II
Dinsdag werd hij
begraven, de jacht was zondag geopend. Na zijn vader naar het kerkhof te hebben gebracht, huilde Cesar Hautot, eenmaal thuisgekomen,
de rest van de dag. De nacht daarop sliep hij amper en hij voelde zich zo
verdrietig toen hij wakker werd dat hij zich afvroeg hoe hij het leven verder
door moest komen.
Tot aan de avond
echter liep hij erover na te denken dat hij, om te gehoorzamen aan de laatste
wil van zijn vader, de dag daarop naar Rouaan zou moeten, om dat meisje
Caroline Donet te gaan opzoeken, die in de Rue de l'Eperlan 18 woonde, op de
derde verdieping, tweede deur. Hij had die naam en dat adres een ontelbaar
aantal keren zachtjes herhaald, zoals je een gebed mompelt, om ze niet te
vergeten, en ten slotte stamelde hij ze alsmaar, zonder te kunnen ophouden of
aan wat dan ook te denken, zozeer werden zijn tong en zijn geest bezeten door
die paar woorden.
Dus de volgende dag,
tegen acht uur, gaf hij opdracht Graindorge voor de tilbury te
spannen en vertrok hij op de draf van zijn zware Normandische paard over de
grote weg van Ainville naar Rouaan. Hij droeg zijn zwarte overjas, had zijn
hoge zijden op het hoofd, aan zijn benen zijn broek met voetbanden en gezien de
omstandigheden had hij over dat goede pak niet de blauwe boezeroen willen
aantrekken die in de wind opbolt, die het goed beschermt tegen het stof van de
weg en de vlekken, en die je meteen uittrekt zodra je aankomt, zodra je van de
wagen bent gesprongen.
Hij reed Rouaan
binnen toen het tien uur sloeg, hield als altijd halt bij het H(tm)tel des
Bons-Enfants in de Rue des Trois-Mares, omhelsde plichtmatig de baas, de bazin
en hun vijf zonen, want zij waren op de hoogte van het trieste nieuws, waarna
hij verslag moest doen van het ongeluk, wat hem weer aan het huilen bracht en
alle diensten van die mensen deed afwijzen, die ze hem probeerden op te dringen
omdat ze wisten dat hij rijk was, en weigerde zelfs hun eten, wat ze ergerde.
Nadat hij zijn hoed
had afgestoft, zijn overjas geborsteld en zijn schoenen opgewreven, ging hij op
zoek naar de Rue de l'Eperlan, zonder bij wie dan ook navraag te durven doen, uit angst te worden herkend en vermoedens te
wekken.
Maar
omdat hij het niet vond vroeg hij het ten slotte een priester die hij zag,
vertrouwend op het beroepsgeheim van geestelijken.
Hij hoefde geen
honderd stappen meer te doen, het was toevallig de
tweede straat rechts.
Daarop
aarzelde hij. Tot op dat moment had hij als een automaat aan
de wil van de overledene gehoorzaamd. Nu voelde hij zich diep getroffen,
verward, vernederd bij het denkbeeld dat hij als zoon
tegenover die vrouw zou komen staan, die de maîtresse van zijn vader was
geweest. Alle moraal die nog in ons sluimert, achter in onze gevoelens
weggestopt door eeuwen onderwijs van generatie op generatie, alles wat hij had
geleerd vanaf catechismus over de schepsels van het slechte leven, de
instinctmatige afkeer van hen, die iedere man in zich draagt, zelfs al trouwt
hij er met een, zijn hele beperkte eerlijkheid van boer, dat alles roerde zich
in hem, hield hem tegen, deed hem zich schamen en blozen.
Maar hij dacht: Ik
heb het vader beloofd. Dit moet ik nakomen. Daarop
duwde hij de op een kier staande deur open van het huis waarop nummer 18 stond,
zag een donkere trap, beklom drie verdiepingen, ontdekte een deur, toen een
tweede, vond het schellekoord en trok eraan.
Het geklingel dat uit
het belendende vertrek opklonk deed hem de rillingen over de rug lopen. De deur
ging open en hij stond tegenover een heel goed geklede brunette met een frisse
teint, die hem met stomverbaasde ogen aankeek.
Hij wist niet wat hij
haar moest zeggen, en zij, niets vermoedend, verwachtte een ander,
en vroeg hem niet binnen te komen. Zo bleven ze elkaar bijna een halve minuut
staan aankijken. Ten slotte vroeg zij: 'Wat wenst u, meneer?'
