geen honderd stappen meer
301 I | mijn nagedachtenis niet hoeft te beklagen - jij hebt de
302 I | pakten hun geweren uit de hoeken, bekeken de bascule, stampvoetend
303 II | zien, waaraan hij zonder te hoeven nadenken merkte dat zij
304 I | vastgebonden aan de appelaars op de hof, bij het zien van de weitassen,
305 II | zonen, want zij waren op de hoogte van het trieste nieuws,
306 I | de blikken gericht op die hoop takken waardoorheen niets
307 II | van haar had gesproken, hoorde zij haar naam, keek op en
308 I | sprak met vastberaden stem: 'Hou op met janken, het is nu
309 I | Jozef. Wij moeten lijn houden, we wachten wel.' ~En Jozef,
310 II | kerkhof te hebben gebracht, huilde Cesar Hautot, eenmaal thuisgekomen,
311 II | het praktisch instinct van huisvrouw, gewend voor alles te zorgen,
312 I | I~Voor de deur van het huis,
313 II | instinctmatige afkeer van hen, die iedere man in zich draagt, zelfs
314 II | II~Dinsdag werd hij begraven,
315 III | III~De week leek Cesar Hautot
316 II | ontwaakte het praktisch instinct van huisvrouw, gewend voor
317 II | van het slechte leven, de instinctmatige afkeer van hen, die iedere
318 II | dingen over zijn vader, intieme dingen waaraan je kon zien,
319 I | rijk, ge'erbiedigd, van invloed en gezag, had hij zijn zoon,
320 III | gezin dat hij naar eigen inzicht kon aannemen of niet, maar
321 III | hij alleen geweest en het isolement leek hem bijna onverdraaglijk.
322 I | in een spiksplinternieuw jachtkostuum, vorige week nog in Rouaan
323 I | bij de lage gronden. Dan jagen we de patrijs naar de vlakte,
324 I | struikgewas. De opgewonden jager begon te rennen, sprong,
325 I | uitstekend wildreservaat. ~De jagers gingen op afstand van elkaar
326 I | vastberaden stem: 'Hou op met janken, het is nu niet het moment.
327 I | hagel verscheurde linnen jas heen, lange stroompjes bloed
328 I | herhaalde als een klein joch: 'Papa, papa, arme papa!'~
329 I | stamelde: 'Ja, dat klopt.'~'Jouw moeder is dus al zeven jaar
330 I | heb ik tenminste rust. En jullie daar, ŽŽn moment graag.' ~
331 II | mompelde: 'Ik ben Hautot junior.'~Ze schrok, werd bleek,
332 II | de tafel die midden in de kamer gedekt stond, met drie couverts,
333 III | te bezorgen, waarbij het kapitaal dan vastgelegd zou worden
334 III | vader aanbood, die in de kast lag. Hij pakte haar aan,
335 II | een jaar of vijf met een kat zitten spelen, op de grond
336 III | wel met een prop in zijn keel, zitten. Juffrouw Donet
337 II | stamelde, alsof ze hem allang kende: 'Meneer Cesar?'~'Ja...'~'
338 II | adres een ontelbaar aantal keren zachtjes herhaald, zoals
339 II | Na zijn vader naar het kerkhof te hebben gebracht, huilde
340 I | In de grote eetzaal annex keuken aten vader Hautot, zoon
341 II | Daarop duwde hij de op een kier staande deur open van het
342 II | van de kleine af, die zijn kin bevuild had met saus.~En
343 I | de jachtopziener en door kinderen. In de grote eetzaal annex
344 I | Cesar Hautot, tot de derde klas middelbaar laten schoolgaan,
345 I | zichzelf en herhaalde als een klein joch: 'Papa, papa, arme
346 II | boerenprecisie, van alle kleinigheden. En de kleine bleef maar
347 I | mijn dag, al zes jaar. Arm kleintje, wat zal ze huilen!... Ik
348 II | sudderen, nam Emile op haar knie'n, en vroeg Cesar duizend
349 I | van zijn vrienden en zijn knielende personeel, zonder dat een
350 I | Jozef, een oude, magere, knokige boom van een vent, bij wie
351 III | elkaar, pratend over paarden, koeien of schapen, en de handdruk