Hij mompelde: 'Ik ben
Hautot junior.'
Ze schrok, werd
bleek, en stamelde, alsof ze hem allang kende: 'Meneer Cesar?'
'Ja...'
'En wat wilt u ?...'
'Ik moet met u
spreken over mijn vader.'
Ze zei: 'O mijn God!'
en ging aan de kant zodat hij binnen kon komen. Hij sloot de deur en volgde haar.
Toen zag hij een
jochie van een jaar of vijf met een kat zitten spelen, op de grond voor een
fornuis waarvan een geur van warmgehouden gerechten opsteeg.
'Gaat
u zitten,' sprak ze.
Hij ging zitten...
Zij vroeg: 'Wel?'
Hij durfde niet meer te praten, hield zijn blikken gekluisterd aan de tafel
die midden in de kamer gedekt stond, met drie couverts, waarvan ŽŽn voor het kind.
Hij zag de stoel met de rug naar het vuur toe staan, het bord, het servet, de
glazen, de fles rode wijn ontkurkt en de fles witte
wijn nog onaangebroken. Dat was de plek van zijn vader, met de rug naar het
vuur! Hij werd verwacht. Het was zijn brood dat hij
zag, dat hij daar herkende vlak naast de vork, want de
korst was er afgesneden vanwege de slechte tanden van Hautot. Hij keek op en
zag aan de muur, zijn portret, de grote foto die in Parijs was gemaakt in het
jaar van de Wereldtentoonstelling1, dezelfde die in de
slaapkamer in Ainville boven het bed hing.
De jonge vrouw
herhaalde: 'Wel, meneer Cesar?'
Hij
keek haar aan. Bezorgdheid had haar doen verbleken, en zij wachtte, haar handen
trillend van angst.
Toen
vatte hij moed.
'Wel, mamzel, papa is
zondag gestorven, bij de opening van de jacht.'
Ze was zo getroffen
dat ze roerloos bleef zitten. Na enkele ogenblikken van stilte mompelde ze met
vrijwel onhoorbare stem: 'O nee, dat kan
toch niet!'
En toen, plotseling,
verschenen er tranen in haar ogen, hief zij haar handen op en bedekte haar
gezicht terwijl ze begon te snikken.
Toen draaide het
jochie zijn hoofd om, zag zijn moeder huilen, en begon
te brullen. Vervolgens begreep hij dat het plotseling verdriet te maken had met die onbekende, en wierp zich op Cesar,
greep met een handje zijn broek en met het andere sloeg hij hem uit alle macht
tegen zijn dij. En Cesar bleef ontsteld en vertederd zitten
tussen die vrouw die zijn vader beweende en dat kind dat zijn moeder
verdedigde. Hij voelde zich overstelpt door emotie, tranen van verdriet
welden op, en om zich een figuur te geven, begon hij
te praten.
'Ja,' zei hij, 'het
ongeluk is zondagochtend gebeurd, tegen een uur of acht...' En hij vertelde,
alsof zij luisterde, zonder een detail over te slaan,
onder vermelding, met boerenprecisie, van alle kleinigheden. En de kleine bleef
maar slaan, begon nu tegen zijn schenen te schoppen.
Toen hij bij het
ogenblik kwam waarop vader Hautot van haar had gesproken, hoorde zij haar naam,
keek op en vroeg: 'Neem me niet kwalijk, ik volgde u niet, maar ik zou graag
willen weten... als u het niet erg vindt het opnieuw
te vertellen?'
Hij begon in dezelfde
bewoordingen: 'Het ongeluk is zondagochtend gebeurd, tegen een uur of acht...'
Hij vertelde alles,
uitgebreid, bleef bij zaken stilstaan, laste pauzes in, gaf af
en toe overwegingen van zichzelf. Zij luisterde gretig, nam met haar
vrouwelijke fijngevoeligheid alle gebeurtenissen in zich op die hij verhaalde,
schrok soms op van gruwel en zei dan: 'O mijn God!' De kleine, die meende dat
zij was gekalmeerd, was opgehouden met Cesar te slaan om de hand van zijn
moeder te pakken, en hij luisterde ook, alsof hij het volgde.
Toen het verhaal
afgelopen was herhaalde zoon Hautot: 'Wij zullen nu een onderlinge regeling
moeten treffen overeenkomstig zijn wens. Luister, ik heb
genoeg geld, hij heeft mij nagelaten. Ik wil niet dat u zich te beklagen
zult hebben...'
Maar zij onderbrak
hem meteen.
'O meneer Cesar, meneer Cesar, niet vandaag. Mijn hart ligt aan
duigen... Een andere keer, een andere dag... Nee, niet vandaag... Als ik het aanneem, luistert u goed... dan is dat niet voor
mij... nee, nee, nee, ik zweer het u. Dan is het voor de kleine. Dat goed moet ook op zijn naam worden gezet.'
Geschrokken raadde
Cesar het daarop en stamelde: 'Dus... die is van hem... die kleine?'
'Ja natuurlijk,' zei zij.
En
zoon Hautot bekeek zijn broer in verwarde, sterke en pijnlijke ontroering.
Na een lange stilte, want ze begon weer te huilen, vervolgde Cesar,
zwaar gegeneerd: 'Wel dan, mamzel Donet, dan ga ik maar weer. Wanneer wilt u
dat wij het hierover hebben?'
Ze riep uit: 'O nee,
gaat u niet weg, gaat u niet weg, laat me nu niet alleen met Emile! Ik zou sterven van verdriet. Ik heb niemand meer, behalve mijn zoontje. Ach wat een ellende, wat een
ellende, meneer Cesar! Hier, gaat u toch zitten. U
moet nog wat met me praten. U moet me vertellen wat hij daar
de hele week deed.'
En Cesar ging zitten,
gewend als hij was om te gehoorzamen.
Zij trok voor
zichzelf een andere stoel bij de zijne, voor het fornuis waarop nog steeds de
gerechten stonden te sudderen, nam Emile op haar
knie'n, en vroeg Cesar duizend dingen over zijn vader, intieme dingen waaraan
je kon zien, waaraan hij zonder te hoeven nadenken merkte dat zij met haar hele
arme vrouwenhart van Hautot gehouden had.
En door de
natuurlijke gang van zijn gedachten, niet echt talrijk, kwam hij weer terug bij
het ongeluk, dat hij met al diezelfde details nog maar
eens vertelde.
Toen hij zei: 'Hij
had een gat in zijn buik, je kon er wel twee vuisten in steken,' slaakte zij
een soort kreet, en de tranen sprongen weer in haar ogen. Daarop, vanwege de
aanstekelijkheid ervan, begon ook Cesar te huilen, en aangezien tranen altijd
de vezels van het hart verzachten, boog hij zich voorover naar Emile, wiens
voorhoofd in het bereik van zijn mond was, en kuste hem.
De moeder kwam weer
wat op adem en mompelde: 'Arm kind, nu is hij wees.'
'Ik ook,' zei Cesar.
En
ze spraken niet verder.
Maar plotseling
ontwaakte het praktisch instinct van huisvrouw, gewend voor alles te zorgen, bij de jonge vrouw.
'U
hebt misschien de hele ochtend nog niet gegeten, meneer Cesar?'
'Nee,
mamzel.'
'Ach,
dan moet u honger hebben. U eet wel wat mee.'
'Dank u,' zei hij,
'ik heb geen honger, ik word te zeer gekweld.'
Zij antwoordde:
'Ondanks de ellende moeten wij gewoon doorleven, u mag mij dit niet weigeren. En
bovendien zult u dan nog wat langer blijven. Als u weg
bent, weet ik niet wat ik moet doen.'
Hij zwichtte, na nog
wat weerstand, ging met zijn rug naar het vuur zitten, tegenover haar, at een
schotel pens die hing te spetteren in de oven en dronk een glas rode wijn. Maar
hij vond het niet goed dat de witte werd opengetrokken.
Een paar keer veegde
hij de mond van de kleine af, die zijn kin bevuild had
met saus.
En toen hij opstond om te vertrekken vroeg hij: 'Wanneer wilt u dat ik terugkom
om het te hebben over de zakelijke kant, mamzel Donet?'
'Als
u het niet uitmaakt graag volgende week donderdag, meneer Cesar. Zo hoef ik dan geen
tijd te verliezen. Ik heb altijd op
donderdag vrij.'
'Wat
mij betreft dan, volgende donderdag.'
'U
komt weer eten, hè?'
'Ach,
dat kan ik
helaas niet beloven.'
'Ik
wil maar zeggen, je praat beter als je eet. Dan hebt u ook meer tijd.'
'Ja,
vooruit. Om twaalf uur dan.'
En hij vertrok, nadat
hij nog eens de kleine Emile had omhelsd, en juffrouw Donet een hand gegeven.
|