352 III | haar rouw. ~Toen hij zijn koffie had genomen vroeg ze: 'Rookt
353 I | een grote Normandi'r, zo'n krachtige, warmbloedige, donkere man,
354 II | slaakte zij een soort kreet, en de tranen sprongen weer
355 I | Hautot omhelsde zijn vader kreunend, maar vervolgens, nog altijd
356 I | hun schoeisel goed aan te krijgen dat nogal hard was, nog
357 I | een echte vrouw, kortom. Kun je het volgen, beste jongen?' ~'
358 I | jij hebt de middelen - je kunt het... ik laat je genoeg
359 I | Toen ze hem zo goed en zo kwaad als het ging hadden verbonden,
360 II | en vroeg: 'Neem me niet kwalijk, ik volgde u niet, maar
361 I | beddingen van rivieren op landkaarten, vroeg: 'En haas... is er
362 II | bovendien zult u dan nog wat langer blijven. Als u weg bent,
363 III | gedachten meer had, ging hij langs een weg zitten en vroeg
364 II | bleef bij zaken stilstaan, laste pauzes in, gaf af en toe
365 I | dingen niet... dat is veel te lastig voor de wettige erfgenamen...
366 I | gezicht verried dat hij nog leefde. ~Hij stierf tegen middernacht,
367 I | schoolgaan, om hem iets te leren, en had hij daar een streep
368 I | vroeg de notaris, een levensgenieter van een mollige en bleke
369 III | voelde hij zich een stuk lichter van hart, uitgeruster dan
370 I | aardig voor mij is geweest, liefhebbend, toegewijd, een echte vrouw,
371 II | Tot aan de avond echter liep hij erover na te denken
372 I | stroompjes bloed op het gras liepen. Toen hij zijn geweer had
373 III | schrijlings op zijn been en liet hem paardje rijden terwijl
374 I | gingen het vertrek uit en lieten de zoon alleen met de vader.~
375 III | haar netjes gevonden, een lieve, brave meid, zoals zijn
376 I | bestonden uit een valleitje, of liever een grote glooiing in het
377 II | niet vandaag. Mijn hart ligt aan duigen... Een andere
378 I | schokken die op vreselijk lijden duidden.~
379 I | helpen, Jozef. Wij moeten lijn houden, we wachten wel.' ~
380 I | overeind aan het eind van hun lijnen en jankten hevig terwijl
381 I | rechterkant, zoon Hautot aan de linkerkant, en de beide genodigden
382 I | door de hagel verscheurde linnen jas heen, lange stroompjes
383 I | Toen hij zijn geweer had losgelaten om de dode patrijs te pakken,
384 I | patrijs opvliegen, zich losmakend uit een troep die snel wegvloog,
385 I | met de voorpoten door de lucht maaiden. ~Ze gingen op weg
386 II | vandaag... Als ik het aanneem, luistert u goed... dan is dat niet
387 III | hij voelde helemaal geen lust om weg te gaan.~'Wel! Mamzel
388 I | voorpoten door de lucht maaiden. ~Ze gingen op weg naar
389 I | je er niet toe verleiden, maak er nooit gebruik van. Als
390 I | Vaarwel. Ik ga de pijp aan Maarten geven, dat weet ik zeker.
391 II | andere sloeg hij hem uit alle macht tegen zijn dij. En Cesar
392 II | wij gewoon doorleven, u mag mij dit niet weigeren. En
393 I | lang als zijn vader, maar magerder, was een goede, volgzame
394 I | wel.' ~En Jozef, een oude, magere, knokige boom van een vent,
395 II | zou komen staan, die de maîtresse van zijn vader was geweest.
396 III | denkbeeld aan die broer, dat mannetje van vijf, die de zoon van
397 III | op weg naar Rouaan was, meegevoerd door de welklinkende draf
398 II | mijn God!' De kleine, die meende dat zij was gekalmeerd,
399 II | Rouaan zou moeten, om dat meisje Caroline Donet te gaan opzoeken,
400 I | ontzag voor de wil en de mening van vader Hautot. ~Bermont,
401 II | en alle diensten van die mensen deed afwijzen, die ze hem
402 II | zonder te hoeven nadenken merkte dat zij met haar hele arme
403 I | niet thuis. Ze werkt bij mevrouw Moreau, Rue Beauvoisine.
404 I | vrekkig, kortom. Ik dacht bij mezelf dat ik jou tegen het eind
405 I | Hautot, tot de derde klas middelbaar laten schoolgaan, om hem
406 I | te beklagen - jij hebt de middelen - je kunt het... ik laat
407 I | leefde. ~Hij stierf tegen middernacht, na vier uur schokken die
408 II | ze elkaar bijna een halve minuut staan aankijken. Ten slotte
409 II | de jonge vrouw.~'U hebt misschien de hele ochtend nog niet
410 II | van angst.~Toen vatte hij moed.~'Wel, mamzel, papa is zondag
411 I | een levensgenieter van een mollige en bleke notaris, ook met
412 I | meer. Bovendien had hij momenteel vrede in zijn hart, hij
413 II | herhaald, zoals je een gebed mompelt, om ze niet te vergeten,
414 I | belastingontvanger Bermont en notaris Mondaru een hapje en dronken een
415 II | vader was geweest. Alle moraal die nog in ons sluimert,
416 I | thuis. Ze werkt bij mevrouw Moreau, Rue Beauvoisine. Ga er
417 III | handdruk die zij elkaar 's morgens gaven, leek de uitwisseling
418 II | Hij keek op en zag aan de muur, zijn portret, de grote
419 I | dat ik haar dan mee hier naartoe had genomen, en met haar
420 II | de rest van de dag. De nacht daarop sliep hij amper en
421 II | waaraan hij zonder te hoeven nadenken merkte dat zij met haar
422 I | gebeurd.' ~Allen renden naderbij en doken tussen de bramen.
423 II | genoeg geld, hij heeft mij nagelaten. Ik wil niet dat u zich
424 II | vader beloofd. Dit moet ik nakomen. Daarop duwde hij de op
425 II | gehouden had. ~En door de natuurlijke gang van zijn gedachten,
426 II | zonder bij wie dan ook navraag te durven doen, uit angst
427 III | omzichtigheid, met pijnlijke nederigheid, met treffende zorgen alsof
428 II | naam, keek op en vroeg: 'Neem me niet kwalijk, ik volgde
429 I | vijfenveertig, ik, omdat ik op mijn negentiende ben getrouwd. Dat klopt
430 III | hem bevallen. Hij had haar netjes gevonden, een lieve, brave
431 I | wiens ronde wangen kleine netwerken van paarse aderen zichtbaar
432 I | jaar geleden is gestorven nietwaar, en dat ik niet ouder ben
433 II | de hoogte van het trieste nieuws, waarna hij verslag moest
434 I | een paar dagen rust, 't is niks.'~Hautot antwoordde: 'Ik
435 III | die zich nooit Hautot zou noemen, een gezin dat hij naar
436 I | goed aan te krijgen dat nogal hard was, nog niet versoepeld
437 I | niet over, behalve als het noodzakelijk is. Dus, geen vreemden in
438 I | aantreffen. Hij was een grote Normandi'r, zo'n krachtige, warmbloedige,
439 II | op de draf van zijn zware Normandische paard over de grote weg
440 III | als dat u genoegen doet.'~'Nou en of, meneer Cesar. Dus,
441 II | U hebt misschien de hele ochtend nog niet gegeten, meneer
442 II | bleef zitten. Na enkele ogenblikken van stilte mompelde ze met
443 I | superplie, met het laatste oliesel. ~Maar de stervende had
444 I | Dat is goed, mijn zoon. Omhels me. Vaarwel. Ik ga de pijp
445 II | eens de kleine Emile had omhelsd, en juffrouw Donet een hand
446 II | voetbanden en gezien de omstandigheden had hij over dat goede pak
447 II | en de fles witte wijn nog onaangebroken. Dat was de plek van zijn
448 I | kwaliteit, die om die reden ook onbebouwd was gebleven, doorkruist
449 II | verdriet te maken had met die onbekende, en wierp zich op Cesar,
450 II | gekweld.'~Zij antwoordde: 'Ondanks de ellende moeten wij gewoon
451 II | zult hebben...' ~Maar zij onderbrak hem meteen.~'O meneer Cesar,
452 II | Hautot: 'Wij zullen nu een onderlinge regeling moeten treffen
453 II | gevoelens weggestopt door eeuwen onderwijs van generatie op generatie,
454 I | gauw! Kom gauw! D'r is 'n ongelok gebeurd.' ~Allen renden
455 II | mompelde ze met vrijwel onhoorbare stem: 'O nee, dat kan toch
456 II | Alle moraal die nog in ons sluimert, achter in onze
457 II | beklom drie verdiepingen, ontdekte een deur, toen een tweede,
458 II | die naam en dat adres een ontelbaar aantal keren zachtjes herhaald,
459 I | werd uit de geul getrokken, ontkleed, en zij zagen een vieze
460 II | glazen, de fles rode wijn ontkurkt en de fles witte wijn nog
461 III | rook eraan, verkondigde met ontroerde stem wat voor kwaliteit
462 II | verwarde, sterke en pijnlijke ontroering.~Na een lange stilte, want
463 II | zijn dij. En Cesar bleef ontsteld en vertederd zitten tussen
464 II | verder.~Maar plotseling ontwaakte het praktisch instinct van
465 I | bewondering, eerbied en ontzag voor de wil en de mening
466 III | isolement leek hem bijna onverdraaglijk. Tot dan toe had hij naast
467 III | dat hij daar had, in die onwettige dreumes die zich nooit Hautot
468 II | ons sluimert, achter in onze gevoelens weggestopt door
469 II | aantrekken die in de wind opbolt, die het goed beschermt
470 II | tegen acht uur, gaf hij opdracht Graindorge voor de tilbury
471 III | de uitvoering van zijn opdrachten overzien, en als hij hem
472 I | dingen vertel je niet in het openbaar, tegen een notaris niet
473 II | niet goed dat de witte werd opengetrokken. ~Een paar keer veegde hij
474 II | zij was gekalmeerd, was opgehouden met Cesar te slaan om de
475 I | hij heeft er vast een haas opgejaagd.'~Allen bleven wachten,
476 I | onder dicht struikgewas. De opgewonden jager begon te rennen, sprong,
477 II | geborsteld en zijn schoenen opgewreven, ging hij op zoek naar de
478 II | alsmaar, zonder te kunnen ophouden of aan wat dan ook te denken,
479 II | uit het belendende vertrek opklonk deed hem de rillingen over
480 II | u het niet erg vindt het opnieuw te vertellen?' ~Hij begon
481 II | van warmgehouden gerechten opsteeg. ~'Gaat u zitten,' sprak
482 II | had met saus.~En toen hij opstond om te vertrekken vroeg hij: '
483 I | staan en zagen een patrijs opvliegen, zich losmakend uit een
484 I | leven, maar ik wilde geen opvolgster van je moeder nemen, want
485 II | meisje Caroline Donet te gaan opzoeken, die in de Rue de l'Eperlan
486 I | wachten wel.' ~En Jozef, een oude, magere, knokige boom van
487 I | nietwaar, en dat ik niet ouder ben dan vijfenveertig, ik,
488 II | hing te spetteren in de oven en dronk een glas rode wijn.
489 I | een goede, volgzame zoon, overal blij mee, vol bewondering,
490 III | zij behandelde hem nu met overdreven omzichtigheid, met pijnlijke
491 II | regeling moeten treffen overeenkomstig zijn wens. Luister, ik heb
492 I | vertrokken zij. De honden kwamen overeind aan het eind van hun lijnen
493 II | automaat aan de wil van de overledene gehoorzaamd. Nu voelde hij
494 I | vader.'~'Wel, als ik kom te overlijden, ben ik haar wat schuldig,
495 II | verdedigde. Hij voelde zich overstelpt door emotie, tranen van
496 II | pauzes in, gaf af en toe overwegingen van zichzelf. Zij luisterde
497 III | uitvoering van zijn opdrachten overzien, en als hij hem enige tijd
498 II | zijn zware Normandische paard over de grote weg van Ainville
499 III | tegenover elkaar, pratend over paarden, koeien of schapen, en de
500 III | op zijn been en liet hem paardje rijden terwijl zij de tafel
|